ECLI:NL:TADRAMS:2026:229 Raad van Discipline Amsterdam 26-744/A/NH

ECLI: ECLI:NL:TADRAMS:2026:229
Datum uitspraak: 12-10-2026
Datum publicatie: 15-10-2026
Zaaknummer(s): 26-744/A/NH
Onderwerp: Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen
Beslissingen: Voorzittersbeslissing
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing; klacht over de advocaat wederpartij. Verweerder heeft in zijn bijstand aan de verhuurder tegenover klager de grenzen van het betamelijke niet overschreden. De verzonden sommatiebrieven zijn aan te merken als in de advocatuur gebruikelijke sommatiebrieven en bevatten geen bewoordingen die tuchtrechtelijk ontoelaatbaar zijn dan wel als juridisch bedreigend of anderszins als ongepast kunnen worden aangemerkt. Verder was verweerder niet verplicht aan klager de interne klachtenregeling toe te zenden; die is bedoeld voor de eigen cliënten. De klacht is kennelijk ongegrond.

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 12 oktober 2026
in de zaak 26-744/A/NH

naar aanleiding van de klacht van:

klager

over:

verweerder

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Noord-Holland (hierna: de deken) van 20 augustus 2026 met kenmerk mr/ss/26-285/2592776, door de raad ontvangen op eveneens 20 augustus 2026, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 7. 

1    FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1    Klager huurt een woning bij de Stichting Woonopmaat (hierna: Woonopmaat). Woonopmaat is een sociale woningcorporatie. Verweerder staat Woonopmaat als advocaat bij. Woonopmaat heeft aan klager een kantoor- en contactverbod opgelegd. 
1.2    Op 11 maart 2025 heeft verweerder klager namens Woonopmaat verzocht de correspondentie via hem te laten verlopen. Klager beantwoordde deze e-mail met: 
“Wie ben jij?”
1.3    Bij e-mail van 19 maart 2025 heeft verweerder klager meegedeeld dat indien hij vragen of verzoeken aan Woonopmaat heeft, hij die aan hem kon richten.
1.4    Bij e-mail van 21 maart 2025 heeft klager verweerder het volgende bericht gestuurd: 
“Volgens geruchten die over [het kantoor van verweerder] rondgaan, (onbetrouwbaar en geldgericht) heb ik geen vertrouwen in jouw expertise.
(…)
Deze mail mag jij van mij, alvast declareren bij woonopmaat. Niet vergeten dat het een digitaal tariefje is. Als jij je netjes blijft gedragen, zorg ik er, wederom, misschien, voor dat jij voor de grote tarieven kan gaan. (dus geen contacten en nadenk tarieven verzinnen, want anders schrap ik jouw uit MIJN emaillijst). 
Voorts stel ik het niet op prijs om door jouw of woonopmaat telefonisch benaderd te worden.”
1.5    Verweerder heeft niet gereageerd op deze e-mail. 
1.6    Bij e-mail van 1 april 2025 heeft klager verweerder, onder meer, geschreven: 
“Hoe gaan wij nu verder met de communicatie? Het is mij ook nog steeds een raadsel waarover. Ik heb niet goed begrepen hoever u[…] op de hoogte was (of bent) van het onprofessionele communicatie gedrag van woonopmaat.
Tot nu toe wekt u op mij de indruk, dat u samen met woonopmaat medewerkers dezelfde communicatie cursusje heeft gevolgd. (veel adviezen geven, maar NIET antwoorden en geen transparantie)
Zoals eerder door mij aangegeven, hoor ik geruchten (…) over uw bureau. Een en ander zorgt er voor dat ik bereid ben u als boodschappenjongetje te gebruiken, als u mij kunt meedelen welke onderwerpen tot de mogelijkheden behoren.
U heeft ook nog steeds geen antwoord gegeven op mijn vraag hoe wij gaan communiceren, wat mij betreft doen we dit met huisbezoeken van u persoonlijk of telefonisch, u ziet dat ik meedenk over het door u mogelijk in te dienen uurtarief. Dit kan wat mij betreft gerust naar het hoogste. Mijn m.o. is over algemeen constructief, en zie mijn licht ironische toon niet aan voor koud cynisme.
Ik hoop spoedig het lijstje met de door u en woonopmaat goedgekeurde onderwerpen van u te krijgen via de mail.”
1.7    Bij e-mail van 2 april 2025 heeft verweerder hierop als volgt geantwoord: 
“Ik zal u eerst antwoorden als daar aanleiding voor is. Die zie ik tot op heden niet. Als u zich niet in nevelen hult, maar duidelijk aangeeft wat u van woonopmaat wil, zal ik u antwoorden.”
1.8    Vervolgens heeft klager verweerder op 4 en 11 april 2025 een tweetal e-mails verzonden waarin geen vragen zijn gesteld. Verweerder heeft op deze e-mails niet gereageerd. 
1.9    Op 15 september 2025 heeft verweerder klager een sommatiebrief gestuurd waarin hij hem heeft verzocht normale omgangsvormen in acht te nemen. Daarbij heeft verweerder het kantoor- en contactverbod dat Woonopmaat klager had opgelegd, verlengd. De brief luidt als volgt: 
“Uw verhuurder, Stichting Woonopmaat, verzocht mij u voor de allerlaatste keer te waarschuwen dat zij zo nodig rechtsmaatregelen zal treffen indien u zich niet aan de normale omgangsvormen houdt.
Uit de berichten die u de afgelopen tijd (periode maart - september 2025) met enige regelmaat aan haar heeft verstuurd, blijkt dat u medewerkers van Woonopmaat onheus bejegent en hen in een kwaad daglicht stelt, zonder dat daar ook maar enige reden, laat staan een afdoende reden voor is. Ik doel daarbij op de insinuerende- en onjuiste berichtgeving over de heren F(…) en B(…). Deze laster moet onmiddellijk stoppen.
Daarom verzoek ik u met klem geen enkel direct contact met medewerkers van Woonopmaat te hebben en/of te onderhouden en indien dat noodzakelijk is enkel en alleen in zakelijke bewoordingen en uitsluitend per email aan het adres c.c. te communiceren zonder dat medewerkers van Woonopmaat of derden in de (b)cc worden gezet). 
Ik waarschuw u dat, indien u zich niet stipt en volledig aan deze instructie houdt, cliënte niet zal schromen, indien daartoe aanleiding is, om ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van uw woning te vorderen wegens een tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst van uw verplichting zich als een goed huurder te gedragen. Tegelijkertijd zullen dan de daarmee gepaard gaande kosten op u worden verhaald. 
Het aan reeds opgelegde toegangsverbod tot het kantoor van Woonopmaat (…), verleng ik namens cliënte tot 31 juli 2026. 
Met deze waarschuwing en maatregel (toegangsverbod) in het achterhoofd ga ik ervan uit dat u zich van lasterlijke en/of belastende uitlatingen onthoudt en dat hiermee de kous af is.”
1.10    De daaropvolgende e-mail van 17 september 2025 was aan verweerders secretaresse gericht en de daar weer opvolgende e-mail van 18 september 2025 ook aan verweerder. Klager stelde hierin vragen als: 
"Wat is uw naam, geslacht en werk- emailadres?" 
1.11    Klager heeft het kantoor van verweerder op 1 oktober 2025, 8 oktober 2025, 16 oktober 2025, 17 oktober 2025, 22 oktober 2025, 21 november 2025, 9 december 2025, 17 december 2025 en 29 december 2025 e-mails gestuurd, waarop niet meer is gereageerd door verweerder(s kantoor). In 2026 heeft klager zijn correspondentie aan verweerder vervolgd en op 14 januari 2026 en op 3 februari 2026 een tweetal berichten gestuurd met een onzakelijke inhoud.
1.12    Op 9 maart 2026 heeft verweerder klager opnieuw gesommeerd zijn gedrag te beteren en verzocht zich aan het opgelegde kantoorverbod te houden. Op 11 maart, 12 maart, 19 maart, 20 maart 2026 bleef klager verweerder en zijn secretaresse wederom onzakelijke berichten gestuurd. 
1.13    Op 23 maart 2026 heb verweerder klager uitgenodigd voor een gesprek. 
1.14    Klager heeft op 26 maart 2026 voorwaarden gesteld aan zijn bereidheid tot een gesprek. Zo schrijft klager:
“Ik ben bereid tot een gesprek als
1[Woonopmaat] kan aantonen, dat de zwartgemaakte tekst, in mijn "huurdossier", bestaat uit verslagen van politierapporten etc. (…)
2[Woonopmaat] de aantijging van “overlastveroorzaker” uit mijn “huurdossier” verwijder[t]
3 [Woonopmaat] de, door lekkage woning veroorzaakte, schade aan mijn luxaflex à 53,50 euro vergoed
4 [Woonopmaat] mij de door hen gevolgde procedures, en de uitkomsten hiervan, betreffende de diverse klachten, door mij ingediend over personeel, kan duiden.”
1.15    Verweerder heeft hierop op 30 maart 2026 een nieuwe uitnodiging aan klager verzonden. Op 31 maart 2026 en op 2 april 2026 heeft klager twee e-mails verzonden waarin hij - onder meer - laat weten dat de dwingende toon van communiceren van verweerder en Woonopmaat ervoor heeft gezorgd dat hij schriftelijk antwoorden wenste te krijgen op vragen van zijn kant. Verweerder heeft klager op 2 april 2026 geantwoord en hem wederom een uitnodiging verzonden om te zaak te bespreken
1.16    Op 3 april 2026 heeft klager de secretaresse van verweerder een e-mail gestuurd met de volgende inhoud: 
“Goedemiddag (…)
Het zou zo maar weer eens kunnen zijn dat jij niet op jouw werk bent, maar ik ben in mijn antwoord, op de “frame” poging van [verweerder] en (…) vergeten te vermelden dat jij, vanzelfsprekend, ook een factuurtje kan sturen naar [Woonopmaat].
Misschien kan jij [verweerder] ook nog verleiden om weer over te gaan tot het versturen van aangetekende brieven.
Ik krijg daar altijd een warm gevoel bij, speciaal na de laatste porto verhogingen. Fijne dag en groeten.”
1.17    Op 8 april 2026 heeft klager verweerder onder meer geschreven:
“Tot nu toe lukt het jouw (jullie?) alleen maar om vanachter het (veilige?) toetsenbordje dreigementen te uiten, zoals “huuropzegging” en “huisuitzetting”.”
1.18    Hierop volgend heeft verweerder weer meerdere e-mails van klager ontvangen waarin hij verweerder (onder andere) heeft geïnformeerd over door hem bij de Huurgeschillencommissie en de Autoriteit Persoonsgegevens ingediende klachten. 
1.19    Bij e-mail van 20 april 2026 heeft de secretaresse klager verzocht om zijn verhinderdata in verband met het aanvragen van een datum voor een mondelinge behandeling in kort geding bij de rechtbank Noord-Holland. 
1.20    Bij e-mail van 22 april 2026 heeft klager verweerder verzocht om de interne klachtenregeling van zijn kantoor toe te zenden. Bij e-mail van 7 mei 2026 heeft klager verweerder hier opnieuw om verzocht. Verweerder heeft geen gehoor gegeven aan deze verzoeken van klager.   
1.21    Op 8 mei 2026 is verweerder namens Woonopmaat een kort geding gestart waarvan de mondelinge behandeling op 2 juni 2026 heeft plaatsgevonden. 
1.22    Op 20 mei 2026 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder. 
1.23    Bij vonnis van 16 juni 2026 heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat klager zich niet als een goed huurder heeft gedragen en aan klager een gedragsaanwijzing opgelegd met de inhoud dat hij een laatste kans krijgt om ontruiming te voorkomen door de in rechtsoverweging 5.1 van het vonnis opgesomde maatregelen na te komen, waaronder het verbod om direct contact te hebben en/of te onderhouden met de medewerkers van Woonopmaat en het verbod om tot en met 31 december 2026 het kantoor van Woonopmaat te bezoeken. Als klager de gedragsaanwijzing vijf keer overtreedt, moet klager zijn woning ontruimen, zo luidt de beslissing.

2    KLACHT
2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder het volgende: 
a)    verweerder geeft geen antwoord op de door klager gestelde vragen;
b)    verweerder heeft dreigbrieven gestuurd namens de wederpartij waarin hij liet weten dat zou worden overgegaan tot huuropzegging en huisuitzetting;
c)    verweerder heeft onwaarheden opgenomen in zijn ingebrachte productie bij het aanspannen van een kort geding;
d)    verweerder heeft niet voldaan aan klagers verzoeken omtrent het opstarten van een interne klachtenprocedure;
e)    verweerder heeft zich grensoverschrijdend gedragen in de wachtruimte van de rechtbank.

3    VERWEER
3.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4    BEOORDELING
Maatstaf
4.1    Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.
Klachtonderdeel a) - niet beantwoorden vragen 
4.2    Klager stelt dat hij sinds het laatste half jaar van 2025 meerdere vragen aan verweerder heeft gesteld, waarop hij geen antwoord heeft ontvangen. Ook op klagers herhaalde voorstellen aan verweerder om tijdens een zakenlunch tot een oplossing te komen, heeft verweerder niet gereageerd.
4.3    Dit klachtonderdeel faalt. Verweerder heeft klager in maart 2025 meegedeeld dat als klager vragen of verzoeken aan Woonopmaat had, hij die aan hem kon richten. Uit het klachtdossier volgt echter dat klager verweerder e-mails stuurde met niet ter zake doende vragen op een toon die niet passend was bij een respectvolle bejegening van verweerder (of zijn secretaresse) en waarin de onafhankelijkheid van verweerder in twijfel werd getrokken (zie hiervoor weergegeven feiten). Het stond verweerder vanzelfsprekend vrij om dergelijke e-mails niet te beantwoorden. Verweerder heeft klager bovendien meerdere malen laten weten dat hij zou antwoorden wanneer klager duidelijk zou aangeven wat hij van Woonopmaat wilde en dat hij klager niet zou antwoorden zolang klager e-mails bleef sturen die niet inhoudelijk relevant waren. Het is de voorzitter niet gebleken dat verweerder vragen van klager die wel betrekking hadden op de onderhavige kwestie onbeantwoord heeft gelaten. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is dan ook geen sprake. Klachtonderdeel a) is kennelijk ongegrond. 
Klachtonderdeel b) - dreigbrieven
4.4    Klager stelt dat verweerder hem namens Woonopmaat meerdere dreigbrieven heeft gestuurd, waarin hij liet weten dat Woonopmaat zou overgaan tot huuropzegging en huisuitzetting. Klager heeft hier laconiek op gereageerd, wat verweerder blijkbaar geïrriteerd heeft. Verweerder heeft namelijk namens Woonopmaat vervolgens een kort geding tegen klager aangespannen.
4.5    Ook dit klachtonderdeel slaagt niet. De voorzitter begrijpt dat de brieven waar klager op doelt geen dreigbrieven betreffen, maar sommatiebrieven die verweerder namens Woonopmaat aan klager heeft gericht tegen het stoppen van gedragingen van klager jegens (medewerkers van) Woonopmaat. Als partijdige belangenbehartiger was het verweerders taak om de rechten van Woonopmaat te beschermen en eventuele inbreuken daarop te herstellen. Het stond verweerder in dat kader vrij om aan klager sommatiebrieven te sturen. De verzonden sommatiebrieven zijn aan te merken als in de advocatuur gebruikelijke sommatiebrieven en bevatten geen bewoordingen die tuchtrechtelijk ontoelaatbaar zijn dan wel als juridisch bedreigend of anderszins als ongepast kunnen worden aangemerkt. Ook stond het verweerder vrij om namens Woonopmaat een kortgedingprocedure te starten. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is geen sprake. Klachtonderdeel b) is kennelijk ongegrond. 
Klachtonderdelen c) en e) - verkondigen van onwaarheden en grensoverschrijdend gedrag 
4.6    Deze klachtonderdelen lenen zich voor een gezamenlijke beoordeling. In klachtonderdeel c) verwijt klager verweerder dat hij in de productie die verweerder in het kort geding heeft ingebracht, kenbaar heeft gemaakt dat klager niet bereid zou zijn geweest tot enige vorm van communicatie. Dit is, net als veel andere door verweerder ingebrachte producties, geheel bezijden de waarheid, aldus klager. In klachtonderdeel e) verwijt klager verweerder dat hij in de wachtruimte van de rechtbank ongevraagd tegen hem aangeleund heeft en met zijn linkerarm voor klager langs heeft gereikt om zijn lege bekertje, dat rechts van klager stond, mee te nemen en weg te gooien.
4.7    De voorzitter overweegt dat het aan de klager is om zijn verwijten voldoende feitelijk en concreet te omschrijven en met bewijs te onderbouwen, zodat de tuchtrechter de feiten die de klager aan zijn verwijten ten grondslag legt, kan vaststellen en beoordelen. Tegenover het gemotiveerde verweer van verweerder heeft klager de klacht onvoldoende onderbouwd, terwijl in de overgelegde stukken ook geen aanknopingspunten kunnen worden gevonden voor de juistheid van klagers verwijten. Omdat de feitelijke grondslag ontbreekt, zijn deze onderdelen van de klacht kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel d) - interne klachtenprocedure
4.8    Klager beklaagt zich erover dat verweerder hem de interne klachtenregeling van zijn kantoor niet heeft willen toezenden. Verweerder heeft terecht aangevoerd dat hij daartoe niet verplicht was. De interne klachtenregeling is bedoeld voor de eigen cliënten. Niet in geschil is dat klager dat niet is of is geweest. Het niet toezenden van de interne klachtenregeling kan dan ook niet worden aangemerkt als tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen. Klachtonderdeel d) is daarmee eveneens kennelijk ongegrond. 
4.9    Op grond van het voorgaande zal de voorzitter de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, daarom in alle onderdelen kennelijk ongegrond verklaren. 
4.10    Al hetgeen klager verder naar voren heeft gebracht leidt niet tot een ander oordeel. In dat verband merkt de voorzitter nog op dat klager zich over het gedrag van de deurwaarder niet in onderhavige klachtprocedure kan beklagen. Voor zover klager zich beklaagt over gedragingen van de deurwaarder, laat de voorzitter dat dan ook verder buiten beschouwing. 

BESLISSING
De voorzitter verklaart: 
-    de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond. 

Aldus beslist door mr. S.D. Arnold, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh als griffier en uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2026. 


Griffier         Voorzitter


Verzonden op: 12 oktober 2026