ECLI:NL:TADRARL:2022:179 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 21-050/AL/GLD
| ECLI: | ECLI:NL:TADRARL:2022:179 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 14-02-2022 |
| Datum publicatie: | 21-03-2022 |
| Zaaknummer(s): | 21-050/AL/GLD |
| Onderwerp: | Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Grievende uitlatingen |
| Beslissingen: | Beslissing op verzet |
| Inhoudsindicatie: | verzetbeslissing: verzet deels ongegrond, deels gegrond. Verweerster heeft in de gegeven omstandigheden onvoldoende onderzoek naar de wilsbekwaamheid van haar cliënte, de moeder van klager, gedaan in het kader van de opdracht om in rechte om een bewindvoerder te verzoeken. Klager was krachtens levenstestament de algemeen gevolmachtigde van zijn moeder. In het levenstestament was hij als haar mogelijk voorkeursbewindvoerder genoemd met uitdrukkelijke uitsluiting van de naaste familie. Verweerster was met dit levenstestament bekend maar heeft de moeder van cliënte in bijzijn van de zus van klager te woord gestaan. Uitgebreide bouwsteen wilsbekwaamheidsonderzoek advocaat. Belangen van klager zijn door het handelen van verweerster onevenredig geschaad. Berisping. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden
van 14 februari 2022
in de zaak 21-050/AL/GLD
naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter
van de raad van discipline van 19 april 2021 op de klacht van:
klager
over
verweerster
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 19 mei 2020 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement
Gelderland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.
1.2 Op 18 januari 2021 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K 20/69 van
de deken ontvangen.
1.3 Bij beslissing van 19 april 2021 heeft de plaatsvervangend voorzitter van de
raad (hierna ook: de voorzitter) alle klachtonderdelen kennelijk ongegrond verklaard.
Deze beslissing is op 19 april 2021 verzonden aan partijen.
1.4 Op 17 mei 2021 heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter.
De raad heeft het verzetschrift op dezelfde datum ontvangen.
1.5 Het verzet is behandeld op de zitting van de raad van 29 november 2021. Het
verzet in van klager in klachtzaak 21-049/AL/GLD tegen een andere verweerster is vanwege
de samenhang gevoegd op deze zitting behandeld. Op de zitting waren klager en verweerster
aanwezig, alsmede verweerster in de gevoegde klachtzaak.
1.6 De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen het
verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd en
van het verzetschrift.
2 VERZET
De grond van het verzet houden, zakelijk weergegeven, het volgende in:
ten onrechte heeft de voorzitter ten aanzien van klachtonderdeel a) geoordeeld dat
verweerster aan zijn wilsonbekwame moeder rechtsbijstand mocht verlenen. Verweerster
had gezien de specifieke omstandigheden onder meer dat zijn moeder in een verzorgingshuis
woonde met zorgindicatie ZZP5 en naar de zitting kwam met de eerder nadrukkelijk door
zijn moeder in haar levenstestament uitgesloten dochter - aan de wilsbekwaamheid van
zijn moeder moeten twijfelen en daarbij niet alleen op haar eigen inschattingsvermogen
mogen afgaan. Verweerster had zijn moeder nooit mogen bijstaan, zeker niet nadat zij
op de hoogte was gebracht van de op verzoek van klager later door een arts opgestelde
verklaring van wilsonbekwaamheid van zijn moeder.
3 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht en het verzet gaat de raad, gelet op het klachtdossier
en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
3.1 Op 12 september 2017 heeft de moeder van klager (hierna: moeder) bij een notaris
een levenstestament gemaakt. in verband met de gevorderde leeftijd - geboren in 1938
- van moeder heeft op verzoek van de notaris een onafhankelijk specialistisch arts
haar wilsbekwaamheid vastgesteld. In het levenstestament heeft moeder klager als haar
algemeen gevolmachtigde aangesteld. In het levenstestament is, voor zover relevant
in deze procedure, verder bepaald:
“De gevolmachtigde, ingangsdatum
(…)
b. De volmacht kan uitgeoefend worden vanaf het moment direct na het ondertekenen van deze akte, tot aan het moment dat de volmacht eindigt. Deze volmacht eindigt uitdrukkelijk niet automatisch als ik niet of niet ten volle in staat ben mijn belangen zelf behoorlijk waar te nemen. In laatstbedoelde situatie blijft de volmacht gelden, omdat deze volmacht er mede op gericht is geen bewind, mentorschap of curatele te hoeven aanvragen.
(…)
10.3 Het heeft mijn uitdrukkelijke voorkeur dat de in deze akte genoemde gevolmachtigde tot bewindvoerder en/of mentor en in uiterste noodzaak tot curator wordt benoemd. Indien de gevolmachtigde de taak van bewindvoerder, mentor of curator niet kan of wil uitoefenen, verzoek ik de rechter uitdrukkelijk iemand aan te wijzen die niet uit de kring van mijn naaste familie komt. (…).”
3.2 Op 13 januari 2020 heeft een onafhankelijk arts op verzoek van klager de wilsbekwaamheid van moeder onderzocht. In de medische verklaring heeft de arts gemeld:
“Gelet op de genoemde stoornissen en beperkingen die naar verwachting progressief van aard zijn, en haar niet consistente en niet persistente uitlatingen, is betrokkene naar verwachting blijvend niet wilsbekwaam. Betrokkene wordt gezien haar geestelijke toestand niet in staat geacht haar persoonlijke financiële zaken en belangen naar behoren te behartigen.”
3.3 Op 21 januari 2020 heeft verweerster met moeder een bespreking op kantoor gehad.
De dochter van moeder (dus de zus van klager) was daarbij aanwezig.
3.4 Bij ondertekende brief van 3 februari 2020 heeft moeder de aan klager verleende
volmacht herroepen.
3.5 Op 5 februari 2020 hebben moeder en zus van klager zelfstandig een verzoek
tot onderbewindstelling en/of mentorschap van moeder bij de kantonrechter ingediend
en daarin verzocht om mevrouw V te benoemen tot bewindvoerder en mentor van moeder,
zulks in afwijking van het levenstestament van 12 september 2017.
3.6 Op 6 februari 2020 heeft ook klager zelfstandig een verzoek tot onderbewindstelling
en mentorschap van moeder bij de kantonrechter ingediend en verzocht om hem te benoemen
tot bewindvoerder en mentor over moeder. Klager heeft op een later moment, na de mondelinge
behandeling, alsnog voorgesteld om R B.V. als mentor/bewindvoerder over moeder te
benoemen.
3.7 Bij brief van 21 februari 2020 aan de rechtbank Gelderland heeft verweerster
op verzoek van moeder - dus haar cliënte - in het licht van de op 26 februari 2020
geplande mondelinge behandeling het verzoek van moeder nader onderbouwd:
“Cliënte is tevens van oordeel dat zij als gevolg van haar geestelijke toestand niet in staat is om haar belangen van niet-vermogensrechtelijke aard zelf behoorlijk waar te nemen. Cliënte merkt dat zij de nodige lichamelijke zorg nodig heeft, gezien haar leeftijd. Zij weet zelf niet waar ze moet en kan aankloppen om deze zorg in te schakelen. Momenteel verblijft ze in een woonzorgcentrum waar ze niet op haar plek zit, waar ze geen sociale contacten heeft en ze haar omgeving niet kent. Ze wenst naar een ander soort verblijf te vertrekken, maar een ander dient in overleg met haar te worden bepaald, eveneens welke zorg de nodig heeft. Duidelijk is dat [klager] niet de aangewezen persoon is om deze belangen te behartigen. Mevrouw [V] van [A Beheer] heeft aangegeven bereid te zijn om als bewindvoerder van cliënte op te treden. Het verzoek is dan ook om de verzoeken zoals ingediend toe te wijzen.”
3.8 Op 26 februari 2020 zijn de hiervoor genoemde verzoeken, van zowel moeder (en
haar dochter) als van klager, gelijktijdig op de zitting van de kantonrechter te Zutphen
behandeld. Wegens vakantie van verweerster heeft haar kantoorgenoot, mr. W, moeder
en dochter tijdens die zitting vertegenwoordigd. Door klager zijn tijdens de zitting
stukken overgelegd, waaronder de verklaring van de arts van 13 januari 2020. De kantonrechter
heeft partijen daarna in de gelegenheid gesteld om nog op elkaars stukken te reageren.
3.9 Bij beschikking van 3 april 2020 heeft de kantonrechter bepaald dat een professioneel
bewindvoerder voor de cliënte van verweerster wordt benoemd en heeft in dit kader
overwogen:
“De kantonrechter stelt vast dat rechthebbende en haar beide kinderen wisselende perioden van contact hebben gehad. De kantonrechter sluit niet uit dat hoewel contact met haar beide kinderen voor rechthebbende belangrijk is, het moeilijk is om tegelijkertijd met beiden contact te hebben. Om daarvoor een goede basis te leggen zal de kantonrechter een professioneel bewindvoerder benoemen die nog geen banden heeft met de zoon of dochter. De kantonrechter passeert hier het levenstestament van rechthebbende, nu er een situatie is ontstaan waar rechthebbende in haar levenstestament niet in heeft voorzien en partijen hierdoor ernstig verdeeld zijn geraakt.”
4 KLACHT
4.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar
heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerster
het volgende:
a) moeder van klager bij te staan in een procedure zonder onderzoek te doen naar
de wilsbekwaamheid van moeder;
b) moeder van klager te bezoeken in de zorginstelling waar zij op dat moment verbleef;
c) moeder op 3 februari 2020 een brief te laten tekenen, die duidelijk niet door
haarzelf is opgesteld of langs een notaris is gegaan, waarin moeder de volmacht van
klager zou hebben ingetrokken;
d) aan klager niet een afschrift van het verzoekschrift tot onderbewindstelling
en mentorschap over moeder te sturen;
e) moeder bij te staan en daardoor de achterdocht van moeder richting klager toe
te laten nemen, waarmee verweerster de toegang tot moeder heeft bemoeilijkt.
5 VERWEER
De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer van verweerster ingaan.
6 BEOORDELING
Ten aanzien van het verzet
6.1 Voordat de raad de klacht inhoudelijk kan beoordelen moet sprake zijn van een
gegrond verzet. Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld
of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als
de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing
heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.
6.2 Klager komt in verzet tegen het oordeel van de voorzitter ten aanzien van klachtonderdeel
a). Naar het oordeel de raad is de voorzitter ten aanzien daarvan tot een onjuist
oordeel gekomen zoals blijkt uit het navolgende. Het verzet tegen klachtonderdeel
a) is dan ook gegrond, zodat de raad (alleen) dit klachtonderdeel opnieuw zal beoordelen.
Ten aanzien van klachtonderdeel a)
6.3 Volgens klager is verweerster op ernstige wijze in haar onderzoeksplicht tekortgeschoten
door voor zijn wilsonbekwame moeder op te treden, waardoor hij in zijn belangen is
geschaad. Klager heeft aangevoerd dat vanaf het eerste contact met moeder er voldoende
signalen voor verweerster moeten zijn geweest dat zij niet meer wilsbekwaam was. Moeder
was al op hoge leeftijd en woonde in een verzorgingshuis met 24 uurszorg. Uit het
notariële levenstestament van moeder van 2017 had verweerster ook kunnen afleiden
dat klager sinds ondertekening daarvan in 2017 als haar algemeen gevolmachtigde was
aangesteld en dat moeder, bij zijn ontstentenis, uitdrukkelijk niemand uit de kring
van de naaste familie als bewindvoerder, mentor of curator benoemd wilde hebben. Verweerster
heeft moeder in aanwezigheid van haar dochter gesproken. Juist die dochter was door
moeder, toen zij nog wilsbekwaam was, uitgesloten in haar levenstestament omdat moeder
en dochter lang gebrouilleerd waren. Verweerster had hiernaar zorgvuldig onderzoek
moeten doen. Zij had dan moeten concluderen dat zij niet de belangen van moeder kon
behartigen, aldus klager.
6.4 Verweerster heeft hiertegen aangevoerd dat zij met moeder, haar cliënte, op
21 januari 2020 een lang gesprek van 1,5 uur heeft gehad, in aanwezigheid van haar
dochter. Volgens verweerster kon haar cliënte tijdens die bespreking duidelijk antwoorden
op door haar gestelde open vragen. Ook kon haar cliënte haar eigen situatie, dat zij
in een verpleeghuis woonde, en het doel van haar verzoek om rechtsbijstand helder
aan verweerster uitleggen. Toen heeft verweerster ook kennis genomen van het door
haar cliënte in 2017 gemaakte notariële levenstestament, waarin haar zoon - klager
- als algemeen gevolmachtigde van zijn moeder was benoemd. Verweerster betwist dat
haar cliënte niets meer met haar dochter te maken wilde hebben. Weliswaar stond in
haar levenstestament vermeld dat haar cliënte in specifieke situaties geen betrokkenheid
van haar naaste familie wilde, maar volgens verweerster heeft haar cliënte deze opmerking
tijdens de bespreking anders uitgelegd dan klager nu doet. Gezien de hiervoor beschreven
gang van zaken tijdens de bespreking met haar cliënte en vanwege de omstandigheid
dat de notaris in 2017 de wilsbekwaamheid van haar cliënte nog had vastgesteld, was
een nader onderzoek naar de wilsbekwaamheid van haar cliënte niet nodig en mocht verweerster
haar belangen dan ook behartigen. Ook na de bespreking met haar cliënte zijn er geen
signalen geweest waardoor zij aan de wilsbekwaamheid van haar cliënte twijfelde, aldus
verweerster.
6.5 De raad stelt voorop dat de klacht betrekking heeft op het handelen van de
advocaat van de wederpartij van klager. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van
Discipline (hierna: het hof) komt aan deze advocaat een grote mate van vrijheid toe
om de belangen van zijn cliënt te behartigen op een wijze die hem, in overleg met
zijn cliënt, goeddunkt. Deze vrijheid is niet onbeperkt, maar kan onder meer worden
ingeperkt als de advocaat bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen
van de wederpartij onnodig of onevenredig schaadt zonder dat daarmee een redelijk
doel wordt gediend. Het optreden van verweerster dient aan de hand van deze maatstaf
beoordeeld te worden.
6.6 De vraag die voorligt is of verweerster haar cliënte mocht bijstaan zoals door
haar gedaan in de bewindvoerings/mentorschapskwestie of dat zij daardoor de belangen
van klager heeft geschaad. De raad overweegt als volgt.
6.7 Het hof heeft in de beslissing van 13 juni 2014 (ECLI:NL:TAHVD:2014:148) overwogen
dat noch de Advocatenwet, noch de bestaande verordeningen en richtlijnen van de Nederlandse
Orde van Advocaten aanwijzingen bevatten over de vraag hoe de wilsbekwaamheid van
een cliënt te onderzoeken indien er reden bestaat om daaraan te twijfelen. Het hof
heeft gewezen op het door het bestuur van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie
in mei 2006 vastgestelde “Stappenplan Beoordeling Wilsbekwaamheid ten behoeve van
de notariële dienstverlening”, welk stappenplan een toetsingskader biedt aan notarissen
die in voorkomende gevallen een oordeel moeten vormen over de wilsbekwaamheid van
een cliënt ten behoeve van de notariële dienstverlening. Het hof heeft uit dit stappenplan
een aantal indicatoren aangehaald die aanleiding geven voor nader onderzoek naar de
wilsbekwaamheid en erop gewezen dat volgens de daarop volgende stap de wilsbekwaamheid
dient te worden onderzocht in een gesprek met de cliënt onder bepaalde condities.
Volgens het hof wordt het stappenplan van de KNB gekenmerkt door de grootst mogelijke
te betrachten zorgvuldigheid bij psychisch kwetsbare cliënten. Hoewel het niet rechtstreeks
van toepassing is, heeft het hof niettemin aansluiting zoekend bij de normering ervan
overwogen dat tot de zorg van een advocaat in de zin van artikel 46 Advocatenwet bij
twijfel over de wilsbekwaamheid van een cliënt ten minste behoort: het houden van
een uitvoerig gesprek met zijn cliënt zonder aanwezigheid van derden in welk gesprek
- naast een onderzoek naar de voorgelegde vraag om juridische bijstand - begrip en
beslisvaardigheid van de cliënt door open vragen worden onderzocht.
6.8 Dit stappenplan van mei 2006 is in april 2013 geactualiseerd en in 2021 volledig
herzien. Ten tijde van de dienstverlening van verweerder aan klaagster gold het stappenplan
van april 2013, zodat de raad aansluiting zoekt bij dit stappenplan (hierna: het Stappenplan).
Overigens zitten er tussen dit stappenplan en dat van 2006 en 2021 geen verschillen
die relevant zijn voor de onderhavige klachtzaak.
6.9 Het Stappenplan begint bij A, inleiding, waarin staat dat eerst indien daartoe
aanleiding bestaat, de wilsbekwaamheid van een cliënt uitgebreider dient te worden
onderzocht. Bij B, Indicatoren, staat dat uitgangspunt is dat een cliënt die handelingsbekwaam
is, moet worden geacht zijn belangen te kunnen behartigen. Eerst indien er aanleiding
bestaat om daaraan te twijfelen, dient een notaris de geestesgesteldheid van zijn
cliënt nader te onderzoeken. Indicatoren (in combinatie) hiervoor kunnen bijvoorbeeld
zijn: het vermogen van de cliënt is onder bewind gesteld; de cliënt is op hoge leeftijd;
de administratie is niet in eigen beheer; de cliënt woont niet meer zelfstandig; medische
indicatie (ziekte/aandoeningen die van invloed kunnen zijn op het verstandelijk vermogen,
bijvoorbeeld de ziekte van Alzheimer (…); indien er twijfels bestaan over de weloverwogenheid
van een gedaan verzoek; indien het initiatief voor het verzoek tot dienstverlening
van een ander dan de cliënt komt; indien instructies voor de inhoud van de akte door
anderen dan de cliënt zijn vastgelegd; voor testamenten (…). Na deze opsomming staat
dat een besluit moet worden genomen om wel of niet de wilsbekwaamheid volgens het
stappenplan te beoordelen. Vragen die de notaris zichzelf kan stellen zijn: zijn er,
gezien bovenstaande indicatoren, gerede twijfels over de wilsbekwaamheid van de cliënt
voor de te nemen beslissing? Bestaat de indruk, gezien bovenstaande indicatoren dat
er sprake is van beïnvloeding door derden? Daarna komt C, Verdere stappen, waarin
staat: Stel adequate vragen/informeer adequaat/bespreek zonder aanwezigheid van partner
of familie. Daaronder zijn voor het gesprek als instructies vermeld: geef de cliënt
voldoende gelegenheid om kennis te nemen van de mogelijkheden om zijn wensen/belangen
te regelen; trek extra tijd uit; houd een bespreking met de cliënt onder “vier ogen”
zodat eventuele beïnvloeding door derden wordt beperkt, Houd bij het voeren van een
gesprek rekening met het bevattingsvermogen en eventuele cognitieve en emotionele
beperkingen van de cliënt, gehoorklachten en een verminderd gezichtsvermogen; bezoek
de cliënt in eigen woonomgeving, dan wel houd de bespreking in een rustige omgeving.
6.10 Uit de verklaringen ter zitting is de raad gebleken dat verweerster haar cliënte
heeft geadviseerd en gefaciliteerd bij het maken van stukken ten behoeve van haar
bewindvoering/mentorschapsverzoek en dat verweerster later in rechte voor haar cliënte
is gaan optreden. Tijdens de zitting is de cliënte vanwege vakantie van verweerster
bijgestaan door haar kantoorgenote.
6.11 De raad is van oordeel dat, gelet op de hiervoor genoemde indicatoren in het
Stappenplan, meteen vanaf de eerste bespreking aanleiding was voor gerede twijfels
over de wilsbekwaamheid van moeder bij het verstrekken van de opdracht aan verweerster
en voor de indruk dat sprake was van beïnvloeding door derden, de dochter. De raad
overweegt daartoe het volgende.
6.12 De cliënte van verweerster had op het moment van opdracht de hoge leeftijd
van 81 jaar. Voor zover verweerster dat niet wist, dan kon zij met het geboortejaar
van haar cliënte bekend zijn na het lezen van het tijdens die bespreking overhandigde
levenstestament uit 2017. Verweerster was ervan op de hoogte dat haar cliënte in een
verzorgingshuis woonde. Zij heeft echter niet gevraagd naar de zorgindicatie van haar
cliënte. Die informatie had al tot twijfel moeten leiden bij verweerster over de weloverwogenheid
van haar cliënte tot het verstrekken van de opdracht. Vast staat dat de cliënte met
haar dochter naar de bespreking met verweerster is gekomen en dat de dochter bij het
vervolg nauw betrokken is gebleven. Naar het oordeel van de raad had verweerster na
het lezen van specifiek bepaling 10.3 in het levenstestament van haar cliënte - tijdens
de bespreking of erna - kunnen weten dat klager sinds de ondertekening door moeder
in 2017 als haar algemeen gevolmachtigde was benoemd. In het geval van zijn ontstentenis
heeft moeder in genoemde bepaling uitdrukkelijk vastgelegd dat zij ‘niet iemand uit
de kring van de naaste familie’ als bewindvoerder/mentor benoemd wilde hebben. Juist
dáárover heeft haar cliënte verweerster om advies gevraagd. Verweerster kon daarom
dan ook niet volstaan met het vragen naar een nadere toelichting van haar cliënte
op die opmerkelijke bepaling, zoals zij ter zitting heeft betoogd. Verweerster had
haar cliënte op een ander moment alleen, buiten aanwezigheid van haar dochter, opnieuw
daarover moeten bevragen om de mogelijke indruk van beïnvloeding door de dochter uit
te sluiten. Dat verweerster dit heeft gedaan, is de raad niet gebleken. Daarnaast
had verweerster zich na de eerste bespreking met haar cliënte ook tot de notaris kunnen
wenden voor nadere informatie over de wilsbekwaamheid van haar cliënte of de notaris
verder kunnen inschakelen. De ondertekening van een levenstestament in 2017 door haar
cliënte ontsloeg verweerster niet van haar eigen verantwoordelijkheid ten aanzien
van de handelingsbekwaamheid van haar cliënte.
6.13 Tegen de achtergrond van dit alles bestond naar het oordeel van de raad gerede
grond voor twijfel over de weloverwogenheid van de door moeder aan verweerster verstrekte
opdracht tezamen met haar dochter. Verder bestond er aanleiding voor de indruk dat
sprake was van beïnvloeding van moeder door de dochter. Dat in het later door moeder
en de dochter zelf ingediende verzoekschrift werd verzocht om niet de dochter maar
een onafhankelijke derde als bewindvoerder van moeder te benoemen, doet aan het voorgaande
niet af.
6.14 Omdat er naar het oordeel van de raad aanleiding was voor gerede twijfels
over de wilsbekwaamheid van de cliënte bij het verstrekken van de opdracht aan verweerster
en daarna en voor de indruk dat sprake was van beïnvloeding door de dochter, terwijl
klager in 2017 als algemeen gevolmachtigde door moeder was benoemd, bestond er voor
verweerster aanleiding om de wilsbekwaamheid moeder uitgebreider te onderzoeken. Zoals
uit hetgeen hiervoor is omschreven blijkt, heeft verweerster dat naar het oordeel
van de raad onvoldoende gedaan. Als gevolg van haar optreden voor haar cliënte heeft
verweerster de belangen van klager dan ook onevenredig geschaad zonder doel, hetgeen
haar tuchtrechtelijk wordt verweten. De raad zal klachtonderdeel a) dan ook gegrond
verklaren.
7 MAATREGEL
De raad heeft een klachtonderdeel gegrond verklaard. Verweerster heeft tijdens de
zitting van de raad geen inzicht getoond in het laakbare van haar handelen richting
klager, de zoon van haar cliënte, terwijl ook zijn belangen voor haar evident moeten
zijn geweest gezien het dossier. Dat zij op enig moment met klager in gesprek is gegaan
om haar handelen toe te lichten, is de raad ook niet gebleken. Gelet op het voorgaande
en vanwege de ernst en de aard van het aan verweerster verweten handelen, is de raad
van oordeel dat de maatregel van berisping passend en geboden is.
8 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING
8.1 Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerster op
grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klager betaalde griffierecht van
€ 50,- aan hem vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is
geworden. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer
schriftelijk aan verweerster door.
8.2 Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerster daarnaast op grond
van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
a) € 50,- aan forfaitaire reiskosten van klager,
b) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
c) € 500,- kosten van de Staat.
8.3 Verweerster moet het bedrag van € 50,- aan forfaitaire reiskosten binnen vier
weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klager. Klager
geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk
aan verweerster door.
8.4 Verweerster moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 8.2 onder b
en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden,
overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse
Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline"
en het zaaknummer 21-050/AL/GLD.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart het verzet ten aanzien van klachtonderdeel a) gegrond;
- verklaart klachtonderdeel a) gegrond;
- legt aan verweerster de maatregel van berisping op;
- veroordeelt verweerster tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klager;
- veroordeelt verweerster tot betaling van de reiskosten van € 50,- aan klager,
op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 8.3;
- veroordeelt verweerster tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de
Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald
in 8.4.
Aldus beslist door mr. J.R. Veerman, voorzitter, mrs. S.H.G. Swennen, P. Th. Mantel, leden, bijgestaan door mr. M.M. Goldhoorn als griffier en uitgesproken in het openbaar op 14 februari 2022.
Griffier Voorzitter
Verzonden d.d. 14 februari 2022