ECLI:NL:TADRAMS:2026:235 Raad van Discipline Amsterdam 26-091/A/A

ECLI: ECLI:NL:TADRAMS:2026:235
Datum uitspraak: 19-10-2026
Datum publicatie: 23-10-2026
Zaaknummer(s): 26-091/A/A
Onderwerp:
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Grievende uitlatingen
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Raadsbeslissing; klacht tegen de advocaat van de wederpartij. Van de gestelde tuchtrechtelijk verwijtbare handelingen is de raad niet gebleken. Klacht ongegrond.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 19 oktober 2026
in de zaak 26-091/A/A
naar aanleiding van de klacht van:

klager 

over

verweerster 


1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1    Op 3 juni 2025 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.
1.2    Op 4 februari 2026 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2496350/ER/AP van de deken ontvangen. 
1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 7 september 2026. Daarbij waren klager en verweerster aanwezig. Verweerster werd bijgestaan door mr. R. Malewicz, maar verweerster heeft zelf het woord gevoerd. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 00 tot en met 04. 

2    FEITEN
2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2    Klager heeft een geschil met zijn buren. Verweerster staat daarin de buren van klager bij. 
2.3    In januari 2023 is door klager een handhavingsverzoek bij de gemeente ingediend over onder meer het parkeergedrag van zijn buren, het plaatsen van camera’s, tuinplanten en andere zaken die specifiek zagen op het gedrag van de buren. 
2.4    Het handhavingsverzoek is door de gemeente afgewezen. Het daartegen door klager ingediende bezwaarschrift is kennelijk ongegrond verklaard en daartegen is door klager bestuursrechtelijk beroep aangetekend. In die procedure zijn de buren als belanghebbende aangemerkt. 
2.5    Namens haar cliënten heeft verweerster in die procedure een verweerschrift ingediend en zich daarin aangesloten bij de door de gemeente inhoudelijk ingenomen standpunten ten aanzien van het handhavingsverzoek. 
2.6    Klager heeft vervolgens aan verweerster meerdere e-mails gestuurd met daarin onder meer informatie en beelden (foto’s) over het (parkeer)gedrag van de buren. Op 2 oktober 2024 heeft klager een e-mail gestuurd aan verweerster naar aanleiding van het door verweerster ingediende verweerschrift, in welke e-mail klager aangeeft – ondersteund met beelden – dat hij van mening is dat de cliënten van verweerster liegen over de feitelijke situatie. 
2.7    Op 28 mei 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden in de bestuursrechtelijke procedure. Van de zijde van de gemeente was niemand bij die mondelinge behandeling aanwezig. Klager heeft telefonisch deelgenomen. Het proces-verbaal van die mondelinge behandeling is onderdeel van het klachtdossier. 
2.8    In dat proces-verbaal staat onder meer het volgende, zijnde het antwoord van verweerster op een vraag van de rechter:
‘Wij hebben al inhoudelijk de punten ingediend. Voor zover mij bekend zijn er geen aanvullende gronden ingediend en is er ook door het college verder niets ingediend. We moeten het doen met wat er al in het dossier zit. Daar is vrij uitgebreid op gereageerd. Het belangrijkste doel is om context te geven. Wat is er de afgelopen tijd aan de hand geweest, wat doet dit met belanghebbenden. Dit is niet een op zichzelf staande procedure. Langdurig conflict. Meerdere procedures. Voor bewoners is het burenterreur. Ook daarom zijn er andere buren aanwezig. Zij vinden hier ook wat van. Zij hebben hier last van.’
2.9    Tijdens de daaropvolgende vraagstelling van de rechter heeft klager de rechter op enig moment gewraakt, omdat de rechter aangaf niet in te willen gaan op een argument van klager. De mondelinge behandeling is daarop geschorst. 
2.10    Op 3 juni 2025 heeft klager de onderhavige klacht tegen verweerster ingediend.

3    KLACHT
3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerster het volgende: 
a)    tijdens de mondelinge behandeling op 28 mei 2025 van de bestuursrechtelijke kwestie heeft verweerster informatie gedeeld waarvan klager niet tijdig en deugdelijk kennis  heeft kunnen nemen;
b)    verweerster heeft zich tijdens de zitting van 28 mei 2025 onnodig grievend uitgelaten door te zeggen: ‘voor bewoners is het burenterreur’.
3.2    De raad zal hierna op de klachtonderdelen ingaan. 

4    VERWEER 
Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan. 

5    BEOORDELING
Maatstaf
5.1    Naar vaste jurisprudentie van het Hof van Discipline dient de tuchtrechter bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, onder andere inhoudende dat advocaten zich dienen te onthouden van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt.  Artikel 10a van de Advocatenwet bevat de kernwaarden onafhankelijkheid, partijdigheid, deskundigheid, (financiële) integriteit en vertrouwelijkheid die advocaten bij de uitoefening van hun beroep in acht dienen te nemen. Daarbij geldt dat een advocaat een bijzondere positie in de rechtsbedeling vervult. Een advocaat dient zich te onthouden van handelingen waardoor het vertrouwen in de advocatuur als zodanig wordt geschaad, en dient zich te allen tijde te onthouden van een handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. De gedragsregels beogen invulling te geven aan de eisen die mogen worden gesteld aan een goede taakuitoefening door een behoorlijk advocaat. De tuchtrechter toetst aan de norm van artikel 46 van de Advocatenwet en niet aan de gedragsregels, waarbij de gedragsregels overigens zo nodig wel van betekenis kunnen zijn bij bedoelde toets.
5.2    Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren.  Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen
Klachtonderdeel a) niet tijdig kennis kunnen nemen van informatie
5.3    Beide klachtonderdelen zien op de mondelinge behandeling op 28 mei 2025 en hetgeen verweerster daar heeft gezegd. Klachtonderdeel a heeft, zo volgt uit de klacht, betrekking op het navolgende gedeelte daarvan:
‘Het belangrijkste doel is om context te geven. Wat is er de afgelopen tijd aan de hand geweest, wat doet dit met belanghebbenden. Dit is niet een op zichzelf staande procedure. Langdurig conflict. Meerdere procedures. Voor bewoners is het burenterreur. Ook daarom zijn er andere buren aanwezig. Zij vinden hier ook wat van.’ 
Het is de raad niet duidelijk geworden welke informatie door verweerster op die mondelinge behandeling is gedeeld waarvan klager niet tijdig en deugdelijk kennis heeft kunnen nemen. Voor zover daarmee wordt gedoeld op de bovenstaande letterlijk uitgesproken woorden an sich overweegt de raad dat dit een antwoord is op een vraag van de rechter. Niet valt in te zien hoe verweerster dat antwoord niet tijdig heeft gedeeld. Op de mondelinge behandeling had klager de gelegenheid om daar op te reageren. Van een tuchtrechtelijk verwijtbare handeling is geen sprake. Dit klachtonderdeel zal de raad ongegrond verklaren. 
Klachtonderdeel b) onnodig grievende uitlating
5.4    Ook dit klachtonderdeel zal de raad ongegrond verklaren. Verweerster heeft met haar verklaring weergegeven hoe haar cliënten het geschil met klager ervaren: als burenterreur. Daarbij heeft verweerster naar het oordeel van de raad geen onnodig grievende bewoordingen gebruikt en ook overigens is de raad niet gebleken dat verweerster enige tuchtrechtelijke norm heeft overschreden.  

BESLISSING
De raad van discipline:
-    verklaart de beide klachtonderdelen en daarmee de klacht ongegrond.

Aldus beslist door mr. W. Aardenburg, voorzitter, mr. K.C. van Hoogmoed en mr. J.C. Ellerman, leden, bijgestaan door mr. H.P.J. Meijerink als griffier en uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 2026.


Griffier    Voorzitter

Verzonden op: 19 oktober 2026