ECLI:NL:TADRARL:2026:141 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 25-869/AL/MN
| ECLI: | ECLI:NL:TADRARL:2026:141 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 15-06-2026 |
| Datum publicatie: | 16-06-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-869/AL/MN |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Verweerder is als advocaat van de wederpartij van klager opgetreden in een arbeidsgeschil. De raad heeft niet kunnen vaststellen dat verweerder de geheimhoudingsverplichting heeft geschonden waar het feiten en omstandigheden betreft die in de mediation tussen klager en de cliënte van verweerder (zonder advocaten) aan de orde zijn geweest en die relevant zouden kunnen zijn voor de inhoudelijke beoordeling van de ontslagaanvraag. Alhoewel verweerder de specifieke informatie over wie de mediation had beëindigd en de omstandigheden waaronder beter niet in zijn e-mail aan het UWV had kunnen vermelden, en daarmee reeds de geheimhouding heeft geschonden, meent de raad dat verweerder in genoemde e-mail geen ontoelaatbare mededelingen over de mediation aan het UWV heeft gemeld. Verweerder moest verweer voeren namens de werkgever op door klager ingenomen stellingen. Ook heeft verweerder zijn excuses gemaakt. Gelet op al deze omstandigheden is de geconstateerde onzorgvuldigheid naar het oordeel van de raad van onvoldoende gewicht om verweerder daarover een tuchtrechtelijk verwijt te maken. Verweerder heeft ten aanzien van de andere verwijten niet de grenzen overtreden van de hem toekomende vrijheid als advocaat van de wederpartij van klager. Verweerder mocht de jurist van klager benaderen zoals gedaan. Niet is komen vast te staan dat verweerder zich in een telefoongesprek met de belastingadviseur van klager als diens advocaat heeft voorgedaan. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem‑Leeuwarden
van 15 juni 2026
in de zaak 25-869/AL/MN
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 28 augustus 2024, aangevuld op 3 februari 2025, heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 17 december 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk Z 2367805 HH van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 20 april 2026. Daarbij waren klager en verweerder aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier. Ook heeft de raad kennisgenomen van de e-mail met bijlagen van 26 januari 2026 van klager.
2 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.1 Klager heeft een arbeidsrechtelijk conflict gekregen binnen de vennootschap KZ (hierna: de vennootschap). Klager was via zijn persoonlijke holding voor 25% aandeelhouder in de vennootschap. De resterende aandelen in de vennootschap werden gehouden door drie andere aandeelhouders, ook ieder voor 25%. Klager is sinds 1 augustus 2022 arbeidsongeschikt.
2.2 De vennootschap en klager hebben geprobeerd hun arbeidsrechtelijke geschil via mediation op te lossen.
2.3 Verweerder is vanaf april 2023 als advocaat voor de vennootschap gaan optreden. Hij is niet bij de mediation betrokken geweest.
2.4 Het mediationtraject tussen klager en de vennootschap is vanaf mei 2023 tijdelijk stopgezet, op 16 augustus 2023 hervat en op 7 november 2023 door de mediator neutraal beëindigd.
2.5 In een e-mail van 21 september 2023 heeft een jurist van A aan klager geschreven dat verweerder die ochtend contact met haar heeft opgenomen over de arbeidsrechtelijke kwestie met de vennootschap.
2.6 Op 17 oktober 2023 heeft de jurist van A namens klager met (een van de bestuurders van) de vennootschap gecorrespondeerd en gereageerd op eerdere correspondentie met klager over aanpassing van zijn loon vanwege zijn arbeidsongeschiktheid.
2.7 In een e-mail van 24 oktober 2023 heeft verweerder de jurist van A erop gewezen dat hij, zoals bekend, als advocaat voor de vennootschap optreedt en heeft haar verzocht om alleen met hem te corresponderen. Verweerder heeft verder inhoudelijk op haar e-mail van 17 oktober 2023 gereageerd.
2.8 Op 12 maart 2024 is met voorgesprekken opnieuw een mediation tussen klager en de vennootschap gestart. Op 21 maart 2024 heeft een gesprek met de mediator plaatsgevonden.
2.9 Op 27 maart 2024 heeft verweerder aan de jurist van klager onder meer geschreven:
(…) Tot tweemaal toe heeft uw cliënt de mediation laten stopzetten: in mei 2023 verzocht hij de mediation ‘on hold’ te zetten omdat hij het niet aankon. De bedrijfsarts had hem daar wel degelijk toe in staat geacht en adviseerde hem, indien hij een andere mening was toegedaan, een deskundigenoordeel over deze geschiktheid te vragen bij het UWV. Dat heeft hij nooit gedaan.
In september 2023 is een tweede poging tot mediation gedaan, maar liet uw cliënt al na één gesprek aan de mediator weten dat verder praten ´geen nut´ had.
U zult begrijpen dat mijn cliënt na deze ervaringen vraagtekens plaatste bij de in uw mail van 19 december jl. beleden bereidheid van uw cliënt om mee te werken aan mediation, maar zij heeft er toch mee ingestemd om, voor de derde keer, tijd en geld te investeren in een mediation. Vervolgens bleek dat uw cliënt juist grote twijfels had bij een nieuwe mediation: hij wilde eerst precies weten waar die dan wel over zou moeten gaan, voordat hij daaraan zou meewerken. Ook daarmee is mijn cliënt akkoord gegaan en uiteindelijk hebben vorige week de eerste 1-op-1 gesprekken in dat kader plaatsgevonden. (…)
2.10 Op 14 mei 2024 heeft klager een uitvoerige e-mail gezonden aan de bestuurders van de vennootschap ‘over het DGA-vraagstuk’ en het daarover door hem bij een gespecialiseerde belastingadviseur, de heer A (hierna: de belastingadviseur), ingewonnen advies. Afsluitend heeft klager geschreven:
Ik geef jullie bovenstaande geheel vrijblijvend ter overweging mee. Het lijkt mij de enige optie om problemen tactisch op te lossen i.p.v. ze op te stapelen. Met dit ongevraagde advies beoog ik een oplossing te vinden en toekomstige problemen te elimineren.
2.11 Op 15 mei 2024 heeft verweerder telefonisch contact gezocht met de belastingadviseur. Dezelfde dag heeft de belastingadviseur aan verweerder, in CC aan klager, een e-mail gestuurd met als onderwerp: ‘verzekeringsplicht werknemersverzekeringen [naam klager]’. Hij heeft hierin onder meer geschreven:
In de Regeling aanwijzing directeur-grootaandeelhouder 2016 wordt bestuurder gedefinieerd als: (…)
In artikel 2 van de regeling wordt vervolgens aangegeven wanneer een bestuurder als directeur-grootaandeelhouder wordt aangemerkt. (…)
In het derde lid is een regeling opgenomen voor gevallen waarin sprake is van nevengeschiktheid. Over deze regeling hebben wij vanochtend gesproken. U hebt mij gevraagd om te beoordelen of [klager] op grond van deze bepaling wel als directeur-grootaandeelhouder kan worden aangemerkt. (…) [Klager] is zelf geen bestuurder geweest in [de vennootschap] en dus zou geconcludeerd kunnen worden dat [klager] niet als directeur-grootaandeelhouder aangemerkt kan worden. U hebt mij geattendeerd op de laatste volzin van het derde lid en gevraag of op grond daarvan wel kan worden geconcludeerd dat [klager] als zodanig kan worden aangemerkt. (…)
[Klager] heeft mij echter gemeld dat nimmer een besluit is genomen om zijn personal holding als bestuurder te benoemen. Uitgaande van deze mededeling kwalificeert [klager] niet als bestuurder in de zin van de regeling. Hij is immers niet in persoon als bestuurder benoemd en ook zijn personal holding was geen bestuurder. (…) Bij deze lezing kwalificeert [klager] niet als directeur-grootaandeelhouder. (…)
2.12 Op 16 mei 2024 heeft klager in een e-mail aan verweerder zijn verbazing uitgesproken over het telefonisch contact dat verweerder met zijn belastingadviseur heeft opgenomen zonder toestemming of medeweten van klager en over het feit dat verweerder zich daarbij niet duidelijk kenbaar heeft gemaakt als de advocaat van de vennootschap.
2.13 Op 20 mei 2024 heeft verweerder klager hierover als volgt gemaild:
U heeft [de vennootschap] vorige week een uitgebreide mail gestuurd, met daarin het oordeel van [de belastingadviseur] over het standpunt van [naam verzekeraar] dat de directeuren van [de vennootschap] moeten worden aangemerkt als DGA’s die niet onder de verzuimverzekering van [naam verzekeraar] vallen. [naam verzekeraar] is daarom van mening dat zij ten onrechte uitkeringen heeft gedaan in alle perioden dat één van de directeuren arbeidsongeschikt was. Een standpunt dat uiteraard grote consequenties heeft voor de financiële positie van [de vennootschap] en alle vier de (middellijke) aandeelhouders. (…)
Ik heb om die reden contact opgenomen met [de belastingadviseur], mij uiteraard voorgesteld als advocaat, maar gerefereerd aan zijn advies aan u, het feit dat u die aan mijn cliënten had doorgestuurd en het gegeven dat de vier directeuren hier eenzelfde belang hebben. (…)
Uiteraard heeft [de belastingadviseur] die mail in cc aan u gestuurd, nu ik had gerefereerd aan de mail van u aan [de vennootschap]. Zijn antwoord heb ik alleen gedeeld met mijn cliënten, als aanvulling op het door u aan hen gezonden antwoord op uw eerdere vragen. Zou [de belastingadviseur] u niet in cc hebben gezet, dan had ik dat in mijn mail aan mijn cliënten gedaan. (…)
De factuur voor het telefoongesprek met mij en voor zijn mail kan [de belastingadviseur] aan mij richten en op naam zetten van [de vennootschap]. Voor betaling daarvan zal worden zorggedagen.
2.14 Op 1 juli 2024 heeft verweerder in opdracht van de vennootschap bij het UWV een ontslagvergunning voor klager aangevraagd.
2.15 Op 3 juli 2024 heeft de mediator aan klager en andere deelnemers van de mediaton gevraagd naar de gewenste voortgang van de mediation en suggesties gedaan.
2.16 In een e-mail van 17 juli 2024 heeft klager aan de mediator en aan de andere deelnemers geschreven dat hij de dag ervoor van de arbodienst had gehoord dat de vennootschap een ontslagvergunning voor hem bij het UWV heeft aangevraagd, terwijl daarover aan klager niets is meegedeeld tijdens of na de mediation. Verder heeft klager geschreven dat hij een advocaat heeft gevonden die zijn belangen verder zal behartigen. Klager heeft zijn e-mail afgesloten met de zin:
Na het overleg met mijn advocaat is het aan jou [naam mediator] om als mediator de lang gekoesterde wens van [de vennootschap] te vervullen.
2.17 Op 30 juli 2024 heeft advocaat, mr. [verweerder], verweerder gemaild dat hij klager verder zal bijstaan in het arbeidsrechtelijk geschil tussen klager en de vennootschap.
2.18 In een e-mail van 6 augustus 2024 heeft verweerder aan de advocaat van klager uitgelegd dat en waarom de vennootschap een ontslagvergunning bij het UWV heeft ingediend. Ook heeft verweerder geschreven:
Verdere investeringen van beide partijen in het mediation-traject zijn zinloos en, blijkens de conclusie van de arbeidsdeskundige, zelfs nadelig voor uw cliënt.
Inmiddels heeft uw cliënt de mediator in een mail van 17 juli jl. desgevraagd en ‘na overleg met mijn advocaat’ laten weten dat de mediation kan worden beëindigd. Mijn cliënt zal de mediator in gelijke zin berichten.
2.19 Op 7 augustus 2024 heeft [verweerder] namens klager aan verweerder onder meer gemaild:
U suggereert ten onrechte dat mijn cliënt middels een e-mailbericht van 17 juli jl. de mediator (als eerste) heeft laten weten dat de mediation beëindigd kan worden. Dat is geenszins het geval. In het bewuste bericht heeft cliënt zijn verbazing uitgesproken over het feit dat uw cliënte een ontslagprocedure begonnen is terwijl er nog sprake was van een lopende mediation. Mijn cliënt geeft verder aan dat hij vindt dat uw cliënte daarmee de mediation torpedeert en ondermijnt.
Cliënt geeft in dit bericht verder niet aan dat hij de mediation wenst te beëindigen. Maar los hiervan, het e-mailbericht van mijn cliënt dateert van 17 juli jl. terwijl uw cliënte al op 1 juli jl. is overgegaan tot indiening van de ontslagaanvraag. Uw cliënte heeft daarmee, naar ik aanneem bewust, de spelregels (zie artikel 9 van het MfN-mediationreglement) rondom de mediation geschonden.
Hoe het ook zij, het standpunt van uw cliënte is duidelijk. Zij ziet een verdere investering in het mediationtraject als zinloos en op grond daarvan zal de mediation dan ook eindigen.
2.20 Klager heeft op 15 augustus 2024 schriftelijk verweer gevoerd in de procedure bij het UWV.
2.21 Op 21 augustus 2024 heeft de mediator aan partijen bericht dat de mediation neutraal is geëindigd.
2.22 In een e-mail van 26 augustus 2024 heeft verweerder op verzoek van het UWV op het verweerschrift van klager gereageerd en op de door het UWV via e-mail van 19 augustus 2024 gestelde vraag:
Algemeen
(…)
[Klager] liet de andere locatiemanagers al op 6 augustus 2000 weten 'fysiek en mentaal niet langer in staat te zijn om directeur van [de vennootschap] te zijn'. Formeel was hij pas arbeidsongeschikt sinds 1 augustus 2022, maar feitelijk is hij inmiddels al langer dan vier jaar niet meer werkzaam voor [de vennootschap].
[De vennootschap] heeft zich vervolgens steeds volledig gehouden aan haar re‑integratieverplichtingen en alle adviezen van de bedrijfsarts opgevolgd. In dat kader heeft [de vennootschap] zelfs driemaal (!) geïnvesteerd in een mediation. De eerste twee mediations werden beëindigd nadat [klager] liet weten geen heil te zien in voortzetting daarvan. Ondertussen kreeg [de vennootschap] van [klager] het verwijt niets te doen aan zijn re-integratie en aangekondigd dat de rechter daar later over zou oordelen.
[De vennootschap] niet ontvankelijk?
[Klager] meent dat [de vennootschap] het UWV niet om toestemming voor opzegging had mogen vragen omdat dat in strijd zou zijn met de mediationovereenkomst. Dit verweer kan hem niet baten:
[De vennootschap] stemde er mee in dat een derde mediation werd gestart toen [klager] in januari 2024 alsnog aangaf mediation te wensen. Al na het intakegesprek moest die mediation on hold worden gezet, omdat [klager] erop stond dat het gespreksverslag door de mediator werd aangepast en de mediator daar niet toe bereid was. Tot inhoudelijke gesprekken tussen partijen is het daarna (onder meer door agendaproblemen en steeds weer nieuwe eisen en vragen van [klager]) niet meer gekomen, hetgeen reden was voor de mediator om partijen in overweging te geven deze mediation te beëindigen. [Klager] liet de mediator daarop op 17 juli jl. weten: 'Na het overleg met mijn advocaat is aan jou, [naam], om als mediator de lang gekoesterde wens van [de vennootschap] te vervullen'.
Inmiddels heeft de mediator de mediation ook beëindigd. [De vennootschap] verwijst naar haar brief aan partijen van 21 augustus jl. (zie bijlage). Daarin is overigens ook terug te vinden dat alleen op 21 maart 2024 een gesprek tussen partijen heeft plaatsgevonden.
Daarmee is elk bezwaar dat mogelijk formeel zou kunnen voortvloeien uit de mediationovereenkomst definitief komen te vervallen. Als de procedure al on hold moet worden gezet totdat de mediation ook formeel was beëindigd, dan is daar nu geen reden meer voor. (…)
2.23 Bij beslissing van 13 september 2024 heeft het UWV aan de vennootschap toestemming geweigerd om de arbeidsovereenkomst met klager op te zeggen. Als reden is daarvoor gegeven dat de vennootschap de herplaatsingsinspanningen onvoldoende heeft onderbouwd.
2.24 Op 13 november 2024 heeft verweerder in opdracht van de vennootschap een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst (artikel 7:671b BW) van klager ingediend bij de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland. In het verzoekschrift staat onder meer:
9. Op 7 juli 2022 werd aan [klager] gevraagd om in verband met ernstige onderbezetting bij te springen door één gewone dienst (‘verpleegroute’) te draaien. Hij weigerde dat met de mededeling dat hij daar ‘medisch niet toe in staat’ zou zijn en meldde zich wederom ziek. Productie 6: mailwisseling en ziekmelding 7 (naar de raad begrijpt: 8) juli 2022.
Productie 6: In reactie op een e-mail van 7 juli 2022 namens de vennootschap heeft klager daarop met een e-mail van 8 juli 2022 onder meer als volgt gereageerd:
Ik heb de notulen van 17 mei erbij gepakt met het geen afgesproken is over de weg naar 1 oktober. (…)
“[Klager] wil in de overdrachtsperiode wel actief zijn met de overdracht van externe relaties maar lieven niet meer op kantoor komen. [Klager] neemt waar nodig het initiatief om collega’s te introduceren en projecten over te dragen.”
In de vakantieplanning d.d. 17 april staat alleen een vakantie van [A] in augustus gepland. De vakantie van [F] staat niet in deze planning beschreven. Daarnaast heeft [F] aangegeven tot 21 juli beschikbaar te zijn voor aanvullende mediation maar klaarblijkelijk niet voor continuïteitproblemen.
Vervolgens ontvang ik de voorspelde planning en is die zekerheidshalve voor volgende weekend ook vastgelegd. Ik ben medisch niet in staat hieraan te voldoen; het is aan een bedrijfsarts hierover een oordeel te vellen.
Kortom; de geschetste weergave tijdens de mediation is misleidend en onjuist. Dit schaad een uitputtend en kostbaar mediation proces waar de eindstreep inzicht is. (…)
Ik acht mezelf conform mijn ziekmelding niet in staat om te werken op mentaal en fysiek vlak. Ik handhaaf mijn eerdere standpunt; hoe teleurstellend dat ook is.
2.25 Per 31 december 2024 heeft verweerder zich als advocaat uitgeschreven van het tableau.
3 KLACHT
De klacht houdt in, zakelijk weergegeven, dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:
- de vertrouwelijkheid van mediation te schenden door in zijn e-mail van 26 augustus 2024 aan het UWV te citeren uit vertrouwelijke communicatie tussen mediator en partijen;
- in de e-mail van 26 augustus 2024 aan het UWV met opzet en onjuist tegen beter weten in te vermelden welke partij de mediation heeft beëindigd;
- buiten de mediator om contact te zoeken met de jurist van klager bij A, terwijl het reglement vermeldt dat alles via de mediator verloopt;
- tijdens het telefoongesprek op 15 mei 2024 met de belastingadviseur van klager zich voor te doen als advocaat en daardoor over zijn hoedanigheid als advocaat van klager bij de belastingadviseur een misverstand te laten ontstaan;
- tijdens het telefoongesprek op 15 mei 2024 met de belastingadviseur van klager specifieke informatie over klager in te winnen en ook via e-mail van de belastingadviseur te ontvangen, terwijl verweerder niet namens klager optrad;
- bij herhaling over zaken te communiceren die feitelijk onjuist zijn, ‘framend’ en (negatief) beeldvormend;
- de vertrouwelijkheid van mediation te schenden door overlegging van productie 6 bij het op 13 november 2024 bij de kantonrechter ingediende verzoekschrift tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst;
- zich tijdens de mondelinge behandeling bij de kantonrechter op 9 januari 2025 onbetamelijk, onheus en geïrriteerd te handelen.
4 VERWEER
Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
Maatstaf
5.1 Deze zaak betreft een klacht tegen de advocaat van de wederpartij van klager. Voor alle advocaten geldt dat zij in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Niet voor niets is partijdigheid een belangrijke kernwaarde voor advocaten (artikel 10a Advocatenwet). Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is. Wel moeten zij voorkomen dat zij de belangen van de wederpartij onnodig en op ontoelaatbare wijze schaden. Advocaten mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen zij niet bewust onjuiste informatie verschaffen om daarmee de rechter te misleiden. Verder geldt dat advocaten ervan mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Tot slot hoeven zij in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken met de middelen waarvan zij zich bedienen, opweegt tegen het nadeel dat zij daarmee aan de wederpartij toebrengen.
5.2 De tuchtrechter toetst verder het aan de advocaat verweten handelen of nalaten aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen, gezien ook het open karakter van de norm van de in artikel 46 Advocatenwet genoemde behoorlijkheidsnorm, wel van belang zijn. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
5.3 De raad zal de klacht aan de hand van deze maatstaf beoordelen.
Klachtonderdelen a) en b)
de vertrouwelijkheid van mediation te schenden door in zijn e-mail van 26 augustus 2024 aan het UWV te citeren uit vertrouwelijke communicatie tussen mediator en partijen (a);
in de e-mail van 26 augustus 2024 aan het UWV met opzet en onjuist tegen beter weten in te vermelden welke partij de mediation heeft beëindigd (b);
5.4 Vanwege de samenhang tussen deze verwijten ziet de raad aanleiding om deze gelijktijdig te beoordelen.
5.5 Volgens verweerder heeft hij in zijn e-mail van 26 augustus 2024 aan het UWV geen inhoudelijke mededeling over de inhoud van de mediation tussen partijen gedaan of daarin geciteerd uit vertrouwelijke communicatie tussen mediator en partijen. Achteraf bezien had hij zich moeten beperken tot de mededeling dat de mediation tussen partijen is geëindigd zonder daarbij te vermelden op wiens initiatief dat was, aldus verweerder.
5.6 Vast staat dat in de mediation tussen klager en de vennootschap geheimhouding was overeengekomen. De uit hoofde van een mediationovereenkomst tussen partijen geldende geheimhoudingsverplichting zou op onaanvaardbare wijze aan waarde inboeten als het de advocaat steeds zou vrijstaan om naar eigen goeddunken, op grond van een eigen opvatting omtrent hetgeen het belang van zijn cliënt(e) meebrengt en zonder de wederpartij daarin te kennen, te bepalen dat in de procedure gebruik zal worden gemaakt van (ook voor de rechter geheim te houden) informatie of stukken uit de mediation of zich anderszins uit te laten over het vermeende doel, de inhoud en/of de uitkomst van de mediation. Slechts onder bijzondere omstandigheden kan dit anders zijn.
5.7 De raad heeft niet kunnen vaststellen dat verweerder de geheimhoudingsverplichting heeft geschonden waar het feiten en omstandigheden betreft die in de mediation aan de orde zijn geweest en die relevant zouden kunnen zijn voor de inhoudelijke beoordeling van de ontslagaanvraag. Alhoewel verweerder de specifieke informatie over wie de mediation had beëindigd en de omstandigheden waaronder beter niet in zijn e-mail van 26 augustus 2024 had kunnen vermelden, en daarmee reeds de geheimhouding heeft geschonden, meent de raad dat verweerder in genoemde e-mail geen ontoelaatbare mededelingen over de mediation aan het UWV heeft gemeld. Bovendien diende verweerder namens de vennootschap te reageren op de door klager ingenomen stelling dat het verzoek niet ontvankelijk zou zijn vanwege het indienen tijdens de lopende mediation. Ook heeft verweerder zijn excuses aan klager aangeboden en zelfinzicht getoond. Gelet op al deze omstandigheden is de hiervoor geconstateerde onzorgvuldigheid naar het oordeel van de raad van onvoldoende gewicht om verweerder hierover een tuchtrechtelijk verwijt te maken. Klachtonderdelen a) en b) worden daarom ongegrond verklaard.
Klachtonderdeel c)
buiten de mediator om contact te zoeken met de jurist van klager bij A, terwijl het reglement vermeldt dat alles via de mediator verloopt;
5.8 Volgens klager is de eerste mediation tussen klager en de vennootschap in maart 2023 gestart en tussen mei 2023 tot 16 augustus 2023 ‘on hold’ gezet. Daarna is de mediation hervat en op 7 november 2024 door de mediator beëindigd. De volgens klager tweede mediaton is op 21 maart 2024 van start gegaan en is bij één gesprek met de mediator gebleven. Verweerder heeft de mediation in strijd met de mediationregels verstoord door contact met zijn jurist op te nemen en op 27 maart 2024 met zijn jurist te corresponderen.
5.9 Verweerder heeft hiertegen aangevoerd dat het advocaten en juristen vrij staat, ook als er een mediationtraject loopt, om contact met elkaar op te nemen als dat in het belang is van de eigen cliënt. Dat belang was er volgens verweerder voor beide partijen omdat zowel de jurist van klager als hijzelf tijdens de verschillende mediationtrajecten contact met elkaar hebben gezocht. Verweerder heeft tijdens de zitting van de raad nog toegelicht dat het aanvankelijk de bedoeling was dat beide juristen hun cliënten zouden bijstaan tijdens de mediation. Omdat de jurist van klager dat alsnog niet wilde, kon ook verweerder niet bij de mediationgesprekken aanwezig zijn die vanaf maart 2023 zijn gestart. Eind september 2023 heeft verweerder in het belang van zijn cliënte contact gezocht met de jurist van klager om bij haar te informeren naar de stand van zaken. De jurist van klager heeft zich daarna met haar e-mail van 17 oktober 2023 rechtstreeks tot de vennootschap gewend met inhoudelijke vragen, waarop verweerder op 24 oktober 2023 inhoudelijk heeft gereageerd. Volgens verweerder stond het hem vrij om de jurist van klager op 27 maart 2024 opnieuw aan te schrijven zoals door hem gedaan.
5.10 Onder de hiervoor geschetste omstandigheden acht de raad het niet verwijtbaar dat verweerder tijdens de mediationtrajecten contact met de jurist van klager heeft gezocht, net zoals de jurist van klager dat omgekeerd zelf ook tijdens de diverse lopende mediationtrajecten heeft gedaan. Nergens blijkt uit dat verweerder geen contact met de belangenbehartiger van klager mocht opnemen.
5.11 Nu verweerder aldus de grenzen van de hem toekomende vrijheid als advocaat van de wederpartij van klager niet heeft overschreden, kan hem tuchtrechtelijk in deze geen verwijt worden gemaakt. Klachtonderdeel c) wordt ongegrond verklaard.
Klachtonderdelen d) en e)
tijdens het telefoongesprek op 15 mei 2024 met de belastingadviseur van klager zich voor te doen als advocaat en daardoor over zijn hoedanigheid als advocaat van klager bij de belastingadviseur een misverstand te laten ontstaan (d);
tijdens het telefoongesprek op 15 mei 2024 met de belastingadviseur van klager specifieke informatie over klager in te winnen en ook via e-mail van de belastingadviseur te ontvangen, terwijl verweerder niet namens klager optrad (e);
5.12 Vanwege de samenhang tussen deze verwijten ziet de raad aanleiding om deze gezamenlijk te beoordelen.
5.13 Klager verwijt verweerder op 15 mei 2024 zonder zijn toestemming telefonisch contact met zijn belastingadviseur te hebben opgenomen en zich niet uitdrukkelijk kenbaar te hebben gemaakt als de advocaat van de wederpartij van klager. Door deze onbetamelijke handelwijze van verweerder heeft zijn belastingadviseur volgens klager specifieke informatie over klager met verweerder gedeeld, waardoor klager onevenredig in zijn belangen is geschaad.
5.14 Verweerder stelt dat het hem vrijstond om zonder toestemming van klager op 15 mei 2024 telefonisch contact met de belastingadviseur op te nemen. Zijn cliënte had hem de e-mail van klager van 14 mei 2024 gegeven. Daarin stond informatie van klager over het door hem bij de belastingadviseur ingewonnen advies over het DGA-vraagstuk in combinatie met de verzuimverzekering van de vennootschap. Klager heeft die e-mail op eigen initiatief aan de bestuurders van de vennootschap gestuurd en duidelijk gemeld dat het in hun aller belang was om samen op te trekken om het genoemde vraagstuk op te lossen. Omdat verweerder over het ingewonnen advies van de belastingadviseur een aantal juridische vragen had, heeft hij de belastingadviseur gebeld. Hij heeft zich daarbij als advocaat van de vennootschap voorgesteld en, na een korte inleiding over de reden voor zijn telefoontje - de e-mail van klager van 14 mei 2024 over het bij de belastingadviseur ingewonnen advies -, aan de belastingadviseur een aantal juridische vragen gesteld. Die vragen heeft de belastingadviseur telefonisch en daarna ook zijn e-mail van 15 mei 2024 aan verweerder en in CC aan klager beantwoord.
5.15 Naar het oordeel van de raad is, tegenover de betwisting door verweerder, niet komen vast te staan dat verweerder zich in het telefoongesprek met de belastingadviseur als advocaat van klager heeft voorgedaan en de belastingadviseur daarover zou hebben misleid. Gelet op de gang van zaken, waarbij klager in zijn e-mail van 14 mei 2024 aan de bestuurders van de vennootschap voorstelde om samen op te trekken om het DGA-vraagstuk op te lossen, mocht verweerder daarna naar het oordeel van de raad op verzoek van de bestuurders van de vennootschap contact opnemen met de door klager benaderde belastingadviseur. Uit de inhoud van de e-mail van de belastingadviseur van 15 mei 2024 aan verweerder en klager is de raad verder niet gebleken dat verweerder tijdens dat telefooncontact op enigerlei wijze de belangen van klager heeft geschaad. Eerder het tegendeel, omdat het vinden van een oplossing voor het DGA-vraagstuk bij ziekte ook in het belang van klager was, zoals hijzelf in zijn e-mail van 14 mei 2024 ook had aangegeven.
5.16 Op grond van het vorenstaande is de raad van oordeel dat verweerder in deze niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Daarom worden klachtonderdelen d) en e) ongegrond verklaard.
Klachtonderdeel f)
bij herhaling over zaken te communiceren die feitelijk onjuist zijn, ‘framend’ en (negatief) beeldvormend;
5.17 Klager stelt dat verweerder in de correspondentie met zijn advocaat op 6 augustus 2024 onjuistheden heeft vermeld, onder andere over het beëindigen van de mediation, over het niet verwachten van herstel binnen 26 weken, en over het niet als een verrassing komen dat een ontslagvergunning werd aangevraagd. Voorts stelt klager dat verweerder onjuistheden heeft vermeld in zijn verweer aan het UWV op 26 augustus 2024, onder andere over het niet werkzaam zijn voor de vennootschap, over het houden van de vennootschap aan haar re-integratieverplichtingen, over het beëindigen van de mediations door klager, en over de laatste mediation.
5.18 Over het communiceren over feiten die onjuist, framend en (negatief) beeldvormend zijn, stelt verweerder dat communicatie van een advocaat door de wederpartij wel eens als 'onjuist framend of beeldvormend' zal worden beleefd, maar dat betekent volgens verweerder niet dat die communicatie ook klachtwaardig is.
5.19 De juistheid van dit verwijt van klager kan de raad, tegenover de betwisting daarvan door verweerder, niet vaststellen. Bij het optreden voor de eigen cliënt mag een advocaat niet de belangen van de wederpartij nodeloos of onevenredig schaden. Dat daarvan sprake is geweest door de handelwijze van verweerder is de raad uit de stukken niet gebleken. Verweerder moest als partijdig advocaat de feiten en standpunt van zijn cliënte naar voren brengen in correspondentie met de belangenbehartiger van klager en in de procedures. De belangenbehartiger van klager kon daarop reageren en heeft dat ook gedaan, zodat daarmee ook de visie van klager naar voren is gebracht. Een arbeidsgeschil is emotievol. De raad begrijpt dan ook dat klager persoonlijk kan zijn geraakt na het lezen van door verweerder namens de vennootschap gestelde feiten en ingenomen standpunten. Dat maakt nog niet dat verweerder voor zijn optreden daarin tuchtrechtelijk een verwijt kan worden gemaakt. Concrete feiten of omstandigheden waaruit zou volgen dat verweerder daarin onbetamelijk en daarmee tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld, zijn de raad niet gebleken. Dit betekent dat de raad klachtonderdeel f) ongegrond zal verklaren.
klachtonderdeel g)
de vertrouwelijkheid van mediation te schenden door overlegging van productie 6 bij het op 13 november 2024 bij de kantonrechter ingediende verzoekschrift tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst;
5.20 Volgens klager bevatte productie 6 de inhoudelijke bespreking van de mediation sessies alsmede een citaat uit de mediation notulen en had verweerder die vertrouwelijke informatie niet mogen gebruiken.
5.21 Verweerder heeft dit betwist. Volgens hem bevatte productie 6 nergens een inhoudelijke bespreking van de mediation-sessies en was overlegging van deze mailwisseling nodig ter onderbouwing van het ontbindingsverzoek. Uit de context was ook niet op te maken dat het daarin door klager opgenomen citaat afkomstig was uit een mediation. Het is verweerder later gebleken dat het kennelijk ging om de eerste ondernemingsrechtelijke mediation in 2022. Dat was ruim voordat verweerder bij de zaak betrokken werd. Verweerder heeft ervoor gekozen om productie 6 te vervangen door een nieuwe productie en heeft daarin al hetgeen ook maar in verband zou kunnen worden gebracht met een mediation of patiëntgegevens van klager, verwijderd.
2.22 Naar het oordeel van de raad mocht verweerder productie 6 in het geding brengen zoals gedaan omdat hij die informatie nodig had ter onderbouwing van het onder punt 9 in het verzoekschrift door zijn cliënte ingenomen standpunt. Dat in die mailwisseling een citaat met vertrouwelijke informatie uit een eerdere mediation stond, valt daaruit niet zondermeer af te leiden. Dat citaat is bovendien door klager zelf in zijn mailwisseling met de bestuurders van de vennootschap naar aanleiding van het verzoek om bij te springen en zijn ziekmelding, opgenomen. Naar het oordeel van de raad heeft verweerder door overlegging van deze productie 6 niet de grenzen van de hem toekomende vrijheid als advocaat van de wederpartij overtreden. Niet is gesteld of gebleken dat klager door de handelwijze van verweerder in zijn belangen is geschaad. Nu van een tuchtrechtelijke verwijtbaar handelen door verweerder in deze niet is gebleken, wordt klachtonderdeel g) ongegrond verklaard.
Klachtonderdeel h)
zich tijdens de mondelinge behandeling bij de kantonrechter op 9 januari 2025 onbetamelijk, onheus en geïrriteerd te handelen;
5.23 Vast staat dat verweerder zich op 31 december 2024 als advocaat heeft uitgeschreven. Daarmee staat ook vast dat verweerder niet meer als advocaat maar, naar zijn zeggen, als belangstellende aanwezig was bij de zitting van de kantonrechter op 9 januari 2025. Over hetgeen rondom die kantonzitting volgens klager met verweerder zou zijn voorgevallen kan de raad geen oordeel geven, omdat het tuchtrecht alleen ziet op handelen van een advocaat. Dat was verweerder toen niet meer.
5.24 Dit leidt daartoe dat klager niet-ontvankelijk moet worden verklaard in klachtonderdeel h).
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart klager niet-ontvankelijk in klachtonderdeel h);
- verklaart de klacht in de overige klachtonderdelen ongegrond.
Aldus beslist door mr. G.F. van den Berg, voorzitter, mrs. A.E. Mulder en Y.M. Nijhuis, leden, bijgestaan door mr. M.M. Goldhoorn als griffier en uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op : 15 juni 2026