ECLI:NL:TADRARL:2026:144 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 26-355/AL/OV
| ECLI: | ECLI:NL:TADRARL:2026:144 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 15-06-2026 |
| Datum publicatie: | 18-06-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-355/AL/OV |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. De voorzitter verklaart een klacht over de advocaat van de wederpartij kennelijk ongegrond. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden
van 15 juni 2026
in de zaak 26-355/AL/OV
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over
verweerster
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief met bijlagen volgens de inventarislijst van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Overijssel (hierna: de deken) van 21 april 2026 met kenmerk 2508106.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1 Klager en zijn ex-partner zijn verwikkeld in een echtscheiding. Mr. M. is de advocaat van klager en verweerster is de advocaat van de ex-partner van klager. Partijen hebben drie kinderen.
1.2 De eerste zaak is in juni 2022 gestart en er zijn inmiddels 17 procedures gevoerd. Er zijn, behalve over de echtscheiding, onder meer procedures gevoerd over de verblijfsplaats van de kinderen, de mogelijke verhuizing, de uithuisplaatsing, de ondertoezichtstelling en over de verkoop van woning.
1.3 Jeugdbescherming Overijssel is in eerste instantie aangewezen in verband met de onder toezichtstelling van de kinderen en op verzoek van klager heeft William Schrikker Jeugdbescherming en Jeugdreclassering dit overgenomen.
1.4 De rechtbank heeft makelaarskantoor M. Makelaardij aangewezen om de woning te taxeren en op 25 februari 2025 heeft de heer M. een bezoek aan de woning gebracht.
1.5 Op 19 juni 2025 is er een zitting bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden geweest waarin de taxatie van de woning (zijdelings) aan de orde is geweest. Verweerster heeft tijdens deze zitting gesteld dat klager de makelaar na de bezichtiging heeft bedreigd.
1.6 Op 23 juli 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerster.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:
a) op de zitting van het hof van 19 juni 2025 klager ervan te betichten dat hij bedreigingen heeft geuit naar de betrokken makelaar;
B) meerdere keren beschuldigingen over intieme terreur te hebben gedaan.
3 VERWEER
Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
4.1 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.
4.2 Klager verwijt verweerster dat zij hem in de procedure heeft beschuldigd van het bedreigen van een makelaar en van het plegen intieme terreur. Volgens klager zijn deze stellingen in strijd met de waarheid en hebben zijn kinderen angst ervaren door deze uitlatingen van verweerster.
4.3 De voorzitter stelt met betrekking tot de eerstgenoemde uitlating vast dat verweerster is afgegaan op de mededelingen van de makelaar aan verweerster en op de door de makelaar aan haar overgelegde e-mailberichten. Op grond van deze informatie stond het verweerster vrij om deze opmerking te maken. Daarbij is mede van belang dat de opmerking functioneel was; uit het proces-verbaal van de zitting volgt immers dat de inzet van deze makelaar bij de verkoop van de woning een onderdeel van de procedure vormde. Van een onnodig grievende uitlating is dan ook geen sprake. Ook is niet gebleken dat deze uitlating onjuist was en dat verweerster wist of redelijkerwijs had moeten weten dat deze onjuist was.
4.4 Naar het oordeel van de voorzitter mocht verweerster als partijdige belangenbehartiger ook de stelling over de intieme terreur innemen zoals zij in de procedure heeft gedaan. Daarbij is van belang dat verweerster deze stelling namens haar cliënte heeft gedaan en deze heeft onderbouwd met een schriftelijk stuk van William Schrikker Jeugdbescherming en Jeugdreclassering. Gelet hierop geldt ook voor deze uitlating dat deze niet onnodig grievend is en dat er ook geen sprake van het bewust verschaffen van onjuiste informatie.
4.5 De voorzitter is gelet op het voorgaande van oordeel dat verweerster niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. De klacht wordt daarom kennelijk ongegrond verklaard.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. G.F. van den Berg, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. W.B. Kok als griffier en uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 15 juni 2026