ECLI:NL:TADRARL:2026:147 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 26-345/AL/GLD
| ECLI: | ECLI:NL:TADRARL:2026:147 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 22-06-2026 |
| Datum publicatie: | 23-06-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-345/AL/GLD |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. De voorzitter verklaart een klacht over de advocaat van de wederpartij kennelijk ongegrond. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden
van 22 juni 2026
in de zaak 26-345/AL/GLD
naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
over
verweerder
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief met bijlagen volgens de inventarislijst van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Gelderland (hierna: de deken) van 21 april 2026 met kenmerk K25/122.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1 Op 27 februari 2019 zijn klaagster en de heer M. gescheiden. Zij hebben een vaststellingsovereenkomst gesloten over de partneralimentatie.
1.2 Op 10 augustus 2022 heeft klaagster een e-mail ontvangen van M. In de e-mail stelt M. dat zijn arbeidssituatie is gewijzigd en dat dit gevolgen heeft voor de partneralimentatie. Ook stelt hij dat hij € 9.000,- teveel aan partneralimentatie heeft betaald en vordert hij dit bedrag terug.
1.3 Klaagster heeft in een e-mail van 1 september 2022 gereageerd op de e-mail van M. In deze e-mail stelt klaagster dat zij niet in onderling overleg tot nieuwe afspraken over de partneralimentatie wil komen en dat M. zich moet wenden tot de rechter.
1.4 M. heeft zich vervolgens tot verweerder gewend voor juridische bijstand.
1.5 Op 28 september 2022 heeft verweerder namens M., zijn cliënt, een brief gestuurd aan klaagster. Die brief luidt, voor zover relevant, als volgt:
Cliënt heeft u geïnformeerd over deze gewijzigde omstandigheden (die overigens voorzien zijn in het door u beiden gesloten convenant) met zijn e-mail van 10 augustus jl. Uit uw reactie hierop kan ik alleen maar opmaken dat u niet bereid bent om in goed onderling overleg te komen tot nieuwe alimentatie afspraken.
Gezien uw houding stelde ik inmiddels het hierbij gaande verzoekschrift tot wijziging van de partneralimentatie op en zond ik dit aan de rechtbank om in behandeling te nemen. Uit dit verzoekschrift kunt u opmaken dat cliënt zich op het standpunt stelt dat met ingang van 10 augustus, dan wel m.i.v. de dag van indiening van het verzoekschrift bij de rechtbank de alimentatie moet wijzigen naar nihil.
U kunt een inhoudelijke procedure nog voorkomen door als nog in goed overleg te komen tot een nieuwe alimentatie. In dit kader doet cliënt u een éénmalig voorstel om de alimentatie te wijzigen naar € 400,- bruto per maand m.i.v. 1 september 2022. Eventueel te veel betaalde alimentatie in augustus laat cliënt dan zitten. Gaat u overigens niet akkoord dan overweegt cliënt alsnog om geheel te stoppen met werken. In dat geval is cliënt helemaal geen alimentatie meer verschuldigd.
Gezien het standpunt van cliënt in de te starten procedure acht hij zich gerechtigd om geheel te stoppen met alimentatie betalingen. Hangende de procedure zal cliënt, geheel coulance halve voor september 2022 en opvolgende maanden een alimentatie betalen van € 400,- bruto. Cliënt houdt zich wel het recht voor om de vanaf september 2022 aan u betaalde bedragen van u terug te vorderen.
1.6 Het door verweerder opgestelde verzoekschrift tot wijziging van de partneralimentatie luidt, voor zover relevant, als volgt:
3.
Aan de echtscheidingsbeschikking heeft uw rechtbank gehecht een door de griffier gewaarmerkt convenant, van welk convenant hierbij een kopie in het geding wordt gebracht als productie 1. Onder meer zijn partijen een partneralimentatie overeengekomen, door de man te voldoen aan de vrouw, t.w.v. € 3.321 bruto per maand met ingang van 26 maart 2019. Verder is afgesproken (vide artikel 1.5.3. convenant), mede met het oog op het gegeven dat de man de pensioengerechtigde leeftijd reeds heeft bereikt maar nog wel werkt, dat de partneralimentatie eindigt op het moment dat de man geheel stopt met werken.
4.
De man heeft zijn dienstverband bij World Bearing Trade opgezegd met de hierbij gaande brief aan zijn werkgever van 30 juni 2022 (productie 4). De afgesproken opzegtermijn bedraagt één maand, waardoor het inkomen voor de man uit dit dienstverband, t.w.v. € 5.451,20 bruto per maand, stopt per 1 augustus 2022. De salarisstrook m.b.t. de maand juni en juli 2022 gaan hierbij als productie 5.
De man wil niet helemaal stoppen met werken. Hij en zijn voormalig werkgever zijn een nieuwe arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd aangegaan per 1 augustus 2022, van welk overeenkomst hierbij een kopie in de procedure wordt gebracht als productie 6. Het salaris voor de man bedraagt € 1.040,- bruto per maand. De salarisstrook m.b.t. de maand augustus 2022 gaat hierbij als productie 7.
8.
De man ziet zich, gezien de van toepassing zijnde hoofdregel dat in beginsel de alimentatie pas kan wijzigen per datum indiening verzoekschrift, gedwongen tot de start van de onderhavige procedure en formuleert zijn verzoek als volgt. De man stelt dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden i.z.v. artikel 1:401 BW en dat er reden is voor een wijziging van de geldende alimentatie. Als productie 10 gaat hierbij een draagkrachtberekening van de draagkracht van de man per 1 augustus 2022, met onderliggende stukken. De uitkomst van de berekening laat zien dat de man in staat is om een partneralimentatie te betalen van € 824,= bruto per maand. De man meent echter dat hij, indien hij een dergelijke alimentatie, of welk bedrag aan alimentatie dan ook, zou betalen aan de vrouw, de vrouw in een gunstigere inkomenspositie zou komen te verkeren als de man (zgn. Jusvergelijking). In dit kader is van belang dat de vrouw, net als de man, een AOW uitkering ontvangt en dat het inkomen uit pensioenen voor de man en de vrouw gelijk is. Nu de vrouw geen financiële gegevens bekend heeft gemaakt, stelt de man zich op het standpunt dat een Jusvergelijking maakt dat van hem niet verlangt kan worden dat hij nog langer alimentatie betaald. Hij verzoekt uw rechtbank derhalve de alimentatie te wijzigen naar nihil.’’
1.7 Op 6 september 2025 heeft klaagster bij de deken een klacht ingediend over verweerder.
2 KLACHT
De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:
a) onvoldoende zorgvuldig te zijn geweest bij het controleren van de door zijn cliënt aangeleverde financiële gegevens;
b) klaagster onder druk te zetten om een voorstel te accepteren gebaseerd op incorrecte gegevens.
3 VERWEER
Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
4.1 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.
4.2 De voorzitter ziet aanleiding om de klachtonderdelen gezamenlijk te behandelen. Klaagster verwijt verweerder dat hij de door zijn cliënt aangeleverde financiële gegevens onvoldoende heeft gecontroleerd (klachtonderdeel a). Klaagster verwijt verweerder verder dat hij haar op basis van deze incorrecte gegevens onder druk heeft gezet om een voorstel te accepteren (klachtonderdeel b).
4.3 De voorzitter kan op grond van de stukken in het klachtdossier niet vaststellen dat verweerder wist of redelijkerwijs had moeten weten dat de in het verzoekschrift genoemde (en door klaagster betwiste) informatie - over de hoogte van de betaalde partneralimentatie en het maandsalaris van de cliënt van verweerder - onjuist is. Datzelfde geldt voor de omstandigheden dat de cliënt van verweerder de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt en dat hij samenwoont, welke omstandigheden verweerder in de ogen van klaagster ten onrechte niet in zijn verzoekschrift heeft genoemd. Verweerder mocht afgaan op de juistheid van deze informatie die hij van zijn cliënt had gekregen. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder de juistheid van die informatie had moeten controleren, is de voorzitter niet gebleken.
4.4 De voorzitter is verder van oordeel dat het verzoekschrift en de brief van verweerder van 28 september 2022 in toon en inhoud zakelijk en correct zijn. Het (op een tuchtrechtelijk verwijtbare wijze) onder druk zetten van klaagster kan op grond van deze stukken niet worden vastgesteld. Het klachtdossier bevat ook overigens geen aanwijzingen dat verweerder klaagster onder druk heeft gezet of anderszins de belangen van klaagster onnodig of op een ontoelaatbare manier heeft geschaad.
4.5 De voorzitter is op grond van het voorgaande van oordeel dat niet is gebleken dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. De klacht wordt daarom kennelijk ongegrond verklaard.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. M. Jansen, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. W.B. Kok als griffier en uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 22 juni 2026