ECLI:NL:TADRAMS:2026:231 Raad van Discipline Amsterdam 26-688/A/NH
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2026:231 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 19-10-2026 |
| Datum publicatie: | 23-10-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-688/A/NH |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing; klacht kennelijk ongegrond. Verweerder was niet gehouden om klager bij te staan in zaken waarin hij dat niet heeft toegezegd. Het stond verweerder vrij om prioriteit te geven aan een lopende procedure in plaats van aan een andere zaak van klager. Verweerder was niet gehouden om gevolg te geven aan het verzoek van klager om tot wraking over te gaan. Verweerder heeft zich niet onnodig kwetsend over klager uitgelaten. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 19 oktober 2026
in de zaak 26-688/A/NH
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerder
De voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Noord-Holland (hierna: de deken) van 3 augustus 2026 met kenmerk bb/26-059/2555493, door de raad digitaal ontvangen op dezelfde datum, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 12. Daarnaast heeft de voorzitter kennisgenomen van de e-mails van klager van 31 augustus en 18 september 2026.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier,
uit van de volgende feiten.
1.1 Verweerder heeft klager vanaf 2013 als advocaat bijgestaan in verschillende
kwesties van uiteenlopende aard, waaronder een civielrechtelijke kwestie tegen een
voormalig rechter en de Staat.
1.2 Vanaf september 2022 tot februari 2024 verbleef klager in een penitentiaire
inrichting. Klager heeft met succes geklaagd over een aantal aldaar aan hem opgelegde
maatregelen. Daarin werd klager bijgestaan door verweerder.
1.3 In 2023 heeft verweerder klager bijgestaan in een strafzaak.
1.4 In 2024 heeft een bank, hierna: “de bank”, de bankrekening van klager geblokkeerd.
Klager heeft hierover geklaagd bij het Klachteninstituut financiële dienstverlening,
hierna: “het Kifid”. Klager werd in die klachtprocedure bijgestaan door een andere
advocaat. Het Kifid heeft de klacht van klager gegrond verklaard.
1.5 Klager heeft vervolgens verweerder verzocht om verdere bijstand in het geschil
met de bank.
1.6 Op 3 juni 2025 heeft klager aan verweerder een bericht gestuurd. Daarin schrijft
klager:
“Hoe zijn de vorderingen qua [bank]? Op 30 April zou je een overleg hebben met [contactpersoon]
over de strategie. Ik heb nu al 5 weken niets meer gehoord.”
1.7 Verweerder heeft dezelfde dag gereageerd op dit bericht van klager met de
tekst:
“Ik heb ook al enige tijd niet van [contactpersoon] vernomen. Ik stuur hem vandaag
een bericht om te vragen hoe het ervoor staat.”
1.8 Klager heeft verweerder vervolgens, eveneens op 3 juni 2025, het volgende
bericht gestuurd:
“Dus nu ben jij opeens volledig afhankelijk van [contactpersoon]??? Ik dacht dat
jij advocaat bent en niet hij, but maybe im wrong.
En dat overleg is dus blijkbaar niet doorgegaan?”
1.9 Verweerder heeft, nog steeds op 3 juni 2025, gereageerd met:
“Overleg was er destijds wel en toen is afgesproken dat [contactpersoon] nog nader
onderzoek zou doen. Als advocaat kan ik pas iets doen nadat ik input/ informatie van
[contactpersoon] heb gekregen.”
1.10 In oktober 2025 heeft verweerder namens klager een omroep aansprakelijk
gesteld. Deze aansprakelijkstelling zag op schade die klager stelt te hebben geleden
in verband met een uitzending van de omroep, althans de aankondiging daarvan door
de omroep.
1.11 In november 2025 vond de mondelinge behandeling van een door klager gestarte
schadestaatprocedure tegen een voormalig rechter en tegen de Staat plaats. Verweerder
stond klager bij in deze procedure.
1.12 Klager heeft verweerder vervolgens verzocht om een van de rechters in deze
zaak, hierna “V”, te wraken.
1.13 Op 9 december 2025 heeft klager aan verweerder een bericht gestuurd met
de tekst:
“Je weigert dit te checken? Je weigert [omroep] te dagvaarden zoals meerdere malen
toegezegd? Just for the record zodat ik weet waar ik aan toe ben.”
1.14 Verweerder heeft op dezelfde dag als volgt gereageerd:
“Wat maakt het uit. Ik kan niet achterhalen of het dezelfde [V] is. En zelfs als
dat zo zou zijn: dat hij zich ooit 12 jaar geleden uit een zaak heeft teruggetrokken
zegt helemaal niets over zijn positie nu. Ik had niet de indruk dat we te maken [hadden
met] partijdige rechters, dus ik ga niet wraken of wat dan ook. Desnoods maar weer
overleg met [contactpersoon]? Ik roep in herinnering dat je in november 2017 het hof
Den Bosch ook wilde wraken en ik dat weigerde. Vervolgens kwam er een voor jou zeer
gunstige uitspraak. Dagvaarding [omroep] is in voorbereiding.”
1.15 Op 16 december 2025 heeft klager aan verweerder een bericht gestuurd, waarin
hij schrijft:
[V] begon als rechter in 2008 in Rotterdam. Dat betekent dus dat zijn periode bij
[advocatenkantoor] daarvoor is geweest. De zaak [voormalig rechter] begon bij [advocatenkantoor]
in 2004. De kans is dus aanzienlijk dat [V] daar destijds ZELF bij betrokken was namens
[advocatenkantoor], zeker gezien zijn praktijk van het bijstaan van het Ministerie
van Justitie. De Raad voor de Rechtspraak die de procedure startte valt min of meer
onder het Ministerie. De leading partner die de zaak namens [advocatenkantoor] aanbracht
destijds was [B]. Toen de zaak een nachtmerrie werd en [voormalig rechter] met vervroegd
pensioen werd gestuurd, kickte [advocatenkantoor] [B] eruit en werd deze raadsheer
bij het Hof in Amsterdam. Het lijkt me op je weg liggen aan de rechtbank Rotterdam
te vragen of [V] zelf betrokken is geweest bij de zaak [voormalig rechter].”
1.16 Verweerder heeft eveneens op 16 december 2025 als volgt gereageerd op het
bericht van klager:
Ik heb gedaan wat ik kon. We weten helemaal niet zeker of hij ooit bij de zaak [voormalig
rechter] betrokken is geweest. [Advocatenkantoor] was ook toen al een groot kantoor
met zeker 100 advocaten ofzo. Het is dus ook goed mogelijk dat hij er helemaal niet
bij betrokken was. Hoe dan ook: het ligt nu in zijn handen, ik heb hem in overweging
gegeven zich terug te trekken als hij tot de conclusie komt dat er terechte vragen
zijn over zijn onafhankelijkheid. Meer kan en ga ik niet doen.”
1.17 Op 4 februari 2026 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt
verweerder het volgende:
a) verweerder heeft geweigerd om de omroep te dagvaarden nadat hij dit meerdere
malen expliciet heeft beloofd;
b) verweerder heeft geweigerd om de bank te dagvaarden na onrechtmatige liquidatie
van de bankrekening van klager;
c) verweerder heeft geweigerd om een penitentiaire inrichting aansprakelijk te
stellen;
d) verweerder heeft geweigerd om niet-ontvankelijkheid in te roepen jegens het
OM;
e) verweerder heeft geweigerd een rechter te wraken in een schadestaatprocedure
tegen de Staat;
f) verweerder heeft geweigerd in actie te komen tegen een journalist;
g) verweerder heeft klager in zijn verweer op de klacht van klager een complotdenker
genoemd.
3 VERWEER
3.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna,
waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
Maatstaf
4.1 De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende
klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel
46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel
10a Advocatenwet. Bij de beantwoording van de vraag of een advocaat zich betamelijk
heeft gedragen als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet geldt als uitgangspunt dat de
tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen
als daarover wordt geklaagd. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen
als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de
beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij
een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat
bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet
onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat
worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk
moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag
worden verwacht.
Beoordeling
Klachtonderdelen a), b), c), d), e) en f)
4.2 Deze klachtonderdelen zien erop dat verweerder geen gevolg heeft gegeven
aan meerdere verzoeken van klager en lenen zich daarom voor gezamenlijke behandeling.
4.3 In de eerste plaats verwijt klager verweerder dat hij niet is overgaan tot
het dagvaarden van de omroep. Daarnaast verwijt klager verweerder dat hij heeft nagelaten
om de bank in rechte aan te spreken tot schadevergoeding, dit terwijl eerder een klacht
van klager over blokkering van de bankrekening door de bank gegrond was verklaard
door het Kifid. Bovendien heeft verweerder nagelaten om een penitentiaire inrichting
namens klager aansprakelijk te stellen. Klager stelt verder dat verweerder heeft geweigerd
om niet-ontvankelijkheid van het OM in te roepen. Verweerder heeft ook geen gevolg
gegeven aan het verzoek van klager om in een schadestaatprocedure een rechter te wraken.
Tot slot heeft verweerder geweigerd om voor klager op te treden tegen een journalist.
4.4 De voorzitter stelt voorop dat er op verweerder geen verplichting rustte
om verzoeken van klager om hem bij te staan te honoreren. De omstandigheid dat klager
verweerder in het verleden wel heeft bijgestaan, maakt dit niet anders. Verweerder
was dus niet gehouden om klager bij te staan in de zaken waarin hij dat niet heeft
toegezegd.
4.5 De voorzitter volgt verweerder daarnaast in het verweer dat het hem vrijstond
om prioriteit te geven aan de lopende schadestaatprocedure, in plaats van aan het
geschil van klager met de omroep. Iedere advocaat heeft immers een eigen verantwoordelijkheid
om te bepalen met welke aanpak de belangen van de cliënt het beste zijn gediend en
dit kan betekenen dat de advocaat niet (of nog niet) bereid is om alle procedurele
stappen te nemen die een cliënt wenst dan wel op de wijze die een cliënt wenst.
4.6 Wat betreft de strafzaak waarin verweerder klager bijstond, kan de voorzitter
de feitelijke grondslag voor het verwijt van klager niet vaststellen. Verweerder heeft
namelijk aangevoerd dat hij in deze strafzaak juist wel de niet-ontvankelijkheid van
het OM heeft ingeroepen. Klager heeft het door hem gemaakte verwijt tegenover het
gemotiveerde verweer van verweerder onvoldoende onderbouwd. Aldus is niet gebleken
dat het optreden van verweerder is achtergebleven bij hetgeen van een redelijk bekwaam
en redelijk handelend advocaat mag worden verwacht.
4.7 Gelet op de eigen verantwoordelijkheid die een advocaat heeft om te bepalen
met welke aanpak de belangen van de cliënt het beste zijn gediend, was verweerder
niet gehouden om gevolg te geven aan het verzoek van klager om tot wraking over te
gaan. Verweerder heeft in dit verband aangevoerd dat hij geen reden zag om te twijfelen
aan de onpartijdigheid van de desbetreffende rechter. Dat oordeel van verweerder acht
de voorzitter niet onbegrijpelijk. Daarbij heeft verweerder nog naar voren gebracht
dat hij, in plaats van te wraken, met instemming van klager de desbetreffende rechter
in overweging heeft gegeven om zich te verschonen in deze zaak. Dit laatste heeft
klager niet of onvoldoende weersproken.
4.8 In het licht van de door klager ingediende tuchtklacht en het daaruit blijkende
wantrouwen van klager, acht de voorzitter het overigens begrijpelijk dat verweerder
niet meer bereid is om nog langer voor klager op te treden. Dit levert, voor zover
klager heeft beoogd hierover te klagen, evenmin een tuchtrechtelijk verwijt op.
4.9 Uit het voorgaande volgt dat de voorzitter klachtonderdeel a), b), c), d),
e) en f) kennelijk ongegrond zal verklaren.
Klachtonderdeel g) verweerder heeft klager een complotdenker genoemd
4.10 In zijn verweer op de onderhavige klacht heeft verweerder naar voren gebracht
dat klager een complotdenker is. Dit acht klager tuchtrechtelijk verwijtbaar.
4.11 In het kader van een tuchtrechtelijke procedure als de onderhavige mag verweerder
zich niet onnodig kwetsend uitlaten over klager. De voorzitter oordeelt op grond van
de inhoud van het verweer dat verweerder zich niet onnodig kwetsend over klager heeft
uitgelaten. Binnen de context van deze tuchtrechtelijke procedure is de door verweerder
gebruikte benaming functioneel, mede omdat klager gezien het klachtdossier klaarblijkelijk
van mening is dat verweerder samenwerkt met wederpartijen van klager. Het stond verweerder
in dit licht vrij om klager een “complotdenker” te noemen. Het is duidelijk dat klager
de benaming “complotdenker” als beledigend en beschuldigend ervaart, maar dat betekent
niet dat verweerder hiermee klachtwaardig heeft gehandeld. De voorzitter leest in
deze benaming bovendien niet de kwalificatie als “minderwaardig mens” die klager daaraan
koppelt.
4.12 Ook dit klachtonderdeel slaagt gelet op het voorgaande niet.
Conclusie
4.13 Op grond van het voorgaande zal de voorzitter de klacht in alle onderdelen
kennelijk ongegrond verklaren.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, in alle onderdelen kennelijk
ongegrond.
Aldus beslist door mr. M.V. Ulrici, voorzitter, bijgestaan door mr. P.H.A. Neuschäfer als griffier en uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 19 oktober 2026