ECLI:NL:TADRARL:2022:279 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 22-383/AL/GLD

ECLI: ECLI:NL:TADRARL:2022:279
Datum uitspraak: 29-08-2022
Datum publicatie: 08-11-2022
Zaaknummer(s): 22-383/AL/GLD
Onderwerp: Ontvankelijkheid van de klacht, subonderwerp: Tijdverloop tussen gewraakte gedraging en indienen van de klacht
Beslissingen: Voorzittersbeslissing
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing. Klacht over verweerder in zijn hoedanigheid van curator niet-ontvankelijk vanwege tijdsverloop

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden van 29 augustus 2022
in de zaak 22-383/AL/GLD
naar aanleiding van de klacht van:

klager
over
verweerder

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Gelderland (hierna: de deken) van 9 mei 2022 met kenmerk K 20/02, door de raad ontvangen op dezelfde datum, en van de in de aanbiedingsbrief en op de inventarislijst genoemde bijlagen.

1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1 Klager was eigenaar van een autobedrijf. Op 15 oktober 2013 is het autobedrijf failliet verklaard met benoeming van verweerder tot curator. Het faillissement is op 21 mei 2015 geëindigd.
1.2 Bij e-mail van 5 november 2015 heeft klager aan een kantoorgenoot van verweerder (hierna: mr. B) onder meer geschreven:

“(…) Laatste wat nog speelt zijn de aanslagen motorrijtuigen van de handelaarkentekens die vóór faillissement op mijn naam stonden. (…) Zou u ervoor kunnen zorgen dat dit opgelost wordt. (…)”

1.3 In januari 2016 heeft de Belastingdienst een bedrag van € 960,- bij klager geïncasseerd ten behoeve van een aanslag motorrijbelasting van een aantal handelaarskentekens die op naam van klager stonden.
1.4 Bij e-mail van 3 februari 2016 heeft klager mr. B onder meer geschreven:

“(…) Verder wil ik natuurlijk graag de gedane afschrijvingen (3x166,- euro en 3x 154,- euro; zie bijlagen) van mijn privérekening weer teruggestort. (…)”

1.5 Mr. B heeft klager hierop bij e-mail van 3 februari 2016 meegedeeld dat zij contact zal opnemen met RDW.
1.6 Bij e-mail van 21 november 2017 heeft klager verweerder en mr. B verzocht om het door de Belastingdienst geïncasseerde geldbedrag aan hem terug te betalen.
1.7 Bij e-mail van 11 juli 2018 heeft klager de rechter-commissaris van de rechtbank Gelderland onder meer geschreven:

“Ten tijde van afhandeling van het faillissement van mijn Autobedrijf is het volgende fout gegaan.

Het vrijwaren van auto’s en van handelaarskentekens is niet tijdig gedaan waardoor de achterstand Motorrijtuigbelasting per auto was opgelopen tot meer dan 1.000,- euro.

Daar mijn bedrijf een eenmansbedrijf was, stonden deze Demonstratie- en Uitleenauto’s op mijn privé-naam (…)

De belastingdienst heeft mij dan ook persoonlijk aansprakelijk gesteld voor deze nalatigheid.

(…)

Ik heb [verweerder] en mevrouw [B.] hiervan op de hoogte gesteld en vriendelijk verzocht mij deze 960,- euro terug te betalen.

Zij zijn hierin immers nalatig geweest en de belastingdienst doet eigenlijk niet meer dan hun plicht is.

Daar er niet meer wordt gereageerd (ook niet na diverse mails en het sturen van een brief), wil ik u vragen om hierin een oordeel te geven en [verweerder] (…) hiervan op de hoogte te brengen. Nog belangrijker is dat de afschrijvingen naar mij weer worden gecompenseerd.”

1.8 Een juridisch medewerker van de rechtbank Gelderland heeft klager bij e-mail van 27 september 2018 meegedeeld dat het faillissement van het autobedrijf op 21 mei 2015 is geëindigd en de destijds benoemde rechter-commissaris daarom geen taak meer heeft en dat hij de e-mail van klager met deze reactie heeft doorgestuurd naar het kantoor van verweerder.
1.9 Bij e-mail van 8 oktober 2018 heeft mr. B klager onder meer geschreven:

“(…) Wij vinden het vervelend om te lezen en daarmee te vernemen dat de kwestie betreffende de teruggaaf motorrijtuigenbelasting nog steeds niet is opgelost, ondanks de inspanningen van zowel uw als onze zijde om de onterecht geïncasseerde bedragen teruggestort te krijgen. (…) Ik heb het dossier laten lichten en in de bijlage treft u de e-mail aan die hierover als laatste aan de Belastingdienst is gestuurd (…) Ik begrijp nu dat de Belastingdienst desondanks tot op de dag van vandaag niet tot teruggaaf is overgegaan. Mijn voorstel:

1) u neemt n.a.v. de e-mail in de bijlage zelf nogmaals per e-mail met de Belastingdienst contact op, met het verzoek om z.s.m. (alsnog) tot teruggaaf te besluiten en voor overboeking op uw rekening zorg te dragen;

2) ook wij zullen de Belastingdienst dan nogmaals verzoeken – in vervolg op uw e-mail – om tot teruggaaf te besluiten en voor overboeking zorg te dragen. (…)”

1.10 In 2018 en 2019 heeft klager nog een aantal keer contact opgenomen met verweerder en mr. B.
1.11 Op 8 januari 2020 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder en mr. B. De klacht over mr. B heeft klager uiteindelijk niet doorgezet.

2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door auto’s die op naam van klager stonden niet te vrijwaren waardoor de Belastingdienst ten onrechte een bedrag van € 960,- bij klager heeft geïncasseerd.

3 VERWEER
3.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd en zich primair op het standpunt gesteld dat de klacht niet-ontvankelijk is vanwege tijdsverloop.

4 BEOORDELING
4.1 De voorzitter ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of klager kan worden ontvangen in zijn klacht. Ingevolge artikel 46g lid 1 onder a, Advocatenwet wordt een klacht niet ontvankelijk verklaard indien de klacht wordt ingediend na verloop van drie jaren na de dag waarop de klager heeft kennisgenomen of redelijkerwijs kennis heeft kunnen nemen van het handelen of nalaten van de advocaat waarop de klacht betrekking heeft. Op deze regel bevat lid 2 van genoemd artikel een uitzondering voor het geval de gevolgen van het handelen of nalaten van de advocaat pas later bekend zijn geworden. In dat geval verloopt de termijn voor het indienen van een klacht een jaar nadat de gevolgen redelijkerwijs als bekend geworden zijn aan te merken. De voorzitter dient deze voorschriften ambtshalve toe te passen.
4.2 Klager verwijt verweerder dat hij auto’s die op naam van klager stonden niet heeft gevrijwaard. Vast staat dat het faillissement van het autobedrijf op 21 mei 2015 is geëindigd, en daarmee de werkzaamheden van verweerder als curator in dat faillissement. Door pas op 8 januari 2020 een klacht in te dienen, heeft klager de termijn van artikel 46g lid 1 onder a, Advocatenwet overschreden. Voor zover klager een beroep doet op lid 2 van dat artikel geldt dat hij in ieder geval begin 2016 op de hoogte was van de gevolgen van het nalaten van verweerder omdat de Belastingdienst toen een bedrag bij hem heeft geïncasseerd waarover hij vervolgens contact heeft gehad met een kantoorgenoot van verweerder. Klager heeft dus ook de termijn van artikel 46g lid 2 Advocatenwet overschreden. Van bijzondere omstandigheden om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten, is niet gebleken. De klacht is daarom niet-ontvankelijk.
4.3 Voor zover klager heeft bedoeld om (ook) te klagen over het handelen en/of nalaten van verweerder van na 8 januari 2017 geldt dat klager onvoldoende heeft toegelicht en onderbouwd waaruit het klachtwaardige handelen en/of nalaten van verweerder zou bestaan.

BESLISSING
De voorzitter verklaart: de klacht, met toepassing van artikel 46g, lid 1 onder a en artikel 46g lid 2 Advocatenwet, niet-ontvankelijk.

Aldus beslist door mr. M.H. van der Lecq, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. S. el Bouazzati-van Excel als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 augustus 2022.

Griffier                                                                       Voorzitter

Verzonden d.d. 29 augustus 2022