ECLI:NL:TADRARL:2026:146 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 26-244/AL/GLD
| ECLI: | ECLI:NL:TADRARL:2026:146 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 22-06-2026 |
| Datum publicatie: | 23-06-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-244/AL/GLD |
| Onderwerp: | Grenzen van het tuchtrecht, subonderwerp: Advocaat in overige hoedanigheden |
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. De voorzitter verklaart een klacht over een advocaat in een andere hoedanigheid kennelijk ongegrond. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden
van 22 juni 2026
in de zaak 26-244/AL/GLD
naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
over
verweerster
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief met bijlagen volgens de inventarislijst van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Gelderland (hierna: de deken) van 25 maart 2026 met kenmerk K25/109 .
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1 Klaagster heeft op 12 augustus 2022 opdracht gegeven aan een autogarage om een grote onderhoudsbeurt uit te voeren aan haar auto.
1.2 Op 23 april 2023 is de auto van klaagster kapot gegaan vanwege een gebroken distributieketting.
1.3 Klaagster heeft de garage aansprakelijk gesteld voor de reparatiekosten. Klaagster is van mening dat de slijtage aan de distributieketting naar voren zou moeten zijn gekomen tijdens de grote onderhoudsbeurt en dat de garage de verkeerde motorolie heeft gebruikt.
1.4 Klaagster heeft hierover een klacht ingediend bij de Geschillencommissie Voertuigen.
1.5 De garage is in die procedure bijgestaan door mevrouw mr. S, een juridisch medewerkster van [S] Rechtsbijstand (hierna: [S]).
1.6 Verweerster is directeur van [S].
1.7 Voor de behandeling van de klacht van klaagster heeft de Geschillencommissie Voertuigen de heer J. als deskundige benoemd. De heer J. heeft verklaard dat een lagere viscositeit geen aantoonbare gevolgen heeft voor de distributie.
1.8 Op 28 oktober 2024 heeft de Geschillencommissie Voertuigen een tussenadvies gegeven. De Geschillencommissie Voertuigen heeft beslist dat de garage een specificatie van de gebruikte olie aan klaagster en aan de commissie moet zenden en dat klaagster vervolgens binnen zes weken na ontvangst van die specificatie het rapport van contraexpertise aan de garage en aan de commissie dient te zenden.
1.9 Op 6 november 2024 heeft de heer B., werkzaam als sr. Technisch Expert bij [B]. en ingeschreven als NIVRE-deskundige, op verzoek van [S] zijn bevindingen over het deskundigenrapport van de heer J. gegeven.
1.10 Op 19 november 2024 heeft de heer M. op verzoek van klaagster zijn bevindingen over het geschil gegeven.
1.11 De Geschillencommissie Voertuigen heeft op 3 februari 2025 een bindend advies gegeven waarin de vordering van klaagster is afgewezen.
1.12 Op 1 mei 2025 heeft klaagster verschillende brieven gezonden naar verweerster, B. en de geschillencommissie voertuigen. In de brief aan verweerster heeft klaagster onder andere het volgende geschreven:
Hierbij doe ik u een kopie van mijn brief aan de Geschillencommissie Voertuigen toekomen vanwege een advies wat de heer B. van de firma [B] heeft uitgebracht aan uw medewerkster mevrouw S. Dit advies heeft zij, samen met een uittreksel uit het Nivre register van de heer [B] , toegevoegd aan mijn dossier bij de Geschillencommissie Voertuigen. Voor een verdere uitleg wil ik u verwijzen naar de kopie van de brief. Ik zal aangifte gaan doen tegen mevrouw S. vanwege fraude in de vorm van misleiding oftewel het manipuleren van informatie om zodoende onrechtmatig voordeel te krijgen en onder de schadeclaim uit te komen. Ik hoop dat u het met mij eens bent dat dit een zeer kwalijke zaak is. Ik realiseer mij dat deze beschuldiging nieuw voor u zal zijn en daarom wil ik u twee maanden na dagtekening van deze brief de tijd geven om alsnog uw verantwoordelijkheid hierin te nemen en deze overtreding van het Wetboek van Strafrecht ongedaan te maken alvorens ik aangifte zal gaan doen.’’
1.13 Op 21 mei 2025 heeft verweerster namens [S] en [B] gereageerd op de brief van klaagster. Verweerster heeft onder andere het volgende aan klaagster geschreven:
U hebt indertijd een klacht ingediend bij de Geschillencommissie. Tijdens het proces is een deskundige door de Geschillencommissie ingeschakeld. Bij de eerste mondelinge behandeling hebt u de kans gekregen om aanvullend bewijs te leveren door het inschakelen van een andere deskundige. Namens cliënt is - zonder daartoe gehouden te zijn overigens - deskundige B. ingeschakeld. Zijn conclusie is gevoegd in de procedure, als onderdeel van het verweer namens cliënt. Vervolgens hebt u gepoogd twee leden van de Geschillencommissie (onder wie de voorzitter) te wraken. Dit wrakingsverzoek is afgewezen. Na een tweede mondelinge behandeling, waarbij uw deskundige aanwezig was, heeft de Geschillencommissie het bindende eindoordeel gegeven. De Geschillencommissie is tot het oordeel gekomen dat u niet geslaagd bent in uw bewijsopdracht en daardoor werd uw klacht (en vordering) afgewezen. U hebt de Geschillencommissie laten weten de bindende uitspraak niet te zullen gaan voorleggen aan de rechter, maar te kiezen voor het doen van aangifte tegen de Geschillencommissie, mevrouw S., de heer B. en cliënt. Wij wijzen uw beschuldigingen met klem van de hand. De Geschillencommissie heeft na een zorgvuldig gevoerde procedure een bindend advies gegeven, waar beide partijen zich aan dienen te houden. Van fraude blijkt helemaal niets. U onderbouwt dit overigens ook niet, anders dan uw eigen toelichting in de brief aan de Geschillencommissie. Het uiten van ongegronde beschuldigingen en het verbinden van voorwaarden aan het achterwege laten van aangifte beschouwen wij als ongepast en onacceptabel. Indien u deze beschuldigingen blijft herhalen of verder zult verspreiden, zullen wij ons genoodzaakt zien om passende juridische stappen te overwegen ter bescherming van onze medewerkers en cliënt. Wij verzoeken u dan ook dringend om deze aantijgingen te staken en af te zien van verdere onterechte uitingen.’’
1.14 Op 4 juni 2025 heeft klaagster gereageerd op de brief van verweerster.
1.15 Op 28 juli 2025 heeft klaagster bij de deken een klacht ingediend over verweerster.
2 KLACHT
De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:
a) de fraude van [S] niet te corrigeren;
b) in verband met de belangenverstrengeling bij [S] en [B] te handelen op een wijze waardoor het vertrouwen in de advocatuur is geschaad.
3 VERWEER
Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
Maatstaf
4.1 Het in de artikelen 46 en volgende van de Advocatenwet geregelde tuchtrecht heeft betrekking op het handelen en nalaten van advocaten als zodanig en beoogt een behoorlijke beroepsuitoefening te waarborgen. Ook wanneer een advocaat optreedt in een andere hoedanigheid dan die van advocaat, zoals directeur van [S], blijft voor de advocaat het advocatentuchtrecht gelden. Als hij zich bij de vervulling van die andere functie zodanig gedraagt dat daardoor het aanzien van en/of het vertrouwen in de advocatuur wordt geschaad, zal in het algemeen sprake zijn van handelen of nalaten in strijd met wat een behoorlijk advocaat betaamt en waarvan hem een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.
Klachtonderdeel a)
4.2 Klaagster stelt dat [S] fraude heeft gepleegd omdat [S] een (volgens klaagster) misleidende verklaring van een deskundige in de procedure bij de Geschillencommissie heeft gebracht. Klaagster verwijt verweerster dat zij deze fraude niet heeft gecorrigeerd.
4.3 De voorzitter volgt klaagster niet in dit verwijt. Uit de inhoud van het klachtdossier blijkt niet dat er sprake is van door [S] gepleegde fraude. Op grond van de enkele omstandigheid dat klaagster het niet eens is met de schriftelijke verklaring van de deskundige die op verzoek van [S] is opgemaakt, kan die conclusie niet worden getrokken. Omdat niet is gebleken van onjuist handelen door [S], is ook het verwijt in de richting van verweerster, inhoudende dat zij onvoldoende heeft gedaan om de gestelde fraude te corrigeren, niet vast komen te staan. Dat betekent dat dit klachtonderdeel kennelijk ongegrond wordt verklaard.
Klachtonderdeel b)
4.4 Klaagster stelt dat er bij de ondernemingen [S]en [B] sprake is van belangenverstrengeling en dat verweerster, in haar hoedanigheid van directeur van [S], heeft gehandeld in strijd met ‘de Chinese Walls’. Ter onderbouwing van dit verwijt heeft klaagster (onder meer) aangevoerd dat zij [S] en [B] apart heeft aangeschreven, maar dat verweerster mede namens [B] heeft gereageerd.
4.5 De voorzitter is van oordeel dat het verweerster vrij stond om op de e-mail van klaagster ook namens [B] te reageren. Uit die reactie blijkt niet dat verweerster zich schuldig heeft gemaakt aan belangenverstrengeling. Ook uit de rest van het klachtdossier blijkt niet dat verweerster zich hieraan schuldig heeft gemaakt, of dat verweerster op een andere wijze heeft gehandeld waardoor het vertrouwen in de advocatuur is geschaad. Er zijn geen stukken die die stelling bevestigen en verweerster heeft dat verwijt gemotiveerd betwist. Dat betekent dat van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen geen sprake is. Dit klachtonderdeel wordt daarom kennelijk ongegrond verklaard.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. F.M.C. Boesberg , plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. W.B. Kok als griffier en uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 22 juni 2026