ECLI:NL:TADRAMS:2026:233 Raad van Discipline Amsterdam 26-194/A/A

ECLI: ECLI:NL:TADRAMS:2026:233
Datum uitspraak: 19-10-2026
Datum publicatie: 23-10-2026
Zaaknummer(s): 26-194/A/A
Onderwerp:
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening
  • Ontvankelijkheid van de klacht, subonderwerp: Klachten waarop al eerder is beslist
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Raadsbeslissing. Klacht tegen de voormalig eigen advocaat. De klacht omvat meerdere klachtonderdelen. Een daarvan is niet-ontvankelijk, omdat dit klachtonderdeel al bij een eerdere klachtprocedure aan de orde is geweest. De overige klachtonderdelen verklaart de raad ongegrond, omdat het aldaar gestelde is betwist en ook niet nader is onderbouwd. Hetgeen verweerder door klager wordt verweten kan daarom niet worden vastgesteld.


Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 19 oktober 2026
in de zaak 26-194/A/A
naar aanleiding van de klacht van:

klager 

over

verweerder 

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1    Op 24 september 2025 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2    Op 11 maart 2026 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2526381/ER/AS van de deken ontvangen. 
1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 7 september 2026. Daarbij waren klager en verweerder aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 00 tot en met 04. 

2    FEITEN
2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2    Verweerder heeft klager bijgestaan in meerdere procedures tegen de gemeente Haarlemmermeer. 
2.3    Omdat klager van mening was dat verweerder in het kader van de behandeling van zijn dossiers onrechtmatig en klachtwaardig heeft gehandeld, waardoor klager schade heeft geleden, heeft klager op 11 maart 2024 een klacht tegen verweerder ingediend bij de deken. Ook heeft klager een advocaat, mr. H, ingeschakeld om hem civielrechtelijk bij te staan in verband met de schade die hij heeft geleden als gevolg van het vermeend onrechtmatig en klachtwaardig handelen van verweerder. 
2.4    Bij aangetekende e-mail van 9 april 2025 heeft mr. H namens klager een sommatiebrief gestuurd aan verweerder. Daarin is verweerder aansprakelijk gesteld en gesommeerd om aan klager € 27.109,59 aan schade te vergoeden. Omdat de aangetekende e-mail van 9 april 2025 door verweerder zou zijn geweigerd, heeft mr. H op 20 april 2025 de aantekende e-mail opnieuw gezonden. Ook deze e-mail zou door verweerder zijn geweigerd en daarom heeft mr. H een deurwaarder de sommatiebrief op 30 april 2025 aan verweerder laten betekenen.
2.5    Bij e-mail van 30 april 2025 heeft mr. L namens verweerder gereageerd op de berichten van mr. H.
2.6    Op 2 juni 2025 heeft de mondelinge behandeling van voormelde klacht van 11 maart 2024 van klager plaatsgevonden. Bij beslissing van 14 juli 2025 heeft deze raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaard en aan verweerder de maatregel van berisping opgelegd. Op 12 augustus 2025 is verweerder van die beslissing in beroep gekomen bij het hof van discipline.
2.7    Op 24 september 2025 heeft klager opnieuw een klacht tegen verweerder ingediend, de onderhavige klacht. 

3    KLACHT
3.1    De onderhavige klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder het volgende: 
a)    verweerder heeft niet gereageerd op aangetekende e-mails van mr. H van 9 en 20 april 2025;
b)    verweerder heeft klager bewust op kosten gejaagd door te weigeren de e-mails van mr. H in ontvangst te nemen, waardoor klager genoodzaakt was een deurwaarder in te schakelen om verweerder te kunnen bereiken;
toelichting klachtonderdelen a en b: Volgens klager heeft verweerder zich onbetamelijk gedragen door niet te reageren op de e-mails van mr. H en heeft verweerder hiermee klager bewust op kosten gejaagd. Pas nadat een deurwaarder was ingeschakeld heeft verweerder via zijn advocaat mr. L gereageerd op de e-mails. Dat verweerder niet met klager wenste te communiceren door de toonzetting en het taalgebruik van klager is een verdraaiing van de feiten. Daarbij ging het hier om een verzoek van mr. H en niet van klager zelf. Door de weigering om te reageren heeft klager noodgedwongen een deurwaarder moeten inschakelen met extra kosten tot gevolg.  
c)    verweerder heeft samengespannen met zijn advocaat, mr. L, door samen te weigeren de e-mails van mr. H in ontvangst te nemen;
d)    verweerder heeft in het beroepschrift aan het hof van discipline gelogen over het feit dat hij op 29 oktober 2023 een herseninfarct heeft gehad waarvoor hij op 1 november 2023 uit het ziekenhuis werd ontslagen;
toelichting: Volgens klager is het aantoonbaar onjuist dat hij op 29 oktober 2023 een herseninfarct heeft gehad. Met zijn leugens over het herseninfarct heeft verweerder het hof van discipline bewust misleid. 
e)    verweerder heeft geen actie ondernomen voor klager om diens schade te beperken nadat verweerder een beroepsfout had gemaakt door een termijn te laten verlopen;
toelichting: Als verweerder zijn werkzaamheden voor klager goed en integer zou hebben uitgevoerd en zijn beroepsfouten zou hebben hersteld, dan was de eerste klachtprocedure tegen verweerder volgens klager niet nodig geweest. Verweerder heeft geen enkele inspanning verricht om de schade voor klager te beperken en dat doet verweerder nog steeds niet. 
3.2    De raad zal hierna op de klachtonderdelen ingaan. 

4    VERWEER 
Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan. 

5    BEOORDELING
Maatstaf
5.1    Naar vaste jurisprudentie van het Hof van Discipline dient de tuchtrechter bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, onder andere inhoudende dat advocaten zich dienen te onthouden van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt.  Artikel 10a van de Advocatenwet bevat de kernwaarden onafhankelijkheid, partijdigheid, deskundigheid, (financiële) integriteit en vertrouwelijkheid die advocaten bij de uitoefening van hun beroep in acht dienen te nemen. Daarbij geldt dat een advocaat een bijzondere positie in de rechtsbedeling vervult. Een advocaat dient zich te onthouden van handelingen waardoor het vertrouwen in de advocatuur als zodanig wordt geschaad, en dient zich te allen tijde te onthouden van een handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. De gedragsregels beogen invulling te geven aan de eisen die mogen worden gesteld aan een goede taakuitoefening door een behoorlijk advocaat. De tuchtrechter toetst aan de norm van artikel 46 van de Advocatenwet en niet aan de gedragsregels, waarbij de gedragsregels overigens zo nodig wel van betekenis kunnen zijn bij bedoelde toets.

 Ontvankelijkheid
5.2    Als meest verstrekkend verweer stelt verweerder dat de klachtonderdelen a, b, c en e al aan de raad zijn voorgelegd in de eerdere klachtprocedure, waarin de raad op 14 juli 2025 een beslissing heeft gegeven. Die klachtonderdelen dienen volgens klager daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard. Ook klachtonderdeel d. dient volgens verweerder niet-ontvankelijk te worden verklaard, omdat het klachtrecht niet is bedoeld om dit aan de orde te stellen. 
5.3    De raad overweegt als volgt. Ook in tuchtrechtelijke procedures geldt het zogenaamde ne bis in idem-beginsel. Dat beginsel houdt in dat niet voor een tweede maal kan worden geklaagd over een gedraging van een advocaat waarover de tuchtrechter al geoordeeld heeft. Daarnaast verzet dit beginsel zich ertegen dat een advocaat, nadat is geoordeeld over een klacht die een bepaald feitencomplex betreft, wordt geconfronteerd met een andere klacht van dezelfde klager die zijn grondslag vindt in datzelfde feitencomplex. Een advocaat moet er na de (onherroepelijke) beslissing van de tuchtrechter immers op kunnen vertrouwen dat de klacht definitief afgewikkeld is. Dit kan slechts anders zijn in uitzonderlijke omstandigheden waarbij klager feiten of omstandigheden aan de herhaalde klacht ten grondslag legt die hem bij de formulering van de eerdere klacht niet bekend waren en hem evenmin bekend konden zijn.
5.4    De raad volgt verweerder ten aanzien van de ontvankelijkheid enkel ten aanzien van klachtonderdeel e. Dit klachtonderdeel is ook al bij de eerdere klachtprocedure aan de orde geweest en zal daarom niet nogmaals door raad worden beoordeeld. De klachtonderdelen a, b, c en d zijn wel ontvankelijk, omdat het hier gaat om gedragingen van klager en gebeurtenissen die zich na de eerdere zitting bij de raad hebben voorgedaan (d) of al wel hebben plaatsgevonden voor de zitting bij de raad, maar toen niet zijn meegenomen in de behandeling aldaar (a, b en c). Die klachtonderdelen zal de raad hierna bespreken. 
Klachtonderdeel a): niet reageren op e-mails van 9 en 20 april 2025
5.5    De betreffende e-mails waren zogenoemde aangetekende e-mails. Verweerder heeft hierover ter zitting bij de raad verklaard dat hij die mogelijkheid niet kende en de mails daarom niet geopend heeft. Wat daar ook van zij, verweerder heeft wel gereageerd op 30 april 2025. Dat had naar het oordeel van de raad sneller gekund, maar die reactie is ook weer niet zodanig laat dat dit klachtwaardig is. Dit klachtonderdeel zal de raad daarom ongegrond verklaren. 
Klachtonderdeel b) en c): klager bewust op kosten jagen door de e-mails te weigeren en samenspannen met zijn advocaat mr. L
5.6    Ook deze beide klachtonderdeel zal de raad ongegrond verklaren. Dat verweerder klager door de e-mails niet te openen bewust op kosten zou hebben gejaagd en daarin zou hebben samengespannen met zijn advocaat is door verweerder betwist en is door klager verder niet onderbouwd en is de raad ook overigens niet gebleken. 
Klachtonderdeel d) liegen in beroepschrift naar het Hof van Discipline over een herseninfarct
5.7    In het beroepschrift aan het Hof van Discipline heeft klager vermeld dat hij op 29 oktober 2023 een herseninfarct heeft gehad. Op de mondelinge behandeling bij de raad heeft verweerder verklaard dat hij zich heeft vergist in het jaartal en dat dit 29 oktober 2024 moet zijn, zoals hem inmiddels uit zijn medisch dossier is gebleken. De raad ziet hierin geen tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen. Dat hij heeft gelogen zoals klager stelt is niet komen vast te staan. Overigens is het hoger beroep door klager – zo verklaarde hij ter zitting bij de raad – om hem moverende redenen ook weer ingetrokken. De raad zal ook dit klachtonderdeel ongegrond verklaren. 

BESLISSING
De raad van discipline:
-    verklaart klachtonderdeel e) niet-ontvankelijk;
-    verklaart de overige klachtonderdelen ongegrond.

Aldus beslist door mr. W. Aardenburg, voorzitter, mr. K.C. van Hoogmoed en mr. J.C. Ellerman, leden, bijgestaan door mr. H.P.J. Meijerink als griffier en uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 2026.


Griffier    Voorzitter

Verzonden op: 19 oktober 2026