ECLI:NL:TADRARL:2026:143 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 26-082/AL/NN
| ECLI: | ECLI:NL:TADRARL:2026:143 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 15-06-2026 |
| Datum publicatie: | 16-06-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-082/AL/NN |
| Onderwerp: | Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Beleidsvrijheid |
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Verweerster heeft als opvolgend advocaat voor klager tijdig hoger beroep ingesteld. De raad is niet gebleken dat verweerster haar bijstand voor klagers op onzorgvuldige wijze heeft neergelegd of daarmee ten onrechte zou hebben gedreigd. Het kantoor van verweerster heeft de door klagers verschuldigde griffierechten op 18 februari 2025 aan het gerechtshof betaald. Op 14 april 2025 heeft verweerster zowel voor het verschuldigde griffierecht als voor haar werkzaamheden een factuur aan klagers gestuurd. Dat klagers op dat moment in betalingsonmacht verkeerden door beslaglegging kan verweerster niet worden verweten. Verweerster heeft klagers in haar e-mail van 13 november 2024 verzocht om haar te informeren zodra zij iets zouden horen van de eisende partij, met name over de tenuitvoerlegging van het vonnis van 30 oktober 2024. Niet is gebleken dat klagers daarvan melding bij verweerster hebben gedaan. Nadat klagers verweerster over hun betalingsonmacht hebben ingelicht, heeft verweerster voorstellen gedaan, ook in overleg met de klachtenfunctionaris, over een betalingsregeling. Klagers hebben daarmee en met het werkvoorstel ingestemd, waarna verweerster de afgesproken werkzaamheden heeft verricht. Wegens opnieuw uitblijven van betaling, kon verweerster niet anders dan zich als advocaat te onttrekken. Dat heeft zij op meer dan zorgvuldige wijze gedaan. Ongegrond. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem‑Leeuwarden
van 15 juni 2026
in de zaak 26-082/AL/NN
naar aanleiding van de klacht van:
1.
2.
samen ook: klagers
over
verweerster
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 16 september 2025 hebben klagers bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Noord-Nederland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.
1.2 Op 30 januari 2026 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2025 KNN096 / 2525141 van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 20 april 2026. Daarbij was verweerster, in aanwezigheid van haar voormalige patroon en ter zitting bijgestaan door mr. H. aanwezig. Klagers zijn zonder kennisgeving vooraf niet verschenen. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier.
2 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaring, uit van de volgende feiten.
2.1 Klagers, een holding en privé persoon, zijn verwikkeld in een civiele procedure. Na onttrekking op 20 augustus 2024 van hun advocaat in eerste aanleg hebben klagers zich op 9 september 2024 tot verweerster gewend.
2.2 Op 13 september 2024 heeft verweerster de opdracht aan klagers bevestigd. Omdat haar voorganger zich had onttrokken zonder conclusie van antwoord te nemen, heeft verweerster geprobeerd om alsnog een conclusie van antwoord te mogen nemen. De rechtbank heeft dat niet toegestaan en heeft op 30 oktober 2024 vonnis gewezen en dit uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
2.3 In een e-mail van 13 november 2024 heeft verweerster onder meer aan klagers geschreven:
Het vonnis dateert van 30 oktober 2024, derhalve loopt de hoger beroepstermijn af op 30 januari 2024 [bedoeld zal zijn: 2025; raad].
Verder verneem ik het graag als jij van de eisende partijen iets vernomen hebt, met name als het gaat om de tenuitvoerlegging van het vonnis.
2.4 De wederpartij van klagers hebben omstreeks februari 2025 beslag gelegd op diverse banksaldi (zakelijk en privé), een auto en een deel van de AOW-uitkering van klager in privé (klager 2).
2.5 Verweerster heeft namens klagers tijdig hoger beroep ingesteld. Op 18 februari 2025 heeft haar kantoor het door klagers verschuldigde griffierecht van € 6.803,- aan het gerechtshof voorgeschoten. De zaak stond op de rol voor 27 mei 2025 voor een memorie van grieven.
2.6 Op 14 april 2025 heeft verweerster voor haar werkzaamheden en de griffierechten een declaratie aan klagers gestuurd voor een bedrag van € 8.137,03.
2.7 In een e-mail van 24 april 2025:
- om 12:43 uur: heeft verweerster aan klagers toegelicht aan welke eisen een memorie van grieven moet voldoen en verder geschreven:
Tot slot: jij gaf aan dat jij door het beslag declaraties niet direct volledig kan voldoen. Wat ik jou wil vragen is een concreet voorstel te doen van een bedrag dat jij maandelijks zou kunnen voldoen. Belangrijk is ook dat dit een haalbaar bedrag is. Vervolgens zal ik de administratie vragen om dat bedrag maandelijks bij jou te factureren. Zo hoeven we niet voor iedere factuur weer opnieuw afspraken te maken.
- om 13:08: hebben klagers aan verweerster onder meer geschreven:
Ik zwem nog rondjes en zie niet hoe ik moet beginnen. Ik begrijp de procedure. Mag ik voorstellen dat je de memorie van grieven opstelt en aangeeft welke ontbrekende feiten ik nog moet toevoegen. (…)
Ik kan je declaraties niet voldoen en ontvang op dit moment geen volledige AOW omdat op een deel daarvan beslag ligt (…) Met pijn en moeite heb ik je vorige declaraties nog kunnen voldoen.
(…) Ik leeft sober maar de rek is eruit. Ik kan maandelijks € 1 nog wel missen ….
2.8 Op 2 mei 2025 heeft verweerster aan klagers onder meer geschreven:
Een betaling van € 1,00 per maand is echter niet acceptabel en dit is ook niet hoe jij de ernst van de zaak op mij deed overkomen. Bovendien betreft de laatste factuur een bedrag van € 6.803,00 aan griffierecht. Dit zijn out of pocket kosten die door mijn kantoor reeds zijn gemaakt. Zonder dekking van die kosten en zonder daadwerkelijke betalingsregeling, mag ik van mijn kantoor niet doorwerken.
Ik vind het oprecht heel vervelend dat dit op dit moment de situatie is en begrijp ook dat de beslaglegging daarvan de oorzaak is, maar je had dit wel eerder bij mij moeten melden. Wel denk ik graag met je mee over een oplossing. Omdat ik eerder contact heb opgenomen met de deurwaarder vanwege het beslag op jouw auto en de spaarrekening (dat er ook loonbeslag was gelegd, was mij niet bekend), heb ik opnieuw gebeld. Met jouw toestemming kan ik bij hen het verzoek voorleggen om het loonbeslag hangende het hoger beroep te laten vervallen. Dat zou als ik het goed heb begrepen gaan om een bedrag van iets minder dan € 300,00. Ik ben bereid om aan de hand van dat bedrag een betalingsregeling met jou te treffen voor de door mij te verrichten werkzaamheden. Dat risico mag ik van mijn kantoor alleen nemen, als wel het griffierecht volledig voldaan wordt. Het is dus belangrijk dat jij dat bedrag in ieder geval weet te financieren.
Graag ontvang ik jouw toestemming om het verzoek aan de deurwaarder te verzenden en zie ik van jou een reactie tegemoet over de financiering van het griffierecht.
2.9 Op 11 mei 2025 hebben klagers bij de klachtenfunctionaris van het kantoor van verweerster, mr. Van S, over haar geklaagd. De klachtenfunctionaris heeft op 14 mei 2025 met klager 2 in bijzijn van verweerster een gesprek gehad.
2.10 In de e-mail van 15 mei 2025:
- om 10:52 uur: heeft de klachtenfunctionaris aan klager 2 de op 14 mei 2025 gemaakte afspraken als volgt bevestigd:
Ik heb toegelicht dat in de eerste plaats de vraag voorligt of [verweerster] als uw belangenbehartiger nog uw vertrouwen geniet. Dat is immers een randvoorwaarde voor enige vervolgwerkzaamheid. U heeft aangegeven en toegelicht dat de aanleiding tot een klacht als zodanig uitsluitend ziet op de huidige, in uw ogen acute en ook tijdelijke onmogelijkheid om te betalen. Oorzaak is de gelegde beslagen, en dientengevolge uw beperkte resterende inkomsten op dit moment. Met [verweerster] heeft u altijd een goed en constructief contact gehad.(…)
- Ik heb toegelicht dat [verweerster] inderdaad te maken heeft met een kantoor beleid dat – kort gezegd – inhoudt dat werkzaamheden dienen te worden opgeschort c.q. gestaakt indien nota’s niet voldaan worden en dat een feitelijke – acute – onmogelijkheid aan uw zijde als zodanig niet “voor rekening van kantoor” dient of hoeft te komen. Tegelijk hebben we gezamenlijk vastgesteld dat u eerdere nota’s wel steeds prompt voldeed, tot aan de beslaglegging. (…)
- Het voorgaande was aanleiding om “vooruit te kijken”. [Verweerster] hervat haar werkzaamheden waar het het opstellen van de memorie van grieven betreft. Een voorzichtige raming brengt mee dat daar circa 10 uur (€ 2.500,= exclusief btw) aan honorarium mee gemoeid zal zijn. Onvoorziene bijkomende werkzaamheden daarvan uitgezonderd. U noemde dat "geen enkel probleem" en uiteraard dienen ook volgens u de griffierechten ad circa € 6.800,= - welke kantoor heeft voorgeschoten - spoedig/zo spoedig mogelijk te worden voldaan. Overige werkzaamheden worden tot een noodzakelijk minimum beperkt. (…)
- Kortom: qua indiening van de memorie van grieven op de rolzitting van 27 mei a.s. zijn heldere afspraken gemaakt. De – acute – termijn is daar mee “gedekt”. Ook is helder dat vervolgens sprake moet zijn van volledige betaling van openstaande nota’s alvorens opnieuw werkzaamheden van enige omvang worden verricht. Daarbij is besproken dat dit in het uiterste geval kan inhouden dat mr [H] alsnog haar werkzaamheden staakt tijdens het verdere verloop van het hoger beroep indien betaling uitblijft. (…)
- om 21:00 uur: heeft klager 2 aan de klachtenfunctionaris, met verweerster in de CC, bericht:
Het ziet er niet naar uit dat ik U nu nader kan informeren.
De inhoud van Uw e-mail van heden om 10:52 uur bevestig ik hierbij en ga akkoord.
2.11 Verweerster heeft haar werkzaamheden voor klagers hervat en op 27 mei 2025 de memorie van grieven genomen.
2.12 Op 18 juli 2025 heeft verweerster aan klagers, met de klachtenfunctionaris in de CC, het verzoek tot uitstel van de wederpartij doorgestuurd en in haar begeleidende e-mail geschreven:
Dit uitstelverzoek van de wederpartij is in mijn vakantie binnengekomen. De datum voor de memorie van antwoord is nu 5 augustus 2025. Hoogstwaarschijnlijk wordt daarna een mondelinge behandeling gepland.
Afgesproken is dat ik geen nieuwe werkzaamheden van omvang zal verrichten voordat de openstaande bedragen zijn voldaan, onverminderd de afspraak dat jij zo snel mogelijk een substantiële betaling zou verrichten. Ik ontvang daarom van jou graag opnieuw een update en wijs er volledigheidshalve op dat indien betaling uitblijft ik zoals afgesproken alsnog mijn werkzaamheden neer moet leggen.
2.13 Klagers hebben op 16 september 2025 een klacht over verweerster bij de deken ingediend.
2.14 Op 17 september 2025 heeft verweerster haar werkzaamheden voor klagers beëindigd.
2.15 Op 1 oktober 2025 heeft verweerster zich onttrokken aan de procedure van klagers in hoger beroep.
3 KLACHT
De klacht houdt in, zakelijk weergegeven, dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:
op onzorgvuldige wijze te (dreigen met) stoppen met haar werkzaamheden en dat te doen met als reden dat klagers haar (op dat moment) niet konden betalen.
4 VERWEER
Verweerster heeft gemotiveerd verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
5.1 De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan die advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn vanwege het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet.
5.2 Waar beoordeeld moet worden of een advocaat tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door zich aan de zaak te onttrekken wordt acht geslagen op Gedragsregel 14 lid 3 waarin is bepaald dat, als een advocaat besluit een hem verstrekte opdracht neer te leggen, de advocaat dat op zorgvuldige wijze moet doen en er voor zorg dient te dragen dat de cliënt daarvan zo min mogelijk nadeel ondervindt.
5.3 Vast staat dat verweerster in opdracht van klagers hoger beroep heeft ingesteld en dat tijdig heeft gedaan. Het kantoor van verweerster heeft daarna op 18 februari 2025 het door klagers verschuldigde griffierecht van € 6.803,- aan het gerechtshof betaald. Verweerster heeft die griffierechten en haar eigen werkzaamheden op 14 april 2025 aan klagers in rekening gebracht.
5.4 Volgens klagers waren er geen betalingsproblemen ontstaan als verweerster direct na 18 februari 2025 het griffierecht had gedeclareerd en daarmee niet twee maanden had gewacht. Verweerster wist dat er een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis lag en dat beslaglegging onder klagers mogelijk was, waarover zij klagers ook proactief had moeten informeren. Door deze nalatigheid van verweerster konden klagers na de beslaglegging onder hun in februari 2025 de factuur van 14 april 2025 van verweerster niet meer betalen. Dat heeft volgens klagers ten onrechte geleid tot het eerst dreigen met onttrekking en uiteindelijk ook tot de onttrekking van verweerster op 17 september 2025. Verweerster heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd en verwezen naar de met klagers gevoerde correspondentie en gemaakte afspraken, opgenomen onder de feiten hiervoor.
5.5 Het is de raad uit de stukken en het verhandelde tijdens de zitting niet gebleken dat verweerster haar bijstand voor klagers op onzorgvuldige wijze heeft neergelegd of daarmee ten onrechte zou hebben gedreigd. Daartoe overweegt de raad als volgt.
5.6 Zoals vaker gebruikelijk heeft het kantoor van verweerster de verschuldigde griffierechten op 18 februari 2025 voor de cliënten van verweerster aan het gerechtshof betaald. Op 14 april 2025 heeft verweerster zowel voor het verschuldigde griffierecht als voor haar werkzaamheden een factuur aan klagers gestuurd. Dat klagers op dat moment in betalingsonmacht verkeerden door beslaglegging kan verweerster niet worden verweten. Verweerster heeft klagers in haar e-mail van 13 november 2024 verzocht om haar te informeren zodra zij iets zouden horen van de eisende partij, met name over de tenuitvoerlegging van het vonnis van 30 oktober 2024. Dat klagers verweerster daarover eerder dan rond 24 april 2025 hebben ingelicht, is uit de stukken niet gebleken. Dat had echter wel op de weg van klagers gelegen die immers rechtstreeks beslagexploten moeten hebben ontvangen; niet verweerster.
5.7 Nadat klagers verweerster over hun betalingsonmacht hebben ingelicht, heeft verweerster daarop in haar e-mail van 24 april 2025 aan klagers gevraagd om een concreet en haalbaar betalingsvoorstel te doen. Op het voorstel van klagers diezelfde dag om € 1,- per maand te betalen, heeft verweerster met haar e-mail van 2 mei 2025 gereageerd dat dat geen acceptabel voorstel is. Ook heeft zij klagers erop gewezen dat zij zonder dekking van het griffierecht en zonder daadwerkelijke betalingsregeling van haar kantoor niet mag doorwerken. Verweerster heeft klagers ook een voorstel gedaan om hun betalingsprobleem op te lossen. Klagers hebben hierop op 11 mei 2025 gereageerd met de indiening van een interne klacht bij het kantoor van verweerster.
5.8 Uit de stukken is de raad verder gebleken dat klagers op 15 mei 2025 hebben ingestemd met het door de klachtenfunctionaris en verweerster gedane werkvoorstel. Zoals volgt uit de stukken heeft verweerster de afgesproken werkzaamheden verricht. Op 18 juli 2025 heeft verweerster aan klagers gevraagd om een update en opnieuw gemeld dat zij, zoals afgesproken, haar werkzaamheden zou moeten neerleggen bij uitblijven van betaling. Nu de raad uit de stukken niet is gebleken dat klagers tot betaling zijn overgegaan, kon verweerster niet anders dan zich op 17 september 2025 als advocaat onttrekken. Pas op 1 oktober 2025, na een ruime termijn, heeft zij zich formeel in de procedure in hoger beroep onttrokken. Dat klagers hierdoor op enigerlei wijze in hun belangen zijn geschaad is de raad niet gebleken.
5.9 Naar het oordeel van de raad heeft verweerster zich op meer dan zorgvuldige wijze de belangen van klagers aangetrokken, hun meermaals gewaarschuwd bij betalingsproblemen en geïnformeerd over het kantoorbeleid, meegedacht over oplossingen voor klagers en zich uiteindelijk, toen klagers opnieuw hun afspraken niet nakwamen, aan hun zaak onttrokken. Tuchtrechtelijk treft verweerster dan ook geen enkel verwijt.
5.10 Tijdens de zitting van de raad is zonder enige kennisgeving vooraf niemand namens klagers verschenen. Dat betreurt de raad omdat klager 2 dan had kunnen ervaren wat de klacht voor een grote impact op verweerster, nog advocaat-stagiaire, heeft gehad. Ondanks haar serieuze inzet om klagers te helpen om hun liquiditeitsproblemen en hun betalingsverplichting aan haar kantoor op te lossen, heeft verweerster, zo heeft de raad tijdens de zitting gehoord, nog na haar onttrekking e-mails met nare grievende inhoud van klager 2 ontvangen en is zelfs strafrechtelijk aangifte tegen haar gedaan. Naar het oordeel van de raad verdient verweerster een dergelijke behandeling niet.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart de klacht ongegrond.
Aldus beslist door mr. G.F. van den Berg, voorzitter, mrs. A.E. Mulder en Y.M. Nijhuis, leden, bijgestaan door mr. M.M. Goldhoorn als griffier en uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 15 juni 2026