ECLI:NL:TADRAMS:2026:234 Raad van Discipline Amsterdam 26-164/A/A
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2026:234 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 19-10-2026 |
| Datum publicatie: | 23-10-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-164/A/A |
| Onderwerp: | Tuchtprocesrecht, subonderwerp: Hoger beroep niet mogelijk |
| Beslissingen: | Beslissing op verzet |
| Inhoudsindicatie: | Verzet. In de voorzittersbeslissing heeft de voorzitter overwogen dat klaagster heeft nagelaten concrete passages uit de overgelegde correspondentie aan te wijzen die als onnodig grievend kunnen worden aangemerkt. De raad kan zich met die overweging verenigen. Het is namelijk aan klaagster om concreet aan te geven welke bewoordingen als onnodig grievend kunnen worden aangemerkt en dat heeft ze naar het oordeel van de voorzitter nagelaten. Het enkel overleggen van stukken waaruit de voorzitter zelf zou moeten afleiden wat klaagster als grievend zou kunnen aanmerken is een onjuiste opvatting van de taak van de raad in het klachtrecht. De overige verzetgronden missen iedere feitelijke grondslag. Verzet ongegrond. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 19 oktober 2026
in de zaak 26-164/A/A
naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de voorzitter van de raad
van discipline van 13 april 2026 op de klacht van:
klaagster
gemachtigde: mr. R.J. Skála
over:
verweerster
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Klaagster is met haar ex-echtgenoot verwikkeld in diverse procedures en geschillen
over de vermogensrechtelijke afwikkeling van hun ontbonden huwelijk.
1.2 Klaagster heeft in verband met die geschillen op basis van artikel 13 Advocatenwet
een aantal maal een advocaat toegewezen gekregen.
1.3 Op 15 mei 2023 heeft klaagster een nieuw (vijfde) verzoek bij verweerster
in haar gemelde hoedanigheid gedaan op grond van artikel 13 Advocatenwet. Dit verzoek
heeft verweerster op 16 mei 2023 gemotiveerd afgewezen.
1.4 Daartegen heeft klaagster haar beklag gedaan bij het Hof van Discipline,
die het beklag van klaagster op 31 mei 2023 ongegrond heeft verklaard.
1.5 Op 1 juni 2023 heeft klaagster een verzoek tot herziening van die beslissing
ingediend bij het Hof van Discipline. Op 11 september 2023 heeft het Hof van Discipline
klaagster niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek.
1.6 In de tussentijd had klaagster zelf een advocaat bereid gevonden haar bij
te staan, maar deze heeft zijn bijstand op 3 juli 2023 weer beëindigd.
1.7 Op 11 juli 2023 heeft klaagster een zesde verzoek gedaan om aanwijzing van
een advocaat op grond van artikel 13 Advocatenwet. Op 18 juli 2023 heeft verweerster
dit verzoek gemotiveerd afgewezen. Ook ten aanzien van deze afwijzing heeft klaagster
haar beklag gedaan bij het Hof van Discipline, maar klaagster heeft dit beklag ook
weer ingetrokken.
1.8 Daarna heeft klaagster zelf weer een advocaat gevonden om haar bij te staan,
maar deze heeft zich op 30 augustus 2023 onttrokken.
1.9 Op 11 september 2023 heeft klaagster een zevende verzoek gedaan om aanwijzing
van een advocaat op grond van artikel 13 Advocatenwet. Dit verzoek heeft verweerster
op 20 september 2023 gemotiveerd afgewezen. Ook hiertegen heeft klaagster haar beklag
gedaan bij het Hof van Discipline. Op 2 oktober 2023 heeft het Hof van Discipline
dit beklag gemotiveerd ongegrond verklaard.
1.10 Daarna heeft klaagster zelf een advocaat bereid gevonden haar bij te staan.
1.11 Bij brief van 2 augustus 2024 heeft klaagster verweerster in haar gemelde
hoedanigheid aansprakelijk gesteld. Verweerster heeft die aansprakelijkstelling op
26 september 2024 afgewezen.
1.12 Op 25 februari 2025 heeft klaagster een tweede herzieningsverzoek ingediend
tegen de beslissing van het hof van 31 mei 2023 (zie hiervoor onder 1.4). In dat verzoek
is ook een klacht tegen verweerster in haar gemelde hoedanigheid vervat.
1.13 Bij beslissing van 7 augustus 2025 heeft de voorzitter van het Hof van Discipline
de klacht voor onderzoek en afhandeling verwezen naar de deken van de Orde van Advocaten
in het arrondissement Amsterdam.
1.14 Op 2 maart 2026 heeft deze raad de brief van de deken van de Orde van Advocaten
in het Arrondissement Amsterdam ontvangen en daarvan kennis genomen en eveneens van
de bijlagen 00 tot en met 04 bij die brief (kenmerk 2510749/ER/KV) en de nadien door
verweerster nog nagezonden stukken.
1.15 Bij beslissing van 13 april 2026 heeft de plaatsvervangend voorzitter van
de raad (hierna ook: de voorzitter) de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Deze
beslissing is op 13 april 2026 verzonden aan partijen.
1.16 Op 8 mei 2026 heeft klaagster verzet ingesteld tegen de beslissing van de
voorzitter. De raad heeft het verzetschrift op die datum ook ontvangen.
1.17 Het verzet is behandeld op de zitting van de raad van 7 september 2026.
Daarbij waren - via een beeldverbinding - klaagster, bijgestaan door haar gemachtigde,
en verweerster -eveneens via een beeldverbinding - aanwezig.
1.18 De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen
het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd
en van het verzetschrift en de daarbij gevoegde producties 1 en 2.
2 VERZET
2.1 De gronden van het verzet houden, zakelijk weergegeven, het volgende in:
a. de voorzitter heeft niet alle stukken geraadpleegd;
b. in redelijkheid moet worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist
is, de voorzitter heeft weggelaten hetgeen hem bij de toetsing niet paste en heeft
verzonnen wat hij extra nodig had om tot zijn van tevoren bepaalde, onjuiste, beslissing
te kunnen komen;
c. de voorzitter gaat niet serieus in op de klacht;
d. de artikelen 6 en 13 EVRM zijn geschonden.
2.2 Tegen de feiten zoals die vermeld staan in de voorzittersbeslissing en de
klachtomschrijving als zodanig komt klaagster in verzet niet op.
3 KLACHT
3.1 Voor de omschrijving van de klacht verwijst de raad naar de beslissing van
de voorzitter.
3.2 Klaagster stelt in haar verzetschrift dat haar klacht is ingediend als onderdeel van het herzieningsverzoek van 19 februari 2025. De inhoud van het gehele herzieningsverzoek maakt onderdeel uit van de klacht met inbegrip van de in dat herzieningsverzoek gewisselde stukken. Zij wijst daarbij expliciet op de repliek namens klaagster van 29 augustus 2025 op het op het verweer van verweerster (productie 1 bij het verzetschrift) en de brief aan het Hof van Discipline van 8 juli 2025 (productie 2 bij het verzetschrift). In die stukken, die de voorzitter volgens klaagster niet in haar beoordeling heeft betrokken, zoals blijkt uit diens beslissing, wordt een opsomming gegeven van de onnodig grievende uitlatingen van verweerster.
4 BEOORDELING
4.1 Voordat de raad de klacht inhoudelijk kan beoordelen moet sprake zijn van
een gegrond verzet. Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld
of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als
de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing
heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.
4.2 De raad stelt vast dat de voorzitter de juiste maatstaf (toetsingsnorm) heeft
gehanteerd. Deze maatstaf staat ook vermeld in de beslissing.
4.3 Op de mondelinge behandeling werd duidelijk dat de klacht niet inhoudt dat
het dossier van de voorzitter onvolledig was, maar dat zij niet alle stukken uit het
dossier goed heeft geraadpleegd en daardoor informatie die in het dossier wel voorhanden
was niet heeft gezien. Dat leidt klaagster af uit de overweging 4.33 en 4.34 van de
voorzittersbeslissing.
4.4 De raad overweegt dat uit die overwegingen niet blijkt dat de voorzitter
bepaalde stukken niet heeft geraadpleegd. De voorzitter geeft daarin aan dat klaagster
heeft nagelaten concrete passages uit de correspondentie aan te wijzen die als onnodig
grievend kunnen worden aangemerkt. De raad kan zich met die overweging verenigen.
Het is namelijk aan klaagster om concreet aan te geven welke bewoordingen als onnodig
grievend kunnen worden aangemerkt en dat heeft ze naar het oordeel van de voorzitter
nagelaten. Het enkel overleggen van stukken waaruit de voorzitter zelf zou moeten
afleiden wat klaagster als grievend zou kunnen aanmerken is een onjuiste opvatting
van de taak van de raad in het klachtrecht. In het klachtrecht geldt net als in gerechtelijke
procedures, zoals de Hoge Raad in zijn arrest van 13 maart 2017 (ECLI:NL:HR:2017:404)
heeft overwogen, dat een partij die een beroep wil doen op uit bepaalde producties
blijkende feiten en omstandigheden, dit op een zodanige wijze dient te doen dat voor
de rechter duidelijk is welke stellingen hem ter beoordeling worden voorgelegd en
dat voor de wederpartij duidelijk is waartegen zij zich dient te verweren. De rechter
heeft slechts te letten op de feiten waarop een partij ter ondersteuning van haar
standpunt een beroep heeft gedaan, en de enkele omstandigheid dat uit door een partij
overgelegde stukken een bepaald feit zou blijken, impliceert niet dat zij zich ter
ondersteuning van haar standpunt op dat feit beroept. Verzetgrond a) slaagt daarom
niet.
4.5 De raad is van oordeel dat ook de overige door klaagster aangevoerde verzetgronden
niet slagen, die missen iedere feitelijke grondslag. Of de gehele in artikel 13 Advocatenwet
opgenomen procedure in strijd is met Europese regelgeving zoals klaagster lijkt te
stellen, is geen vraagstuk dat binnen de kaders van het tuchtrecht thuishoort.
4.6 De raad is van oordeel dat de voorzitter bij de beoordeling de juiste maatstaf
heeft toegepast en rekening heeft gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden
van het geval. Daarmee hoeft in redelijkheid niet te worden betwijfeld of de beslissing
van de voorzitter juist is.
4.7 Omdat het verzet tegen de beslissing van de voorzitter ook verder geen nieuwe
gezichtspunten oplevert, is er geen plaats voor nader onderzoek naar de klacht. De
raad zal het verzet daarom ongegrond verklaren.
BESLISSING
De raad van discipline verklaart:
- het verzet ongegrond.
Aldus beslist door mr. W. Aardenburg, voorzitter, mr. K.C. van Hoogmoed en mr. J.C.
Ellerman, leden, bijgestaan door mr. H.P.J. Meijerink als griffier en uitgesproken
ter openbare zitting van 19 oktober 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 19 oktober 2026