ECLI:NL:TADRARL:2022:277 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 22-439/AL/MN
| ECLI: | ECLI:NL:TADRARL:2022:277 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 29-08-2022 |
| Datum publicatie: | 08-11-2022 |
| Zaaknummer(s): | 22-439/AL/MN |
| Onderwerp: | Grenzen van het tuchtrecht, subonderwerp: Advocaat in hoedanigheid van deken of tuchtrechter |
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. Klacht over de deken in alle onderdelen kennelijk ongegrond. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden
van 29 augustus 2022
in de zaak 22-439/AL/MN
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over
verweerster
mr. M.LJ. Bomers, in haar hoedanigheid van deken van de Orde van Advocaten in het
arrondissement Gelderland
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland (hierna: de deken) van 24 mei 2022 met kenmerk Z 1302506 HH/SD, door de raad ontvangen op dezelfde datum, en van de in de aanbiedingsbrief en op de inventarislijst genoemde bijlagen.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier,
uit van de volgende feiten.
1.1 Klager heeft de broers T. D en Y. D (hierna samen: de broers) als advocaat bijgestaan.
1.2 Op 21 juni 2019 respectievelijk 19 december 2019 hebben T. D respectievelijk Y.
D bij verweerster een klacht ingediend over klager. Verweerster heeft de klachten
apart onderzocht.
1.3 Op 28 juni 2019 en 24 december 2019 heeft verweerster aanvullende informatie opgevraagd
bij de broers. Nadat de broers hun klachten op verzoek van verweerster hadden aangevuld,
is klager in de gelegenheid gesteld om op de klachten te reageren.
1.4 Op 9 april 2020 heeft verweerster T. D in de gelegenheid gesteld om op het verweer
van klager van 27 januari 2020 te reageren. Op 28 april 2020 heeft verweerster klager
in de gelegenheid gesteld om op de repliek van T. D van 13 april 2020 te reageren.
1.5 Bij e-mail van 14 mei 2020 heeft klager verweerster meegedeeld dat de broers een
regeling met hem zouden willen treffen en dat zij hun klacht vervolgens zouden intrekken.
Naar aanleiding hiervan heeft verweerster klager en de broers in de gelegenheid gesteld
om samen tot een oplossing te komen. Bij e-mails van 25 en 27 mei 2020 hebben de broers
verweerster meegedeeld dat zij hun klacht over klager willen doorzetten.
1.6 Bij e-mail van 16 juni 2020 heeft klager gereageerd op de klacht van Y. D. Klager
heeft daarbij aangegeven dat hij nog steeds openstaat voor een minnelijke regeling.
Verweerster heeft de e-mail van klager op 23 juni 2020 aan Y. D voorgelegd en hem
gevraagd of hij open staat voor een minnelijke regeling en hem daarbij aangeboden
om daarover telefonisch met haar te overleggen. Bij e-mail van 9 juli 2020 heeft Y.
D verweerster meegedeeld dat hij niet meer openstaat voor een minnelijke regeling
met klager.
1.7 Bij e-mail van 16 juni 2020 heeft klager voor de laatste keer gereageerd in het
onderzoek van de klacht van T. D. Klager heeft daarbij aangegeven dat hij nog open
staat voor een minnelijke regeling. Bij brief van 23 juni 2020 heeft verweerster aan
T. D gevraagd of hij openstaat voor een minnelijke regeling en zo niet, of hij het
griffierecht wil voldoen. T. D heeft vervolgens op 30 juni 2020 het griffierecht voldaan.
1.8 Op 15 juli 2020 heeft verweerster klager voor de laatste keer in de gelegenheid
gesteld om op de klacht van Y. D te reageren. Bij per e-mail gestuurde brief van 2
september 2020 heeft verweerster klager en Y. D ervan op de hoogte gebracht dat het
onderzoek naar de klacht is afgerond. Klager heeft verweerster hierop bij e-mail van
2 september 2020 geschreven:
“In bijgaande brief laat u mij weten dat er gezien het voortraject aan u gebleken is dat er geen schikking meer mogelijk is. Er is vanuit uw kant op geen enkele wijze getracht tot een gesprek / oplossing te komen, terwijl ik al daar wel meermaals om heb verzocht. (…)
Het is u verder uit de stukken gebleken dat klager eerst een ander verhaal bij de rechter heeft aangehaald, wat onjuist was (…) wat voor u ook reden was om cliënt daarmee te confronteren, omdat daarmee aan de geloofwaardigheid van zijn klacht kon worden getwijfeld. U bent namelijk gehouden de klacht te onderzoeken, wat u op dit punt ook heeft nagelaten te doen (…) De klacht dient dan ook gebaseerd te zijn op een toereikend onderzoek en gebaseerd te zijn op juiste feiten. (…)
Ik kan dan ook niet de anders concluderen dat u (…) de doorzending van de klacht op een onjuiste / oneerlijke wijze naar de raad heeft uitgelokt door klager te adviseren zulks te doen (wat ook te maken kan hebben met de klacht die ik tegen de Orde van Advocaten / Deken en de Raden van Discipline heb ingediend vanwege de onjuiste en oneerlijke praktijken door de instituten worden uitgevoerd (…)
Ik voel me dan ook ernstig door u benadeeld.
U gelieve vooralsnog met oplossingen proberen te komen of klager te confronteren met het bovenstaande, zodat de klacht op een correcte manier wordt afgehandeld.”
1.9 Bij brief van 8 september 2020 heeft verweerster de ontvangst van het griffierecht
aan Y. D bevestigd.
1.10 Bij e-mail van 18 september 2020 heeft verweerster gereageerd op de e-mail van
klager van 2 september 2020.
1.11 Op 15 september 2020 heeft klager bij het Hof van Discipline een klacht ingediend
over verweerster. Bij beslissing van 15 december 2020 heeft de plaatsvervangend voorzitter
van het Hof van Discipline de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement
Midden-Nederland aangewezen om de klacht te onderzoeken.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar
heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:
a) de klacht van de broers zonder onderzoek door te sturen naar de raad van discipline;
b) de e-mail van klager van 2 september 2020 niet te beantwoorden, althans niet te
betrekken in het klachtdossier;
c) bewust geen bemiddelingspoging te ondernemen, hetgeen in strijd is met de Leidraad
dekenale klachtbehandeling;
d) klager niet te verzekeren van voldoende onafhankelijkheid van de behandeling van
de over hem ingediende klachten, nu hij zich heeft beklaagd over eerdere optredens
van de Orde van Advocaten in het arrondissement Gelderland, verweerster, de raad en
het Hof van Discipline.
3 VERWEER
3.1 Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar
nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
4.1 De klacht ziet op het handelen en/of nalaten van verweerster in haar hoedanigheid
van deken. Het in de artikelen 46 en volgende van de Advocatenwet geregelde tuchtrecht
heeft betrekking op het handelen en nalaten van advocaten als zodanig en beoogt een
behoorlijke beroepsuitoefening te waarborgen. Maar ook wanneer een advocaat optreedt
in een andere hoedanigheid dan die van advocaat, zoals die van deken, blijft voor
hem het advocatentuchtrecht gelden. Indien hij zich bij de vervulling van de andere
functie zodanig gedraagt dat daardoor het vertrouwen in de advocatuur wordt geschaad,
zal in het algemeen sprake zijn van handelen of nalaten in strijd met hetgeen een
behoorlijk advocaat betaamt waarvan hem een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.
4.2 In (onder meer) de artikelen 46c en 46d van de Advocatenwet is geregeld wat ten
aanzien van de klachtbehandeling van een deken wordt verlangd. Die wettelijke bepalingen
zijn nader uitgewerkt in de door de deken gehanteerde ‘Leidraad houdende regels inzake dekenale klachtbehandeling’. Hoe een onderzoek naar een tuchtklacht dient plaats te vinden is niet wettelijk
geregeld, hetgeen betekent dat de deken een grote mate van vrijheid toekomt in de
inrichting van dat onderzoek en bij het bepalen van de reikwijdte ervan.
Klachtonderdeel a)
4.3 Klager verwijt verweerster in dit klachtonderdeel dat zij de klachten van de broers
zonder onderzoek door heeft gestuurd naar de raad van discipline.
4.4 Verweerster voert aan dat zij in beide klachten voldoende onderzoek heeft verricht.
Klager en de broers zijn meerdere keren in de gelegenheid gesteld om hun standpunten
nader te onderbouwen en waar nodig heeft zij aanvullende stukken opgevraagd, aldus
verweerster.
4.5 De voorzitter overweegt als volgt. Gelet op het verweer van verweerster en de
daarbij overgelegde stukken, is niet komen vast te staan dat zij de klachten van de
broers zonder onderzoek heeft doorgestuurd naar de raad van discipline. Anders dan
klager kennelijk veronderstelt, is het niet aan de deken om te onderzoeken of de stellingen
die een klager in een klacht heeft ingenomen juist zijn en of de klacht gegrond is
of niet. Dat is voorbehouden aan de raad van discipline die de klacht inhoudelijk
moet beoordelen. Het is de taak van de deken om alle relevante stukken en informatie
op te vragen bij beide partijen. Dat heeft verweerster gedaan. Klachtonderdeel a)
is dan ook kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel b)
4.6 In dit klachtonderdeel verwijt klager verweerster dat zij de e-mail van klager
van 2 september 2020 niet heeft beantwoord, althans niet heeft betrokken in het klachtdossier.
4.7 Verweerster voert aan dat zij op 18 september 2020 heeft gereageerd op de e-mail
van klager van 2 september 2020. Voordat zij op de e-mail van klager heeft gereageerd,
heeft zij aan Y. D bevestigd dat het griffierecht was ontvangen. Verweerster ziet
niet in hoe zij klachtwaardig zou hebben gehandeld door de ontvangst van het griffierecht
te bevestigen voordat zij op de e-mail van klager heeft gereageerd. De betreffende
e-mail van klager bestond met name uit verwijten in het kader van het onderzoek naar
de klacht, dat reeds was afgerond. Verweerster is van mening dat zij het onderzoek
van de klacht naar aanleiding van de e-mail van klager niet hoefde te heropenen of
de e-mail hoefde te betrekken in het klachtdossier omdat er voldoende onderzoek was
gedaan, aldus verweerster.
4.8 De voorzitter overweegt als volgt. Anders dan klager stelt, heeft verweerster
wel degelijk gereageerd op zijn e-mail van 2 september 2020. Dat zij dat pas op 18
september 2020 heeft gedaan, valt haar niet tuchtrechtelijk te verwijten. Het onderzoek
naar de klacht was al afgerond en verweerster heeft de conclusie kunnen en mogen trekken
dat zij het onderzoek naar de klacht naar aanleiding van de e-mail van klager niet
hoefde te heropenen. Klachtonderdeel b) is eveneens kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel c)
4.9 Klager verwijt verweerster in dit klachtonderdeel dat zij geen bemiddelingspoging
heeft ondernomen.
4.10 Verweerster voert aan dat klager en de broers een aantal keer hebben geprobeerd
om gezamenlijk tot een oplossing te komen. In de tweede helft van mei 2020 heeft verweerster
klager en de broers in de gelegenheid gesteld om samen tot een oplossing te komen.
Bij e-mails van 25 en 27 mei 2020 hebben de broers verweerster meegedeeld dat zij
de klachten wilden doorzetten omdat zij geen reactie meer van klager zouden hebben
ontvangen op hun voorstel voor een minnelijke regeling. Bij e-mail van 16 juni 2020
heeft klager aangegeven dat hij nog steeds open zou staan voor een minnelijke regeling.
Dit is voorgelegd aan klagers. Y. D heeft zowel telefonisch als per e-mail aangegeven
dat hij hier niet meer voor openstaat. T. D heeft het griffierecht voldaan, waaruit
verweerster heeft opgemaakt dat ook hij niet meer openstond voor een minnelijke regeling.
Een minnelijke regeling is alleen mogelijk als beide partijen hiervoor openstaan.
Indien een klager hier niet voor openstaat, kan verweerster hem niet dwingen om samen
in gesprek te gaan, aldus verweerster.
4.11 De voorzitter overweegt als volgt. Artikel 3.10 van de in 4.2 genoemde Leidraad
luidt:
“De deken kan in alle stadia van het onderzoek partijen verzoeken persoonlijk te verschijnen om hem nadere informatie te verschaffen. Ook kan (vet en onderstreping RvD) de deken proberen partijen tot overeenstemming te laten komen, tenzij de klager om onmiddellijke doorzending aan de raad van discipline heeft gevraagd.”
Hieruit volgt reeds dat de deken niet verplicht is om een schikking te beproeven.
De formulering is immers zodanig dat een mogelijkheid aan de deken wordt gegeven om
te proberen partijen tot overeenstemming te laten komen, van een verplichting daartoe
is in zijn algemeenheid daarmee juist geen sprake. Bovendien heeft verweerster terecht
aangevoerd dat een minnelijke regeling alleen mogelijk is als beide partijen daarvoor
openstaan en dat duidelijk was dat de broers daar niet meer voor openstonden. Het
valt verweerster dan ook niet tuchtrechtelijk te verwijten dat zij niet nogmaals actief
heeft geprobeerd om te bemiddelen. Ook klachtonderdeel c) is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel d)
4.12 In dit klachtonderdeel verwijt klager verweerster dat zij hem niet heeft verzekerd
van een onafhankelijke klachtbehandeling.
4.13 Verweerster voert aan dat als klager van mening is dat zij de onafhankelijke
klachtbehandeling niet voldoende kon verzekeren, hij daartegen aan het begin van de
klachtbehandeling bezwaar had moeten maken en niet achteraf. Verweerster heeft de
klachten van de broers over klager behandeld en onderzocht met inachtneming van de
Leidraad dekenale klachtbehandeling. De klachten zijn op onpartijdige en onafhankelijke
wijze onderzocht. Zij heeft beide partijen meerdere keren in de gelegenheid gesteld
om te reageren. Indien klager van mening was dat de broers onjuistheden hadden vermeld
in hun klacht, dan had hij daar in zijn verweer en/of dupliek op in kunnen gaan. Het
is uiteindelijk aan de raad van discipline om over de klachten te oordelen, aldus
verweerster.
4.14 De voorzitter overweegt als volgt. Tegenover het verweer van verweerster heeft
klager niet onderbouwd dat verweerster hem niet heeft verzekerd van een onafhankelijke
klachtbehandeling. Het klachtdossier biedt hiervoor ook geen aanknopingspunten. Dit
is dan ook niet komen vast te staan. Klachtonderdeel d) is eveneens kennelijk ongegrond.
BESLISSING
De voorzitter verklaart: de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, in
alle onderdelen kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. O.P. van Tricht, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. S. el Bouazzati-van Excel als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 augustus 2022.
Griffier Voorzitter
Verzonden d.d. 29 augustus 2022