ECLI:NL:TADRAMS:2026:236 Raad van Discipline Amsterdam 26-739/A/A

ECLI: ECLI:NL:TADRAMS:2026:236
Datum uitspraak: 19-10-2026
Datum publicatie: 23-10-2026
Zaaknummer(s): 26-739/A/A
Onderwerp:
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Grievende uitlatingen
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Wat nooit geoorloofd is
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Jegens wederpartij in acht te nemen zorg
Beslissingen: Voorzittersbeslissing
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing. Klacht tegen de advocaat van de wederpartij in een geschil tussen een consument en een webshop over de gang van zaken rondom het retourneren van een bestelling kennelijk ongegrond. 

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 19 oktober 2026
in de zaak 26-739/A/A

naar aanleiding van de klacht van:

klager

over:

verweerster


De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) van 19 augustus 2026 met kenmerk 2540192/EvR/FS en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 01 tot en met 04. 
Verweerster heeft op 18 september 2026 aanvullende stukken ingediend. Klager heeft daar bij e-mail van 19 september 2026 bezwaar tegen gemaakt. Op 21 september 2026 is namens de voorzitter meegedeeld dat de stukken worden toegevoegd aan het dossier, Klager heeft daarbij een termijn gekregen om op de stukken te reageren. Met zijn e-mail van 23 september 2026, met bijlagen, heeft klager van deze gelegenheid tot reageren gebruik gemaakt.  

1    FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1    Klager heeft bij Galador Grupp OÜ, een buitenlandse webshop in consumentenelektronica (hierna: “de webshop”), een laptop besteld en betaald. Tussen klager en de webshop is vervolgens een geschil ontstaan over het al dan niet annuleren van de bestelling door klager, de bezorging van de laptop en het terugbetalen van de aankoopsom door de webshop. 
1.2    Op 31 maart 2025 heeft klager de webshop gedagvaard in een civiele procedure bij de kantonrechter. Verweerster staat de webshop in die procedure als advocaat bij. 
1.3    Verweerster heeft namens de webshop verweer gevoerd tegen de vordering van klager door het indienen van een conclusie van antwoord van 23 juli 2025. De conclusie van antwoord vormt, inclusief de daarbij behorende producties, onderdeel van het klachtdossier. Verweerster heeft in de conclusie eerst de feitelijke gang van zaken (volgens de webshop) uiteengezet. Vervolgens heeft zij het juridische standpunt van de webshop beschreven. Verweerster heeft de handelwijze van klager in de conclusie van antwoord omschreven als “frauduleuze praktijken”, als “oplichtingspraktijk” en als een scam. Volgens de conclusie van antwoord heeft klager verder een aan de webshop gerichte annuleringse-mail vervalst. 
1.4    Op 7 september 2025 heeft klager bij verweerster een inzageverzoek ingediend op grond van artikel 15 AVG. 
1.5    Bij e-mail van 17 september 2025 heeft verweerster als volgt gereageerd op het verzoek:
“Aangezien uw AVG-verzoek in wezen een verzoek is om aanvullend bewijs in een lopende civiele procedure, heb ik contact opgenomen met uw advocaat om dit verzoek verder af te handelen. Uw advocaat zal u daarover verder informeren.
Via deze weg laat ik u alvast weten dat een inzageverzoek voor het doel van het verzamelen van bewijs in lopende gerechtelijke procedures niet valt onder het recht op informatie onder de AVG. Dit recht is namelijk bedoeld om betrokkenen in staat te stellen geïnformeerd te worden over de verwerking van hun persoonsgegevens en de rechtmatigheid daarvan te controleren, en niet als een alternatieve route voor het verkrijgen van bewijs in civiele procedures. In jurisprudentie wordt dit aangeduid als misbruik van recht. Een verwerkingsverantwoordelijke is dan ook niet verplicht om aan een dergelijk verzoek te voldoen.”
Verweerster heeft haar antwoord naar klager gestuurd en cc aan de advocaat van klager. 
1.6    Op 14 december 2025 heeft klager geantwoord: 
“U heeft ook nog altijd niet voldaan aan uw wettelijke verplichtingen m.b.t. mijn AVG-verzoek. 
Ik zal daarom overgaan tot dagvaarding. Tevens zal ik een melding doen bij de Autoriteit Persoonsgegevens.”
1.7    Op 14 december 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerster. 

2    KLACHT
2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerster het volgende. 
a)    Verweerster heeft zich schuldig gemaakt aan schending van de gedragsregels, in het bijzonder de kernwaarden integriteit en betamelijkheid, en de gedragsregels 1, 7 en 8. 
Verweerster heeft klager in een civiele procedure herhaaldelijk en expliciet aangeduid als fraudeur, oplichter en als iemand die zich schuldig zou maken aan frauduleuze praktijken en vervalsing, zonder dat daarvoor enig strafrechtelijk oordeel, aangifte of veroordeling bestaat. Deze kwalificaties zijn niet incidenteel of terughoudend geformuleerd, maar vormen de kern van haar processtuk (conclusie van antwoord). Door het gebruik van deze strafrechtelijke kwalificaties overschrijdt verweerster de grenzen van toelaatbare procesvoering. Zij presenteert onbewezen vermoedens als vaststaande feiten en tracht mij persoonlijk te diskwalificeren, hetgeen onnodig grievend, feitelijk onbewezen en tuchtrechtelijk onbetamelijk is, aldus klager.
b)    Verweerster heeft een AVG-verzoek van klager genegeerd. 
c)    Verweerster heeft op onzorgvuldige wijze verwezen naar jurisprudentie.

3    VERWEER
3.1    Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4    BEOORDELING
Toetsingskader
4.1    Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen. 
Alleen tuchtrechtelijk oordeel
4.2    De voorzitter stelt voorop dat het in deze zaak gaat om de vraag of verweerster betamelijk en zorgvuldig heeft gehandeld in de procedure tussen klager en de webshop. De tuchtrechter gaat niet over het antwoord op de vraag of het verweer dat namens de webshop is gevoerd gegrond is en evenmin over de vraag of klager zich schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten. 

 Klachtonderdeel a
4.3    Verweerster heeft in de conclusie van antwoord het standpunt van de webshop verwoord, namelijk dat klager op onwaarachtige wijze is omgegaan met zijn bestelling. Verweerster heeft daarbij niet slechts gesteld dat de webshop vermoedens had van vervalsing, list, fraude en een scam, zij heeft dit ook tamelijk uitvoering toegelicht en met documenten onderbouwd. De onderbouwing rust op onderzoek dat de webshop heeft gedaan en onderzoek dat verweerster zelf heeft gedaan. Verweerster mocht bij het opstellen van de conclusie van antwoord uitgaan van de juistheid van de informatie die zij van de webshop ontving. 
4.4    Alleen het door verweerster gebruikte begrip oplichting is een strafbaar feit. Dat geldt niet voor de begrippen fraude, scam of vervalsing. Naar het oordeel van de voorzitter is het gebruik van het begrip oplichting, in de context van het verweer en de onderbouwing daarvan, niet onzorgvuldig. Het is ook niet zo dat het begrip slechts mag worden gebezigd als sprake is van een strafrechtelijke veroordeling of een aangifte, zoals klager lijkt te suggereren. 
4.5    Het is aan klager om binnen de kaders van de civiele procedure de stellingen van de webshop te weerleggen en vervolgens aan de kantonrechter om de door partijen ingenomen stellingen en weren te beoordelen. 
4.6    Dat het voor klager onprettig is om de conclusie van antwoord met de forse verwijten aan zijn adres te lezen, betekent naar het oordeel van de voorzitter niet dat het daarin gestelde en de gekozen bewoordingen het geheel onnodig grievend maken. 
4.7    Klachtonderdeel a is kennelijk ongegrond. 
Klachtonderdeel b
4.8    Verweerster heeft onweersproken gesteld dat zij met de advocaat van klager heeft gesproken, naar aanleiding van het verzoek van klager op grond van de AVG. Vervolgens heeft zij ook nog aan klager uitgelegd waarom zij niet zal voldoen aan zijn verzoek. Het is niet aan de tuchtrechter om te beoordelen of de afwijzing terecht was, het tuchtrecht is niet de weg om een de klager onwelgevallige beslissing rondom de verwerking van persoonsgegevens aan de kaak te stellen. Dat het antwoord van verweerster klager niet bevalt, betekent niet dat het antwoord onbetamelijk is. Klachtonderdeel b is kennelijk ongegrond. 
Klachtonderdeel c
4.9    Het staat een advocaat vrij om in een procedure te verwijzen naar jurisprudentie, die hi/zij voor de behandeling van de zaak van belang acht. Dat geldt ook voor jurisprudentie waarin de wederpartij partij was. Het stond verweerster dus ook vrij om te verwijzen naar de beslissing in de zaak Hares Arabi/iResell. Klager kan binnen de kaders van de civiele procedure toelichten waarom het beroep van verweerster op de uitspraak niet relevant is voor de kwestie tussen klager en de webshop. 
4.10    De voorzitter heeft geen grond om aan te nemen dat verweerster met Arabi heeft gecorrespondeerd, zoals klager stelt. Klager heeft dit verwijt niet feitelijk onderbouwd. Klachtonderdeel c is kennelijk ongegrond. 

 Slotsom 
4.11    Op grond van het voorgaande zal de voorzitter de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, daarom kennelijk ongegrond verklaren.

BESLISSING
De voorzitter verklaart: 
de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, in alle onderdelen kennelijk ongegrond.

Aldus beslist door mr. C.S. Schoorl, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. A. Tijs als griffier en uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 2026.

Griffier         Voorzitter

Verzonden op: 19 oktober 2026