ECLI:NL:TADRARL:2022:278 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 22-252/AL/GLD

ECLI: ECLI:NL:TADRARL:2022:278
Datum uitspraak: 29-08-2022
Datum publicatie: 08-11-2022
Zaaknummer(s): 22-252/AL/GLD
Onderwerp:
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen
  • Ontvankelijkheid van de klacht, subonderwerp: Tijdverloop tussen gewraakte gedraging en indienen van de klacht
Beslissingen: Voorzittersbeslissing
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing. De voorzitter verklaart een klacht over de advocaat van de wederpartij deels niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding en deels kennelijk ongegrond.

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden van 29 augustus 2022
in de zaak 22-252/AL/GLD
naar aanleiding van de klacht van:

klager
over
verweerder

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Gelderland (hierna: de deken) van 25 maart 2022 met kenmerk K20/26, door de raad ontvangen op diezelfde datum, en van de in de aanbiedingsbrief en op de inventarislijst genoemde bijlagen.

1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1 De klacht betreft het optreden van verweerder als advocaat van A.S.R., de verzekeraar die aansprakelijkheid heeft erkend voor het ongeval dat klager op 3 december 2009 is overkomen.
1.2 Klager is later nog bij twee aanrijdingen betrokken geraakt. A.S.R. treedt in die kwesties op als regelend verzekeraar, in die zin dat zij de totale schade van die voorvallen (samen met het ongeval van 3 december 2009) dient te regelen en eventueel onderling kan verrekenen met de andere verzekeraars die bij de ongevallen betrokken waren.
1.3 Klager stelt als gevolg van deze ongevallen letselschade te ondervinden en A.S.R. dient de aard en omvang van die schade vast te stellen en af te rekenen.
1.4 Als advocaat van A.S.R. heeft verweerder op 5 september 2014 een verzoekschrift ingediend teneinde een (medische) deskundige aan te stellen. Het doel daarvan was om vast te stellen of er beperkingen waren als gevolg van het ongeval.
1.5 Op 10 maart 2015 heeft de rechtbank Den Haag middels een beschikking een deskundige aangesteld.
1.6 Nadat het deskundigenbericht was uitgebracht, is een bodemprocedure gestart, met als oogmerk te bepalen welke schadevergoeding aan klager toekwam. In die procedure is eindvonnis gewezen op 27 december 2017. In dat vonnis zijn de verplichtingen vastgesteld van beide partijen en heeft de rechtbank voor recht verklaard dat A.S.R. door betaling van een bedrag van € 153.254,08 finaal is gekweten jegens klager wat betreft de genoemde voorvallen. Klager is veroordeeld in de proceskosten.
1.7 Namens klager is appel ingesteld. In hoger beroep heeft het hof bij arrest van 23 oktober 2018 verval van instantie uitgesproken, zodat het vonnis van de rechtbank Den Haag van 27 december 2017 in gezag van gewijsde is gegaan.
1.8 Verweerder heeft tegen klager door middel van een inleidende dagvaarding van 9 april 2018 een zaak aanhangig gemaakt bij de rechtbank Rotterdam in verband met smaad en laster. Deze zaak is geëindigd met een vonnis in verzet van 21 maart 2019, waarbij klager is veroordeeld zich te onthouden van smadelijke en/of lasterlijke uitlatingen over verweerder en het kantoor van verweerder, zich te onthouden van bedreigingen aan het adres van verweerder en het kantoor van verweerder, het betalen van een schadevergoeding en met veroordeling van klager in de proceskosten.
1.9 Op 17 februari 2020 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder.

2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder zich niet heeft gedragen zoals een goed advocaat betaamt, omdat verweerder de grenzen van de aan hem in zijn hoedanigheid van advocaat van de wederpartij toekomende vrijheid heeft overschreden.
2.2 In zijn klachtbrief heeft klager zijn klacht in 54 subonderdelen uiteengezet.

3 VERWEER
3.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. Verweerder heeft aangevoerd dat hij de grenzen van de aan hem toekomende vrijheid als advocaat van de wederpartij niet heeft overschreden.

4 BEOORDELING
Ontvankelijkheid
4.1 Op grond van artikel 46g lid 1 sub a Advocatenwet wordt een klacht(onderdeel) door de voorzitter niet-ontvankelijk verklaard indien (sub a) de klacht wordt ingediend na verloop van drie jaren na de dag waarop de klager heeft kennisgenomen of redelijkerwijs kennis heeft kunnen nemen van het handelen of nalaten van de advocaat waarop de klacht betrekking heeft. In lid 2 is bepaald dat niet-ontvankelijk verklaring op grond van het bepaalde in lid 1 achterwege blijft, indien de gevolgen van het handelen of nalaten redelijkerwijs pas na het verstrijken van de driejaartermijn bekend zijn geworden. In dat geval verloopt de termijn voor het indienen van de klacht een jaar na de datum waarop de gevolgen redelijkerwijs als bekend geworden zijn aan te merken.
4.2 Klager heeft zijn klacht op 17 februari 2020 ingediend. De voorzitter constateert dat het handelen van verweerder waarover klager klaagt, deels heeft plaatsgevonden vóór 17 februari 2017 (drie jaar vóór het indienen van de klacht). Dit onderdeel van de klacht is daarom wegens het verstrijken van de hierboven onder 4.1 genoemde klachttermijn in beginsel niet-ontvankelijk
4.3 Klager heeft aangevoerd dat hij te ziek was om verweerder aan te klagen. Voor zover klager daarmee heeft willen betogen dat de bovengenoemde overschrijding van de termijn verschoonbaar is, is de voorzitter van oordeel dat deze stelling niet is onderbouwd en daarom niet wordt gevolgd. Ook van andere bijzondere omstandigheden op grond waarvan verschoonbaar zou kunnen zijn dat dit deel van de klacht buiten de termijn is ingediend, is niet gebleken.
4.4 Op grond van het voorgaande is de voorzitter van oordeel dat de klacht met betrekking tot het handelen van verweerder in de periode vóór 17 februari 2017 niet-ontvankelijk is. Aan de inhoudelijke behandeling van dat onderdeel van de klacht komt de voorzitter dan ook niet toe.
Inhoudelijk
4.5 Klager heeft veel klachten over verschillende personen. In de onderhavige zaak kan de voorzitter echter alleen een oordeel geven over het handelen van verweerder, in de periode waarover de klacht wel ontvankelijk is. De voorzitter benadrukt daarbij dat de advocaat niet kan worden vereenzelvigd met zijn cliënt en dat diens handelen niet ter beoordeling voorligt. Ook omtrent beslissingen van de rechtbank en eventuele andere instanties komt de raad geen bevoegdheid toe. De voorzitter beperkt zich dus tot het optreden van verweerder.
4.6 De voorzitter stelt voorop dat de klacht betrekking heeft op het handelen van de advocaat van de wederpartij van klager. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Discipline komt aan deze advocaat een grote mate van vrijheid toe om de belangen van zijn cliënt te behartigen op een wijze die hem, in overleg met zijn cliënt, goeddunkt. Deze vrijheid is niet onbeperkt, maar kan onder meer worden ingeperkt als de advocaat a) zich onnodig grievend uitlaat over de wederpartij, b) feiten poneert waarvan hij weet of redelijkerwijs kan weten dat deze in strijd met de waarheid zijn dan wel c) (anderszins) bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van de wederpartij onnodig of onevenredig schaadt zonder dat daarmee een redelijk doel wordt gediend. Het optreden van verweerder dient aan de hand van deze maatstaf beoordeeld te worden.
4.7 De voorzitter is van oordeel dat op grond van wat klager heeft aangevoerd en heeft overgelegd, gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door verweerder, niet vast is komen te staan dat verweerder op wat voor manier ook de aan hem in zijn hoedanigheid van advocaat van de wederpartij toekomende (grote) vrijheid heeft overschreden. Dat betekent dat de klacht, voor zover deze ontvankelijk is, kennelijk ongegrond wordt verklaard.

BESLISSING
De voorzitter verklaart:
- de klacht met betrekking tot het handelen van verweerder in de periode vóór 17 februari 2017 niet-ontvankelijk;
- de klacht voor het overige kennelijk ongegrond.

Aldus beslist door mr. M.F.J.N. van Osch, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. W.B. Kok als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 augustus 2022.

Griffier                                              Voorzitter

Verzonden d.d. 29 augustus 2022