ECLI:NL:TADRAMS:2026:232 Raad van Discipline Amsterdam 26-285/A/NH
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2026:232 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 19-10-2026 |
| Datum publicatie: | 23-10-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-285/A/NH |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Raadsbeslissing. Klacht tegen de advocaat van de wederpartij. Verweerster heeft klager in een van haar stukken het Münchhausen-by-proxy-syndroom toegedicht, zonder dat hieraan een medische diagnose ten grondslag lag. Naar het oordeel van de raad diende de vermelding van dit syndroom, ook al was dat tussen haakjes gezet, geen kennelijk doel en was daarmee onnodig en grievend. Het gaat hier bovendien om een familierechtzaak, waarbij een advocaat – vanwege de vaak hoog oplopende emoties en gevoelige verhoudingen – de nodige terughoudendheid moet betrachten om escalatie te voorkomen. Klacht gegrond zonder oplegging van een maatregel. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 19 oktober 2026
in de zaak 26-285/A/NH
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over
verweerster
gemachtigde: mr. Y. Weggemans-Bruin
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 20 juni 2025 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het
arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.
1.2 Op 1 april 2026 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk mr/ss/25-322/2499627
van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 7 september 2026. Daarbij
waren klager en verweerster aanwezig. Verweerster werd bijgestaan door haar hiervoor
genoemde gemachtigde. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van
de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 7.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier
en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Klager en zijn ex-echtgenote zijn verwikkeld in een procedure bij de rechtbank
over een omgangsregeling met betrekking tot hun zoon. In die procedure heeft verweerster
de ex-echtgenote van klager bijgestaan.
2.3 Op 11 juni 2025 heeft een mondelinge behandeling bij de rechtbank plaatsgevonden
met betrekking tot het bovenstaande.
2.4 In een processtuk heeft verweerster opgenomen: ‘Daarnaast heeft moeder ervaren
dat zij op commando van vader (..naam minderjarige ..) frequent naar de huisarts brengen
voor onschuldige zaken (Münchhausen-by-proxy-syndroom) zoals een krasje of blauwe
plek (...)’.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt
verweerster dat hij zich onnodig grievend heeft uitgelaten door klager op de zitting
van 11 juni 2025 te diagnosticeren met het Münchhausen-by-proxy-syndroom.
3.2 De raad zal hierna op de klacht ingaan.
4 VERWEER
Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig,
op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
Maatstaf
5.1 Naar vaste jurisprudentie van het Hof van Discipline dient de tuchtrechter
bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat
verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven
normen, onder andere inhoudende dat advocaten zich dienen te onthouden van enig handelen
of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. Artikel 10a van de Advocatenwet
bevat de kernwaarden onafhankelijkheid, partijdigheid, deskundigheid, (financiële)
integriteit en vertrouwelijkheid die advocaten bij de uitoefening van hun beroep in
acht dienen te nemen. Daarbij geldt dat een advocaat een bijzondere positie in de
rechtsbedeling vervult. Een advocaat dient zich te onthouden van handelingen waardoor
het vertrouwen in de advocatuur als zodanig wordt geschaad, en dient zich te allen
tijde te onthouden van een handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt.
De gedragsregels beogen invulling te geven aan de eisen die mogen worden gesteld aan
een goede taakuitoefening door een behoorlijk advocaat. De tuchtrechter toetst aan
de norm van artikel 46 van de Advocatenwet en niet aan de gedragsregels, waarbij de
gedragsregels overigens zo nodig wel van betekenis kunnen zijn bij bedoelde toets.
5.2 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle
advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen
cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang
van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen
van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen
zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten
niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel
van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is.
Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie
te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het
voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij
aan de wederpartij toebrengen.
5.3 In een van haar processtukken heeft verweerster opgenomen: ‘Daarnaast heeft moeder ervaren dat zij op commando van vader (..naam minderjarige ..) frequent naar de huisarts brengen voor onschuldige zaken (Münchhausen-by-proxy-syndroom) zoals een krasje of blauwe plek (...)’. De raad is van oordeel dat het noemen van het syndroom in het processtuk, ook al is dat terloops en tussen haakjes gezet, geen kennelijk doel diende en dus onnodig was. Het gaat hier om het benoemen van een psychische stoornis, die door professionals vaak wordt gezien als kindermishandeling en dus een heftige term is om te gebruiken. In het voorliggende geval ligt er geen medische diagnose aan de kwalificatie ten grondslag. De raad kan zich daarom goed voorstellen dat klager dit als grievend heeft en ervaren en - zoals hiervoor al gemeld - was het vermelden van deze kwalificatie niet nodig. Het gaat hier bovendien om een familierechtzaak, waarbij de advocaat – vanwege de vaak hoog oplopende emoties en gevoelige verhoudingen – de nodige terughoudendheid moet betrachten om escalatie te voorkomen. Daarmee is de vermelding van deze psychische stoornis gelet op bovengemelde maatstaf naar het oordeel van de raad onnodig grievend. De namens verweerster ter zitting bij de raad overgelegde uitspraak van het Hof van Discipline waarin anders is geoordeeld, is, anders dan verweerster meent, naar het oordeel van de raad niet vergelijkbaar. In die zaak is geen beladen psychische stoornis genoemd zonder onderliggende diagnose. In die zaak ging het om vermeend huiselijk geweld, wat niet nader werd onderbouwd. De term huiselijk geweld is een meer omvattend begrip dat nadere invulling behoeft. Dat is anders dan een specifieke aanduiding waarmee iemand een geestelijke stoornis wordt toegedicht, zonder dat daaraan een diagnose ten grondslag ligt. Verweerster heeft nog aangevoerd dat zij slechts de mening van haar cliënte heeft weergegeven; dat blijkt echter expliciet niet uit het processtuk en bovendien heeft verweerster een eigen verantwoordelijkheid om geen onnodig grievende termen te bezigen. De raad zal de klacht gegrond verklaren.
6 MAATREGEL
6.1 Nu de raad de klacht gegrond verklaard is de vraag of aan verweerster een
maatregel dient te worden opgelegd en zo ja welke.
6.2 De raad neemt hierbij in overweging dat verweerster kort nadat zij vernam
dat klager zich hierdoor gegriefd voelde – door de hem ingediende klacht bij de deken
– haar excuses heeft aangeboden aan klager. Verder heeft verweerster verklaard zich
inmiddels te realiseren dat de gebezigde term een zeer beladen lading heeft en dat
zij bij het opstellen van het verweerschrift zorgvuldiger had moeten afwegen of het
gebruik van de term passend en geboden was. Zij is uitgegaan van de juistheid van
de door haar cliënte verstrekte informatie, maar besefte achteraf dat het gebruik
van de term onjuist en ongepast was. Verweerster heeft naar het oordeel
van de raad ook niet echt de kans gekregen om een en ander met klager te bespreken
in een minder formele setting. Op 11 juni 2025 was de zitting bij de rechtbank en
op 20 juni 2025 heeft klager zijn klacht bij de deken ingediend. Eerst toen heeft
verweerster beseft dat het gebruik van de term klager hadden geraakt en gekwetst.
Op 27 juni 2025 heeft zij vervolgens haar excuses aan klager aangeboden. Deze omstandigheden
in overweging nemende is de raad van oordeel dat aan verweerster geen maatregel wordt
opgelegd.
7 GRIFFIERECHT
Omdat de raad de klacht gegrond verklaart, moet verweerster op grond van artikel
46e lid 5 Advocatenwet het door klager betaalde griffierecht van € 50,- aan hem vergoeden
binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klager geeft binnen
twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerster
door.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart de klacht gegrond;
- bepaalt dat geen maatregel wordt opgelegd;
- veroordeelt verweerster tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klager.
Aldus beslist door mr. W. Aardenburg, voorzitter, mr. K.C. van Hoogmoed en mr. J.C. Ellerman, leden, bijgestaan door mr. H.P.J. Meijerink als griffier en uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 19 oktober 2026