ECLI:NL:TADRAMS:2026:230 Raad van Discipline Amsterdam 26-687/A/NH

ECLI: ECLI:NL:TADRAMS:2026:230
Datum uitspraak: 19-10-2026
Datum publicatie: 20-10-2026
Zaaknummer(s): 26-687/A/NH
Onderwerp: Grenzen van het tuchtrecht, subonderwerp: Advocaat in overige hoedanigheden
Beslissingen: Voorzittersbeslissing
Inhoudsindicatie: voorzittersbeslissing. Niet kan worden vastgesteld dat verweerder in de hoedanigheid van (middellijk) bestuurder van M BV het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad. Het is niet aan de tuchtrechter om over de onderliggende zaak een inhoudelijk oordeel te geven, daarvoor staan andere juridische wegen open. Uit de feiten volgt dat verweerder in de daarin genoemde kwesties niet als advocaat voor klagers heeft opgetreden. Verweerder heeft in relatie tot klager(s) gehandeld als bestuurder van zijn eigen vennootschap, als (indirect) bestuurder van M BV en/of namens zichzelf privé. Niet valt in te zien waarom verweerder daarbij niet (mede) zijn eigen (zakelijke) belangen voorop mocht stellen. Uit de overgelegde stukken is de voorzitter verder gebleken dat verweerder telkens duidelijk heeft gemaakt in welke hoedanigheid hij met klagers communiceerde, zodat eventuele verwarring daarover bij klagers hem tuchtrechtelijk niet kan worden aangerekend. Kennelijk ongegrond.

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort  Amsterdam
van 19 oktober 2026

in de zaak 26-687/A/NH


naar aanleiding van de klacht van:

  1.  
  2.  

samen ook: klagers

over

verweerder

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Noord-Holland (hierna: de deken) van 3 augustus 2026 met kenmerk mr/ss/25-566/2539358 en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen. Ook heeft de voorzitter kennisgenomen van de e-mail van 1 september 2026 van klagers.

1 FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.

1.1 Op 1 november 2017 heeft klager 1 aan verweerder privé twee kamers verhuurd in een aan klager 1 in eigendom toebehorende woning.

1.2 Op 16 juli 2018 heeft verweerder, als enig bestuurder en aandeelhouder van de besloten vennootschap [X] B.V., aan klager 1 een bedrag van € 40.000,- geleend. In 2022 is deze lening door klager 1 afgelost.

1.3 Klagers en verweerder, via zijn besloten vennootschap [Y] B.V., zijn aandeelhouders in de besloten vennootschap [Z] B.V. (hierna: [Z]). [Z] is eigenaresse van een woning die inpandig gerenoveerd zou worden voor bewoning en verhuur aan een specifieke doelgroep.

1.4 Op 24 augustus 2024 heeft verweerder als (middellijk) bestuurder van [Z] aan klager(s) een WhatsAppbericht gestuurd met als aanhef: ‘Hi pseudo vriend’. In dat bericht heeft verweerder gemeld welke zaken nog van klager(s) nodig zijn om de woning in te richten en dat hij op korte termijn een aandeelhoudersvergadering zal bijeenroepen.

1.5 Op 3 november 2024 heeft verweerder als (middellijk) bestuurder van [Z] aan klager(s) in een WhatsAppbericht zijn ongenoegen uitgesproken dat hij zijn spullen na beëindiging van de bruikleenovereenkomst niet heeft teruggekregen. Dit bericht eindigt met het woord ‘profiteur’.

1.6 Op 9 mei 2025 heeft verweerder als bestuurder van zijn vennootschap [Y] B.V. aan klagers onder meer geschreven dat de interne renovatie van de woning vrijwel klaar is en dat op basis van de inschatting van het bestuur van [Z] voor volledige voltooiing daarvan nog circa 50K nodig is. Verweerder vermeldt daarbij dat, gelet op de aandeelhoudersverhoudingen binnen [Z], dat neerkomt op een bijdrage van € 2.000,- voor ieder van klagers en van € 46.000,- voor verweerder als aandeelhouder. Verder heeft verweerder aan klagers geschreven:

Tot op heden is onze financier steeds bereid gebleken om de benodigde middelen ter beschikking te stellen waarvan onder meer timmerman, installateur en een vaatwasser zijn bekostigd. Het moge jullie duidelijk zijn dat [Z] tegen aanzienlijke meerkosten is aangelopen vanwege jullie eenzijdige beëindiging van de vrijwilligersovereenkomst. Een vrijwilligersovereenkomst die ik zelf wel ben blijven nakomen door arbeid in de vorm van schilderwerk, het leggen en storten van vloeren en het aansturen van aannemer, te verrichten.

Ondertussen is de kredietlimiet bij onze financier bereikt en is er geen bereidheid om deze verder te verhogen. (…)

Het komt er dus op neer dat de enig exit strategie een ‘flip’ zal zijn waarbij de woning wordt verkocht in volledig gerenoveerde nieuwstaat. Om dat einddoel te bereiken, zijn nog de laatste investeringen nodig. De inschatting van het bestuur is dat de woning na het plegen van deze investeringen uiteindelijk circa EUR 450K kan opleveren. 

Graag verneem ik dan ook of jullie bereid zijn [Z] een aandeelhouderslening te verstrekken om het daarheen te leiden. Ook ontvang ik graag jullie toestemming via de mail om opdracht te kunnen verstrekken aan een makelaar. De woning kan dan meteen na uitvoering van de werkzaamheden te koop worden aangeboden. Onder verwijzing naar de oprichtingsakte van [Z] heeft het bestuur goedkeuring van de aandeelhouders nodig bij vervreemding van onroerende zaken en de notaris zal het bestuur bij een levering om die goedkeuring vragen.

Jullie reactie zie ik graag binnen zeven dagen tegemoet, zodat op korte termijn opdracht kan worden verstrekt ten behoeve van de uitvoering van de werkzaamheden. Mocht ik niet of niet tijdig van jullie vernemen, dan zal het bestuur een formele aandeelhoudersvergadering uitschrijven waarvoor jullie dan per aangetekende post een uitnodiging zullen ontvangen.

1.7 In zijn e-mail van 17 mei 2025 heeft verweerder als middellijk bestuurder van [Z] aan klagers onder meer geschreven:

Ik breng in herinnering dat jullie eerder op stel en sprong je investering in [Z] terug wilden. Zoals het bestuur duidelijk uiteen heeft gezet, is de enig mogelijke manier om jullie investering terug te krijgen een verkoop van de woning in gerenoveerde nieuwstaat. Daar zijn echter nog wel de laatste investeringen voor nodig. Uit jullie stilzwijgen leid ik af dat er geen bereidheid is om nog verder bij te dragen aan de afronding van het project. Het onthouden van toestemming aan het bestuur om tot verkoop over te gaan, valt daarbij niet te rijmen met het eerder opeisen van de investering. Kennelijk willen jullie wel van de waarde creatie profiteren, maar daar niets voor opofferen. Zoveel is mij inmiddels duidelijk. (…)

Ook heeft verweerder in dezelfde e-mail van 17 mei 2025 klagers opgeroepen voor een formele aandeelhoudersvergadering op 4 juli 2025 om 19.00 uur, waarbij hij de agendapunten heeft meegestuurd en heeft geschreven:

Voor zover jullie niet voornemens zijn om te verschijnen, dan verneem ik dat graag, want dan kan ik mij die moeite besparen. Overigens kan vervolgens eenvoudigweg een tweede aandeelhoudersvergadering worden uitgeschreven waarbij dan ongeacht het vertegenwoordigde kapitaal de grootaandeelhouder alle noodzakelijke besluiten, zoals hiervoor uiteengezet, zal nemen.

1.8 Op 4 juli 2025 om 17:22 uur heeft verweerder als middellijk bestuurder van [Z] aan klagers relevante informatie toegestuurd voor de aandeelhoudersvergadering om 19.00 uur die avond en aangekondigd dat de vergadering ook buiten hun aanwezigheid doorgang zal vinden en dat de volgende vergadering op 1 augustus 2025 zal zijn. Om 15:59 uur heeft klager 1 aan verweerder bericht niet op de vergadering aanwezig te zijn wegens een onjuiste oproeping. Om 19:50 uur heeft verweerder aan klagers geschreven:

Toch een no show? Echt een stelletje showstoppers zijn jullie. Zie jullie dan 1 augustus a.s. wel of niet natuurlijk; zelf weten. De benodigde besluiten zullen dan in ieder geval ook zonder jullie genomen kunnen worden. 

1.9 Op 9 juli 2025 hebben klagers hun aandelen in [Z] verkocht aan de ouders van verweerder. De ouders van verweerder (hierna: de kopers) hebben met klagers daarover een geschil gekregen.  

1.10 Op 10 juli 2025 heeft verweerder privé aan klagers geschreven dat hij, als gevolg van de eerdere aanvaring met klager 1, hun gezamenlijke beleggingsrekening zal opheffen en dat hij klagers zal compenseren voor hun inleg.

1.11 In een brief van 10 december 2025 hebben klagers aan de kopers en aan verweerder, in diens hoedanigheid van vertegenwoordiger van kopers en (middellijk) bestuurder van [Z], met kopie aan de betrokken notaris, geschreven dat zij met onmiddellijke ingang de koopovereenkomst van 9 juli 2025 vernietigen en de koopsom van € 8.000,- terugstorten op de rekening van de koper. Ook hebben zij hierin laten weten niet aan de levering van de aandelen mee te zullen werken. Klagers hebben verder geschreven:

Gronden voor vernietiging De overeenkomst is tot stand gekomen onder invloed van wilsgebreken, veroorzaakt door het onrechtmatig handelen van uw vertegenwoordiger en de bestuurder van de vennootschap, [verweerder].

Misbruik van omstandigheden (Afpersing & Verzwijging): [Verweerder] wist – blijkens zijn e-mail van 9 mei 2025 – dat de werkelijke verkoopwaarde van het vastgoed circa € 450.000,- bedroeg. Desondanks heeft hij verkopers bewogen de aandelen over te dragen tegen een nominale waarde van slechts € 4.000,- (minder dan 2% van de werkelijke waarde). Hij heeft dit bereikt door misbruik te maken van de afhankelijke positie en de juridische onwetendheid van verkopers. [Verweerder] creëerde bewust een financiële dwangpositie (‘squeeze-out) door plotseling te eisen dat aandeelhouders extra kapitaal zouden storten voor de afbouw. Hij heeft daarbij nagelaten aandeelhouders te informeren over de juridische gevolgen van niet-storten (zoals verwatering), maar presenteerde de situatie feitelijk zo dat ‘verkopen’ de enige overgebleven optie was. Hij ging hierbij volledig voorbij aan het feit dat verkopers hun bijdrage reeds in natura (jarenlange inspanningen voor de waardeontwikkeling) hadden voldaan en -in tegenstelling tot hemzelf- niet over de liquide middelen beschikten om bij te storten. Het eisen van een contante bijstorting (…) is door hem ingezet als drukmiddel om de aandelen goedkoop te verkrijgen. Had deze dwang en onvolledige voorlichting niet bestaan, dan hadden verkopers nimmer ingestemd met deze benadeling.

Bedrog en Manipulatie Boekwaarde: Ter administratieve rechtvaardiging van de extreem lage koopsom heeft [verweerder] zich bediend van jaarcijfers die een onjuist beeld geven. De substantiële waardevermeerdering door de jarenlange inbreng in natura van verkopers is door hem bewust buiten de boeken gehouden om de boekwaarde kunstmatig laag te houden.

Onrechtmatige Druk via Ongeldige Besluiten: Verkopers zijn tevens onder druk gezet met de dreiging van nadelige bestuursbesluiten (o.a. decharge, managementfee 15%) die genomen zouden zijn in de vergadering van 1 augustus jl. [Verweerder] wist –of behoorde als advocaat te weten- dat deze vergadering niet rechtsgeldig was bijeengeroepen wegens het ontbreken van de statutair vereiste tweede oproeping (art. 24 lid 2 statuten). Het gebruik van nietige besluiten als drukmiddel is onrechtmatig.(…)

Wij sommeren het bestuur (u, [verweerder]) om binnen 7 dagen na heden de volgende stukken (digitaal) aan ons te verstrekken over de periode vanaf oprichting (17 juli 2019) tot heden: (…)

1.12 Op 10 december 2025 hebben klagers bij de deken een klacht ingediend over verweerder.

2 KLACHT

2.1 De klacht houdt in, zakelijk weergegeven, dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:

a) klagers onder valse voorwendselen en dwang te hebben bewogen tot verkoop van hun aandelen aan zijn ouders voor een veel lagere waarde;

b) juridisch ongeldige middelen in te zetten om klagers onder druk te zetten en uit de besloten vennootschap [Z] te werken;

c) misbruik te maken van zijn juridische kennis door contracten en constructies op te tuigen die balanceren op de rand van de wet, waarbij de risico’s eenzijdig bij de wederpartij worden gelegd;

d) zijn eigen belang stelselmatig te laten prevaleren boven dat van klagers en de vennootschap;

e) te proberen zich de waardecreatie van klagers toe te eigenen door valselijk te stellen dat er sprake zou zijn van een mondelinge overeenkomst tot onbetaalde arbeid.

2.2 Klagers benadrukken dat hun klachten niet uitsluitend zien op belangenbehartiging in één afgebakende zaak, maar mede op het (deels) optreden als juridisch adviseur, het ontbreken van een duidelijke en kenbare rolafbakening bij de overgang naar andere hoedanigheden, en het vervolgens handelen in situaties waarin verweerder eigen zakelijke en financiële belangen nastreefde.

3 VERWEER

3.1 Verweerder heeft tegen de klacht onder meer het volgende verweer gevoerd.

3.2 Verweerder is geen partij bij de koopovereenkomst van de aandelen in [Z] die juist op verzoek van klagers met de ouders van verweerder is gesloten. Van misleiding of het verstrekken van onjuiste of onvolledige informatie kan geen sprake zijn geweest, omdat klagers de koopovereenkomst zelf tot stand hebben gebracht.

3.3 Verweerder stond zelf buiten de verkoop van de aandelen door klagers in [Z]. Hij wist niet dat klagers niet over de middelen zouden beschikken om de vennootschap van extra kapitaal te voorzien. Verweerder heeft klagers, in zijn hoedanigheid van (middellijk) bestuurder van [Z], periodiek op de hoogte gehouden van de voortgang van het project in de woning en de financiële resultaten van de vennootschap door toezending van de jaarcijfers. Klagers waren ook op de hoogte van de (geschatte) waarde van de woning.

3.4 Klagers hebben zoals was afgesproken vrijwilligerswerk in de woning van de vennootschap verricht. Dat klagers achteraf daarvoor geld hadden willen ontvangen, maakt nog niet dat sprake was van betaalde arbeid. Vrijwilligerswerk kan niet in geld worden uitgedrukt of gewaardeerd en wordt niet geactiveerd op de balans.

3.5 Van dwang of klemzetten met financiële dreigementen is geen sprake geweest. Een klachtprocedure kan niet als middel worden ingezet om alsnog betaling af te dwingen

3.6 Verweerder merkt op dat de leningsovereenkomst waar klager 1 op doelt dateert van 2018 en al in 2022 is afgelost. De boeteclausule is nimmer in werking getreden. De opgenomen bedingen kunnen niet als onredelijk of ongebruikelijk worden gekwalificeerd.

3.7 Verweerder betwist dat klagers fiscale lasten hebben gehad vanwege hun gezamenlijke beleggingsrekening. Klagers tonen dat ook niet aan. Beleggen brengt risico’s met zich mee en daar waren klagers op voorhand mee bekend. Klagers wisten ook dat het kantoor van verweerder een studeerkamer en een parkeerplaats huurde.

4 BEOORDELING

4.1 De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een over een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.

4.2 Ook als een advocaat optreedt in een andere hoedanigheid, bijvoorbeeld als privépersoon of als bestuurder, kan voor hem het advocatentuchtrecht blijven gelden. Als hij zich in die andere hoedanigheid gedraagt op een wijze waardoor het vertrouwen in de advocatuur wordt geschaad, zal in het algemeen sprake zijn van handelen of nalaten in strijd met hetgeen een behoorlijk advocaat betaamt. De advocaat zal in dat geval een tuchtrechtelijk verwijt gemaakt kunnen worden. Privégedragingen van een advocaat zijn overigens alleen dan tuchtrechtelijk van belang als er voldoende verband bestaat met de praktijkuitoefening of als de gedraging voor een advocaat in het licht van zijn beroepsuitoefening absoluut ongeoorloofd moet worden geacht en het vertrouwen in de advocatuur ondermijnt.

Klachtonderdeel a)

klagers onder valse voorwendselen en dwang te hebben bewogen tot verkoop van hun aandelen voor een veel lagere waarde;

4.3 Volgens klagers wist verweerder dat zij juridische leken zijn. Verweerder, werkzaam als advocaat en als bestuurder en boekhouder, heeft de ongelijkwaardigheid in kennis uitgebuit door complexe juridische constructies en gemanipuleerde cijfers te gebruiken.

4.4 Klagers hebben drie jaar lang substantiële inbreng in natura geleverd ten behoeve van de renovatie van de woning van [Z]. Verweerder heeft deze waardevermeerdering nimmer geactiveerd op de balans en de tijdsinvestering in natura van klagers systematisch buiten de boeken gehouden om de waarde van de aandelen te drukken.

4.5 Verweerder was zich volgens klagers terdege bewust van de werkelijke marktwaarde van de woning, die hij op € 450.000,- schatte. Dat klagers daarvan op de hoogte waren, maakt het handelen van verweerder des te verwijtbaarder. Volgens klagers heeft hij misbruik gemaakt van de situatie door – ondanks deze wetenschap – een verkoop van de aandelen tegen de gemanipuleerde boekwaarde (€ 4.000,-) af te dwingen. Verweerder heeft klagers feitelijk gedwongen om afstand te doen van hun aandelen voor minder dan 2% van de werkelijke waarde met behulp van financiële dreigementen.

4.6 Verweerder eiste plotseling een extra financiële investering van de aandeelhouders voor de afbouw van het project. Dit deed hij in de wetenschap dat klagers gedurende de voorgaande drie jaar reeds aan hun investeringsplicht hadden voldaan in de vorm van inbreng in natura en dat zij niet voornemens waren noch de middelen hadden om extra kapitaal te storten. Door de eis tot bijstorten als een harde verplichting te presenteren, creëerde verweerder bij klagers het beeld dat klagers geen andere uitweg hadden dan hun aandelen zo snel mogelijk van de hand te doen. Verweerder heeft hen hiermee bewogen om de aandelen voor een fractie van de werkelijke waarde aan zijn ouders over te dragen.

4.7 De juistheid van de hiervoor weergegeven verwijten kan de voorzitter, tegenover de betwisting daarvan door verweerder, niet vaststellen. Uit de stukken blijkt dat partijen meningsverschillen hadden, maar niet dat sprake is geweest van dwang of misleiding door verweerder. Dit betekent dat niet kan worden vastgesteld dat verweerder in zijn hoedanigheid van bestuurder van [Z] het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad, zodat klachtonderdeel a) kennelijk ongegrond zal worden verklaard.

Klachtonderdeel b)

juridisch ongeldige middelen in te zetten om klagers onder druk te zetten en uit de vennootschap te werken;

4.8 Volgens klagers dreigde verweerder als bestuurder van [Z] met nadelige bestuursbesluiten, terwijl de algemene aandeelhoudersvergadering waarop die besluiten waren genomen, niet rechtsgeldig bijeen was geroepen.

4.9 Het is niet aan de tuchtrechter om over de onderliggende zaak een inhoudelijk oordeel te geven. Voor de beantwoording van de vraag of de aandeelhoudersvergaderingen door verweerder rechtsgeldig zijn bijeengeroepen, staan andere juridische wegen open. Uit de stukken is de voorzitter niet gebleken dat verweerder met zijn handelen het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad. Klachtonderdeel b) wordt daarom kennelijk ongegrond verklaard.

Klachtonderdeel c)

misbruik te maken van zijn juridische kennis door contracten en constructies op te tuigen die balanceren op de rand van de wet, waarbij de risico’s eenzijdig bij de wederpartij worden gelegd;

4.10 Dit verwijt wordt door klagers onderbouwd door verwijzing naar de leningsovereenkomst die in 2018 tussen een vennootschap van verweerder en klager 1 is gesloten. Verweerder zou bij het opstellen hiervan misbruik hebben gemaakt van zijn juridische kennis ten nadele van klager 1. In hun aanvullende stuk van 1 september 2026 hebben klagers aangevoerd dat zij hierover niet te laat hebben geklaagd. Hoewel de lening reeds in 2022 was afgelost, waren op het moment van het indienen van de klacht in december 2025 nog bedingen geldig waarvan een dreigende werking uitging, zoals een koopoptierecht en boeteclausules.

4.11 Ook ten aanzien van dit klachtonderdeel geldt als uitgangspunt dat het niet aan de tuchtrechter is om over de onderliggende zaak een inhoudelijk oordeel te geven. Of bedingen en clausules in de leningsovereenkomst te zeer in het nadeel van klagers zijn geweest, moet zo nodig door een civiele rechter worden beoordeeld. Dit zou anders kunnen liggen indien duidelijk was dat verweerder in zijn hoedanigheid van bestuurder van een vennootschap de hierboven in 4.2 genoemde maatstaf heeft overtreden, hetgeen de voorzitter echter niet is gebleken. Klachtonderdeel c) wordt kennelijk ongegrond verklaard.

Klachtonderdeel d)

zijn eigen belang stelselmatig te laten prevaleren boven dat van klagers en de vennootschap;

4.12 Uit de feiten, zoals deze hierboven zijn weergegeven, volgt dat verweerder in de daarin genoemde kwesties niet als advocaat voor klagers heeft opgetreden. Verweerder heeft in relatie tot klager(s) gehandeld als bestuurder van zijn eigen vennootschap, als (indirect) bestuurder van [Z] en/of namens zichzelf privé. Niet valt in te zien waarom verweerder daarbij niet (mede) zijn eigen (zakelijke) belangen voorop mocht stellen. Dat verweerder zijn eigen belang boven dat van [Z] heeft laten prevaleren, is de voorzitter uit de stukken ook niet gebleken. Het verwijt dat klagers verder aan verweerder maken, namelijk dat verweerder privé feitelijk de controle had over hun gezamenlijke beleggingsrekening, hebben zij niet onderbouwd. Evenmin is door klagers duidelijk gemaakt waarom verweerder privé daarvan tuchtrechtelijk een verwijt zou kunnen worden gemaakt. Ook klachtonderdeel d) is daarmee kennelijk ongegrond.

Klachtonderdeel e)

te proberen zich de waardecreatie van klagers toe te eigenen door valselijk te stellen dat er sprake zou zijn van een mondelinge overeenkomst tot onbetaalde arbeid;

4.13 De voorzitter stelt vast dat de lezingen van klagers en verweerder lijnrecht tegenover staan als het gaat om de afspraken die zouden zijn gemaakt over het als vrijwilligers, en daarmee onbezoldigd, meewerken door de aandeelhouders van [Z] aan de renovatie van de woning van [Z]. De voorzitter kan dan ook niet vaststellen of het aan verweerder verweten handelen als bestuurder van [Z] feitelijk heeft plaatsgevonden en daardoor dus ook niet of op dit onderdeel sprake is geweest van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen door verweerder. Hieruit volgt dat ook klachtonderdeel e) kennelijk ongegrond is.

Tot slot

4.14 Klagers hebben nog betoogd dat verweerder onduidelijkheid heeft laten bestaan over de rol waarin hij richting hen heeft opgetreden. De voorzitter volgt klagers hierin niet. Uit de overgelegde stukken blijkt namelijk dat verweerder telkens duidelijk heeft gemaakt in welke hoedanigheid hij met klagers communiceerde, zodat eventuele verwarring daarover bij klagers hem niet tuchtrechtelijk kan worden aangerekend. Hoewel verweerder in zijn communicatie met klagers vanuit zijn verschillende hoedanigheden enkele uitlatingen heeft gedaan die klagers als kwetsend kunnen hebben ervaren, zijn deze door klagers genoemde uitlatingen niet dusdanig dat zij tuchtrechtelijk verwijtbaar zijn, uitgaand van de beperkte maatstaf die van toepassing is op een advocaat handelend in een andere hoedanigheid.

4.15 Op grond van het voorgaande zal de voorzitter de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond verklaren.

BESLISSING

De voorzitter verklaart:

de klacht in alle onderdelen, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.

Aldus beslist door mr. J.J. Roos, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. M.M. Goldhoorn als griffier en uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 2026.

Griffier                                                            Voorzitter

Verzonden op: 19 oktober 2026