ECLI:NL:TADRARL:2026:149 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 26-359/AL/GLD
| ECLI: | ECLI:NL:TADRARL:2026:149 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 15-06-2026 |
| Datum publicatie: | 24-06-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-359/AL/GLD |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. De voorzitter verklaart een klacht over de advocaat van de wederpartij kennelijk ongegrond. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden
van 15 juni 2026
in de zaak 26-359/AL/GLD
naar aanleiding van de klacht van:
klagers
over
verweerder
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief met bijlagen volgens de inventarislijst van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Gelderland (hierna: de deken) van 23 april 2026 met kenmerk K25/161.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier,
uit van de volgende feiten.
1.1 Verweerder staat [Z] B.V. en [K] B.V. bij in verschillende civielrechtelijke
procedures.
1.2 Klagers zijn samen met [Z] B.V. en [K] B.V. en de heer [V] eigenaar van de
appartementsrechten die vallen onder het beheer van de Vereniging van Eigenaars [ADRES].
1.3 Op 21 maart 2025 heeft verweerder namens [Z] B.V. en [K] B.V. op grond van
artikel 5:144 BW een verzoekschrift tot wijziging van de splitsingsakte ingediend
bij de Rechtbank Amsterdam.
1.4 Op 19 mei 2025 heeft verweerder namens [Z] B.V. en [K] B.V. een akte van
uitlating bij de Rechtbank Amsterdam ingediend. Deze akte luidt, voor zover relevant,
als volgt:
Tot slot merkt [Z] op dat het verzoek volgens [klagers] mede is ingediend door de heer [V]. Echter, is de heer [V] - zover bij [Z] bekend – niet verder betrokken geweest in deze procedure. Ook is hij niet verschenen bij de mondelinge behandeling. [klagers] heeft geen volmacht overlegd waaruit volgt dat [klagers] bevoegd is om namens [V] te procederen. [Z] verzoekt U.E.A. Kantonrechter zich hiervan rekenschap te geven en daaraan de rechtens correcte gevolgen te verbinden.
1.5 Op 19 mei 2025 heeft [V] het volgende aan de Rechtbank Amsterdam gemaild:
Op 19 mei 2025 nam ik per e-mail, verstuurd door [R] Advocaten, kennis van een schrijven dat kennelijk door [klagers] op 15 en 22 april j.l. bij uw rechtbank is ingediend in het kader van de onderhavige procedure. Ik wens uitdrukkelijk te verklaren dat dit schrijven zonder mijn voorkennis, medeweten of betrokkenheid is opgesteld en ingediend. Ik heb op geen enkele wijze bijgedragen aan de inhoud of totstandkoming daarvan, noch is mij tevoren inzage in of overleg over dit stuk geboden.(…)
1.6 Op 28 oktober 2025 hebben klagers in de procedure met betrekking tot het verzoekschrift
tot wijziging van de splitsingsakte een verzoek tot aanhouding van de mondelinge behandeling
van 10 december 2025 gedaan.
1.7 Op 30 oktober 2025 heeft verweerder van de Rechtbank Amsterdam een brief
met het aanhoudingsverzoek van klagers ontvangen.
1.8 Op 5 november 2025 heeft verweerder het volgende aan de Rechtbank Amsterdam,
met klagers en de heer [V] in de cc, gemaild:
In de procedure met boven gemeld kenmerk is kennisgenomen van uw brief van 30 oktober 2025. Namens [Z] B.V. en [K] B.V. wordt hierop als navolgend gereageerd.
Aanhoudingsverzoek
Het aanhoudingsverzoek van [klagers] en de onderbouwing daarvan is onnavolgbaar. De verzoekende partijen in deze procedure is niets bekend van een (of meerdere) "samenhangende bestuurszaak". De aan [Z] c.s. jaren geleden verleende bouwvergunningen zijn verleend, de werken zijn uitgevoerd en dat deel is "afgetekend" door de gemeente [PLAATS]. In elk geval kan een en ander niet door [klagers] worden aangetast.De in de brief van 28 oktober 2025, 20:39 uur betrokken stellingen zijn stuk voor stuk onjuist en deze worden uitdrukkelijk betwist. Verzoeken[de] partijen is ook niets bekend over handhavingsverzoeken, vernietigingsverzoeken, vorderingen tot afbraak en/of andersoortige procedures bij de genoemde instanties. Navraag bij de gemeente heeft op dit moment ook geen enkel resultaat opgeleverd.
De stelling van [klagers] dat een schorsing van deze procedure "noodzakelijk" zou zijn om "tegenstrijdige beslissingen" te voorkomen, "de rechten van beide partijen te beschermen" en de daarvoor aangevoerde argumenten zijn wat cliënten betreft aan te merken als verzinsels van [klagers] die - ook nu weer - enkel tot doel hebben om de procedure verder te vertragen. De geschreven teksten zijn zoals gezegd niet duidelijk, niet coherent, verzonnen en in juridische zin volstrekt onnavolgbaar. Wellicht ten overvloede houdt [Z] c.s. voor dat een eventuele bestuursrechtelijke rechtsgang geen invloed kan hebben op deze procedure.
Conclusie
Cliënten stemmen uitdrukkelijk niet in met het kennelijk gedane verzoek om aanhouding van de procedure. Met klem wordt verzocht dit verzoek af te wijzen en te bepalen dat de geplande mondelinge behandeling op 10 december 2025, vanaf 15:30 uur doorgang zal vinden. Dit bericht wordt in CC direct ook aan [klagers] en de heer [V] toegezonden ter kennisneming.
1.9 Op 10 november 2025 hebben klagers bij de deken een klacht ingediend over verweerder.
1.10 Op 10 december 2025 heeft de mondelinge behandeling van het verzoekschrift
plaatsgevonden en heeft de kantonrechter mondeling uitspraak gedaan.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:
a) zich onnodig grievend over klagers uit te laten in zijn brief van 5 november
2025;
b) een onjuiste voorstelling van zaken te geven in zijn brief van 5 november
2025;
c) bewust documenten achter te houden;
d) in strijd te handelen met gedragsregel 15.
3 VERWEER
Verweerder heeft tegen de klacht inhoudelijk verweer gevoerd. De voorzitter zal
hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
Maatstaf
4.1 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle
advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen
cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang
van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen
van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen
zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten
niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel
van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is.
Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie
te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het
voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij
aan de wederpartij toebrengen.
Klachtonderdeel a)
4.2 Verweerder heeft in zijn reactie op een aanhoudingsverzoek van klagers (onder
meer) geschreven dat de door klagers genoemde argumenten ‘wat cliënten betreft [zijn] aan te merken als verzinsels van [klagers] die - ook
nu weer - enkel tot doel hebben om de procedure verder te vertragen. De geschreven
teksten zijn zoals gezegd niet duidelijk, niet coherent, verzonnen en in juridische
zin volstrekt onnavolgbaar.’ Klagers vinden deze uitlatingen onnodig grievend en zijn van mening dat deze tot
doel hadden om reputatie- en procedureschade te veroorzaken.
4.3 De voorzitter volgt klagers niet in dit verwijt. Het stond verweerder vrij
om op deze manier te reageren op het aanhoudingsverzoek van klagers. Daarbij is van
belang dat verweerder de standpunten van zijn cliënten naar voren bracht en daarbij
heeft uitgelegd waarom (in hun ogen) hetgeen door klagers was aangevoerd, onjuist
is. Anders dan klagers hebben betoogd, is niet gebleken dat de uitlatingen waren bedoeld
om klagers persoonlijk te schaden. Met de inhoud en de toon van zijn brief heeft verweerder
de grenzen van de (grote) vrijheid die hem toekomt als advocaat van de wederpartij
niet overschreden. Het voorgaande betekent dat dit klachtonderdeel kennelijk ongegrond
wordt verklaard.
Klachtonderdeel b)
4.4 Klagers stellen dat verweerder een onjuiste voorstelling van zaken heeft
gegeven in zijn brief van 5 november 2025, doordat hij in die brief heeft geschreven
dat zijn cliënten niet op de hoogte waren van een samenhangende bestuurszaak.
4.5 Verweerder heeft hierover verklaard dat hij dit in zijn brief heeft vermeld,
nadat zijn cliënten hem hadden verteld dat zij van de gemeente hadden gehoord dat
er niets bekend was over een procedure. De voorzitter kan op grond van de stukken
in het klachtdossier niet vaststellen dat verweerder op het moment dat hij de brief
van 5 november 2025 verstuurde, wist dat deze informatie niet juist was. Verweerder
mocht uitgaan van de juistheid van de informatie die hij van zijn cliënten had gekregen.
Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder de juistheid had moeten
controleren, is de voorzitter niet gebleken. Bovendien heeft verweerder – nadat hij
hoorde dat zijn brief op dit punt niet juist was – dit tijdens de zitting bij de rechtbank
gecorrigeerd. Het voorgaande betekent dat van tuchtrechtelijk handelen door verweerder
geen sprake is. Dit klachtonderdeel wordt kennelijk ongegrond verklaard.
Klachtonderdeel c)
4.6 Klagers verwijten verweerder dat hij zijn verzoekschrift van 21 maart 2025
bij de rechtbank heeft ingediend zonder klagers daarvan op de hoogte te brengen.
4.7 De voorzitter stelt vast dat verweerder het verzoekschrift namens zijn cliënten
in viervoud heeft ingediend bij de rechtbank. De rechtbank heeft klagers vervolgens
opgeroepen en hen daarbij het verzoekschrift gestuurd. Verweerder heeft hiermee overeenkomstig
het procesreglement van de rechtbank gehandeld. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen
is dan ook geen sprake. Dit klachtonderdeel wordt daarom kennelijk ongegrond verklaard.
Klachtonderdeel d)
4.8 Verweerder staat [Z] B.V. en [K] B.V. bij in deze procedure. De wederpartijen
van de cliënten van verweerder zijn klagers en [V]. Klagers stellen dat verweerder
– in strijd met gedragsregel 15 – ook voor [V] optreedt in deze procedure. Als onderbouwing
van deze stelling verwijzen zij naar de brief van verweerder van 19 december 2025.
4.9 De voorzitter stelt vast dat zowel verweerder als [V] uitdrukkelijk hebben
betwist dat [V] door verweerder wordt bijgestaan. De omstandigheid dat verweerder
de kantonrechter heeft verzocht om gevolgen te verbinden aan het feit dat klagers
zonder toestemming van [V] mede namens hem een verzoek hebben gedaan, is - anders
dan klagers betogen - geen ondersteuning van de stelling van klagers dat verweerder
namens [V] optreedt. Omdat dat ook uit andere stukken niet blijkt, wordt dit klachtonderdeel
kennelijk ongegrond verklaard.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. M. Jansen, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr.
W.B. Kok als griffier en uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden d.d. 16 juni 2026