ECLI:NL:TADRARL:2026:148 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 26-360/AL/GLD
| ECLI: | ECLI:NL:TADRARL:2026:148 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 22-06-2026 |
| Datum publicatie: | 23-06-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-360/AL/GLD |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. Een klacht over een executeur wordt deels niet-ontvankelijk (wegens overschrijding van de klachttermijn) en deels kennelijk ongegrond verklaard. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden
van 22 juni 2026
in de zaak 26-360/AL/GLD
naar aanleiding van de klacht van:
klagers
over
verweerder
gemachtigde: mr. F.B.A.M. van Oss
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief met bijlagen volgens de inventarislijst van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Gelderland (hierna: de deken) van 26 april 2026 met kenmerk K25/52 .
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1 Klagers en verweerder zijn zussen en broer van elkaar. Tot het gezin behoren ook de heer F (hierna: F.) en de heer R (hierna: R. Verweerder is getrouwd met mevrouw A (hierna: A). A is tevens als medewerkster verbonden aan het kantoor van verweerder.
1.2 Op 21 augustus 2019 overleed de moeder van partijen, mevrouw BR (hierna: de moeder). De vader van partijen was al eerder komen te overlijden. Op 21 juni 2019 was bij notaris Heuff te Arnhem een testament opgemaakt door de moeder. In dit testament is verweerder als executeur aangesteld .
1.3 Klagers hebben vervolgens rechtsbijstand ingeschakeld, eerst van mr. B en daarna van mr. D.
1.4 Op 9 april 2021 heeft prof. dr. mr. vdB op verzoek van verweerder een advies uitgebracht over de positie van verweerder als executeur en die van de mede-erfgenamen.
1.5 Op 20 september 2021 is namens klagers en F een verzoekschrift ingediend bij de Rechtbank Overijssel tot ontslag van verweerder als executeur in de nalatenschap. In een beslissing van 1 juli 2022 heeft de kantonrechter dat verzoek afgewezen.
1.6 Op 7 maart 2025 hebben klagers bij de deken een klacht ingediend over verweerder.
2 KLACHT
De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door met zijn handelwijze het vertrouwen in de advocatuur te schaden
3 VERWEER
Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
Ontvankelijkheid van de klacht
4.1 Voordat de voorzitter aan de inhoudelijke beoordeling van de klacht toekomt, moet eerst de vraag worden beantwoord of klagers op tijd over verweerder heeft geklaagd. Uitgangspunt is dat een klacht op grond van artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet bij de deken moet zijn ingediend binnen drie jaar na de dag waarop de klager heeft kennisgenomen, of redelijkerwijs kennis heeft kunnen nemen, van het handelen of nalaten van de advocaat waarop de klacht betrekking heeft. Het gaat in dit artikel om naar objectieve maatstaven aan te nemen aanwezige kennis bij klager van het handelen of nalaten van de advocaat waarop de klacht betrekking heeft en niet om subjectieve wetenschap van dat handelen of nalaten bij de klager.
4.2 De klacht gaat over het handelen van verweerder in de periode van 2019 tot 2025. Uit de stukken volgt dat klagers op het moment van het handelen waarover wordt geklaagd, of kort erna, kennis hebben genomen van dat handelen.
4.3 Klagers hebben over dat handelen op 7 maart 2025 bij de deken geklaagd. Dat betekent dat de klacht van klagers over het handelen van verweerder tot 7 maart 2022 te laat, want buiten de driejaarstermijn, is ingediend. Alleen onder (zeer) bijzondere omstandigheden kan een overschrijding van de klachttermijn verschoonbaar zijn. Daarvan is de voorzitter niet gebleken. De redenen die klagers hiervoor hebben aangevoerd – geldgebrek, geen vertrouwen in de rechtspraak en de advocatuur en persoonlijke omstandigheden – zijn niet zulke bijzondere omstandigheden. Dat betekent dat de voorzitter de klacht over het handelen van verweerder tot 7 maart 2022 niet‑ontvankelijk zal verklaren.
4.4 Het onderdeel van de klacht over het handelen vanaf 7 maart 2022 is wel ontvankelijk. De voorzitter zal hierover hieronder een oordeel geven.
Beoordeling van de klacht
4.5 De voorzitter neemt in overweging dat het in de artikelen 46 en volgende van de Advocatenwet geregelde tuchtrecht betrekking heeft op het handelen en nalaten van advocaten als zodanig en beoogt een behoorlijke beroepsuitoefening te waarborgen. Ook wanneer een advocaat optreedt in een andere hoedanigheid dan die van advocaat, zoals die van executeur, blijft voor de advocaat het advocatentuchtrecht gelden. Indien hij zich bij de vervulling van die andere functie zodanig gedraagt dat daardoor het aanzien van en/of het vertrouwen in de advocatuur wordt geschaad, zal in het algemeen sprake zijn van handelen of nalaten in strijd met wat een behoorlijk advocaat betaamt en waarvan hem een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. De tuchtrechter toetst dat optreden in een andere hoedanigheid niet slechts marginaal; er volgt een volle toets naar de vraag of het vertrouwen in de advocatuur is geschaad en, bij positieve beantwoording, of is gehandeld in strijd met de norm van artikel 46 Advocatenwet.
4.6 Klagers stellen dat verweerder het vertrouwens in de advocaat heeft geschaad. Klagers stellen dat verweerder zich presenteerde als advocaat, valsheid in geschrift pleegde, onjuiste informatie verstrekte en informatie achterhield.
4.7 De voorzitter is van oordeel dat uit de klacht en de andere stukken in het klachtdossier niet is gebleken dat verweerder zich aan deze door klagers genoemde gedragingen schuldig heeft gemaakt. Stukken die die verwijten ondersteunen ontbreken en verweerder heeft deze verwijten gemotiveerd betwist. Verder is het niet aan de tuchtrechter om geschillen te beslechten over het optreden van een executeur. Dat is aan de kantonrechter. Klagers hebben van deze mogelijkheid ook gebruik gemaakt en in een procedure verzocht om verweerder als executeur te ontslaan. De kantonrechter heeft dat verzoek afgewezen. Het voorgaande betekent dat de klacht – voor zover nog aan de orde – kennelijk ongegrond wordt verklaard.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
- De klacht voor zover deze ziet op het handelen van verweerder tot 7 maart 2022 niet-ontvankelijk;
- de klacht voor het overige, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. F.M.C. Boesberg, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. W.B. Kok als griffier en uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 22 juni 2026