ECLI:NL:TADRAMS:2026:228 Raad van Discipline Amsterdam 26-741/A/NH
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2026:228 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 12-10-2026 |
| Datum publicatie: | 15-10-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-741/A/NH |
| Onderwerp: | Grenzen van het tuchtrecht, subonderwerp: Advocaat in hoedanigheid van deken of tuchtrechter |
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing; kennelijk ongegronde klacht over een deken. Naar het oordeel van de voorzitter is het indienen van de klachtzaak vier maanden na het verstrijken van de termijn voor het betalen van het griffierecht niet zodanig laat dat verweerder (als deken) daarmee het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 12 oktober 2026
in de zaak 26-741/A/NH
naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
over:
verweerder
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Noord-Holland (hierna: de deken) van 20 augustus 2026 met kenmerk mr/ss/26-261/2591538, door de raad ontvangen op 20 augustus 2026, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 7.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier,
uit van de volgende feiten.
1.1 Verweerster is de huidige deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement
Gelderland.
1.2 Op 28 juli 2025 heeft klaagster bij de Orde van Advocaten Gelderland een
klacht ingediend over mr. D.
1.3 Op 18 november 2025 heeft verweerder aan klaagster meegedeeld dat het klachtonderzoek
is afgerond en dat klaagster binnen vier weken het griffierecht kon voldoen, waarna
de klachtzaak zou worden doorgestuurd aan de Raad van Discipline.
1.4 Diezelfde dag, op 18 november 2025, heeft klaagster laten weten dat het griffierecht
betaald was, waarna zij per e-mail op 21 november 2025 een bevestiging daarvan heeft
ontvangen. Die e-mail luidt als volgt:
“Geachte [klaagster],
Hierbij bevestig ik dat het verschuldigde griffierecht op 18 november jl. door de
deken is ontvangen.
De klachtzaak zal zo spoedig als mogelijk worden doorgezonden aan de Raad van Discipline.
De deken dient voor het aanbrengen van een klacht bij de Raad van Discipline een aanbiedingsbrief
op te stellen. In deze brief worden de feiten, de klacht en het verweer samengevat
uiteengezet. Het opstellen van deze brief neemt enige tijd in beslag. Zodra uw klacht
bij de Raad van Discipline is aangebracht, ontvangt u van deze aanbiedingsbrief en
het klachtdossier een kopie.
Een kopie van deze mail zend ik ter kennisname aan mr. [D]
Met vriendelijke groet,
(…)
Bureau Orde van Advocaten”
1.5 Bij e-mail van 4 december 2025 heeft klaagster verweerder geschreven:
“Graag ontvang ik van u een bevestiging wanneer u het dossier doorgestuurd heeft
naar de Raad van Discipline. Ik spreek de hoop uit dat hier weer geen langere tijd
overheen hoeft Ie gaan dan strikt noodzakelijk is.”
1.6 Op 18 december 2025 heeft klaagster nogmaals een e-mail gestuurd aan het
ordebureau met de volgende mededeling:
“Op 18 november jl. heb ik het griffierecht van € 50,- voldaan onder vermelding
van “griffierecht K 25 - 109", teneinde mijn klacht ter kennis te laten brengen van
de Raad van, Discipline.
Ik heb u eerder verzocht mij te informeren op het moment dat het dossier wordt doorgestuurd.
Tot op heden heb ik hiervan geen bevestiging ontvangen.
Ik verzoek u mij uiterlijk binnen vijf werkdagen, schriftelijk te bevestigen: op
welke datum het dossier aan de Raad van Discipline is verzonden en onder welk zaak-
of registratienummer de klacht aldaar geregistreerd Is.”
1.7 Hierop is namens verweerder op 19 december 2025 als volgt gereageerd:
“Uw e-mail van 18 december jl. is door de deken in goede orde ontvangen. Naar aanleiding
daarvan informeer ik u als volgt.
Het klachtdossier is door de deken nog niet aangebracht bij de Raad van Discipline.
Bij e-mail van 21 november jl. bent u geïnformeerd dat voor het aanbrengen van de
klacht de deken een aanbiedingsbrief dient op te stellen. Ook bent u geïnformeerd
dat het opstellen van deze brief enige tijd in beslag neemt.
U wordt nader geïnformeerd op het moment dat uw klacht bij de Raad van Discipline
is aangebracht. Vriendelijk verzoek ik u dit bericht af te wachten.”
1.8 Hierop heeft klaagster bij e-mail van 28 januari 2026 geantwoord:
1.9 “Op 18 november jl. heb ik het griffierecht voor bovengenoemde zaak voldaan
en u verzocht het dossier door te zenden aan de Raad van Discipline.
“In uw e-mail van 21 november jl. geeft u aan dat het opstellen van een aanbiedingsbrief
“enige tijd” in beslag neemt. Inmiddels zijn sinds betaling van het griffierecht ruim
twee maanden verstreken, zonder dat het dossier is doorgestuurd of een concrete termijn
is genoemd.
De Advocatenwet schrijft voor dat doorzending van een klacht zonder onnodige vertraging
dient plaats te vinden. Tegen die achtergrond is voor mij onduidelijk hoe “enige tijd”
zich verhoudt tot de inmiddels verstreken periode.
Ik verzoek u mij daarom uiterlijk binnen 14 dagen schriftelijk te bevestigen:
- dat het dossier aan de Raad van Discipline is doorgestuurd, dan wel
- op welke concrete datum de doorzending zal plaatvinden.”
1.10 Op 13 februari 2026 is hierop namens verweerder geantwoord dat de klacht
zijn aandacht heeft en dat klaagster op het moment dat de klacht wordt aangebracht
een kopie de aanbiedingsbrief en het gehele klachtdossier ontvangt.
1.11 Nadat klaagster op 3 maart 2026 t kennen had gegeven een klacht tegen verweerder
in te dienen, is hierop namens verweerder op 13 maart 2026 als volgt gereageerd:
“Wat vervelend ,dat u een klacht heeft over de doorloop na betaling van het griffierecht.
Bij e-mail van 21 november jl. bent u erop gewezen dat het opstellen van een aanbiedingsbrief
enige tijd in besIag neemt. Gelet op de drukte op het Ordebureau duurt dit helaas
langer dan door mij was ingeschat. Uw zaak is ook niet de enige zaak die op ons dekenaat
wordt onderzocht. Het is momenteel erg druk met onderzoeken naar klachten.
Bij e-maiI van 13 februari jl. heb Ik u geïnformeerd dat uw klacht wel mijn aandacht
heeft. Uw klacht wordt uiterlijk 31 maart a.s. aangebracht bij de Raad van Discipline.
U ontvangt dan ook een kopie van de aanbiedingsbrief en het klachtdossier. De griffie
van de Raad van Discipline zal u daarna berichten over het vervolg. Mijn excuses in
ieder geval dat het langer duurt met uw zaak en dank voor uw geduld.
Gelet op vorenstaande hoop ik dat uw klacht hiermee voldoende is beantwoord en dat
u kunt overgaan tot intrekking van deze klacht.
Indien u uw klacht toch wil doorzetten, dan verneem ik dat graag binnen mee weken
na heden van u en zal ik het Hof van Discipline vragen om een verwijzing naar een
andere deken. (…).”
1.12 Op 24 maart 2026 is de klacht van klaagster over mr. D aangebracht bij de
Raad van Discipline.
1.13 Op 26 maart 2026 heeft klaagster laten weten dat zij haar klacht tegen de
deken wenste voort te zetten en verzocht de klacht door te zenden aan het Hof van
Discipline.
1.14 Bij beslissing van 7 mei 2026 heeft de voorzitter van het Hof van Discipline
de klacht voor onderzoek en afhandeling verwezen aan de deken van de Orde van Advocaten
in het arrondissement Noord-Holland.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat hij de
klacht van klaagster na betaling van het griffierecht pas na drie maanden heeft doorgezonden
aan de Raad van Discipline.
3 VERWEER
3.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna,
waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
Maatstaf
4.1 De klacht heeft betrekking op het handelen van verweerder in zijn hoedanigheid
van deken. Het tuchtrecht is bedoeld om te waarborgen dat advocaten hun beroep behoorlijk
uitoefenen. Het tuchtrecht kan ook gelden als een advocaat niet optreedt als advocaat.
Dat is het geval als er voldoende aanknopingspunten zijn tussen het beroep van advocaat
en zijn doen en laten in de andere hoedanigheid. Dan is het advocatentuchtrecht volledig
van toepassing. Als deze aanknopingspunten er niet zijn, dan beperkt de tuchtrechter
de beoordeling tot de vraag of de advocaat het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad.
4.2 Als deken oefent verweerder - in beginsel - niet het beroep van advocaat
uit, maar houdt hij toezicht op de naleving van (onder meer) de Advocatenwet. Gelet
hierop zijn er naar het oordeel van de voorzitter onvoldoende aanknopingspunten met
het beroep van advocaat en zal getoetst worden of verweerder in zijn functie van deken
zich zodanig heeft gedragen dat daardoor het vertrouwen in de advocatuur is geschaad.
Oordeel
4.3 Naar het oordeel van de voorzitter is het indienen van de klachtzaak vier
maanden na het verstrijken van de termijn voor het betalen van het griffierecht niet
zodanig laat, dat verweerder daarmee het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad.
Hiervoor acht de voorzitter het volgende van belang.
4.4 Verweerder heeft klaagster reeds bij de bevestiging van de ontvangst van
het griffierecht op 18 november 2025 op de hoogte gesteld van het feit dat doorzending
van de klachtzaak aan de Raad van Discipline enige tijd in beslag kon nemen, omdat
er nog een aanbiedingsbrief opgesteld moest worden. Daarbij is vermeld dat de klachtzaak
zo spoedig als mogelijk zou worden doorgezonden. Concrete termijnen heeft verweerder
niet genoemd. Verweerder is als deken in beginsel ook niet gebonden aan een vaste
termijn waarbinnen klachtzaken dienen te worden aangebracht bij de Raad van Discipline.
4.5 Zoals verweerder heeft toegelicht, is het opstellen van een aanbiedingsbrief
niet louter een administratieve formaliteit. Nadat het klachtonderzoek is afgerond,
maakt de deken het dossier zorgvuldig klaar voor doorzending aan de Raad van Discipline.
Het opstellen van de aanbiedingsbrief vormt daarbij een wezenlijk onderdeel van de
wettelijke taak van de deken. De aanbiedingsbrief bevat een samenvatting van de feiten,
de klacht, het verweer en het verloop van het dekenale onderzoek en vergt daarom zorgvuldige
voorbereiding om de Raad van Discipline adequaat in staat te stellen kennis te nemen
van het dossier en de standpunten van partijen, hetgeen de nodige tijd in beslag neemt.
Voor zover klaagster heeft gesteld dat de dekenvisie en de aanbiedingsbrief slechts
beperkt zijn gemotiveerd, geldt dat de Advocatenwet niet voorschrijft op welke wijze
een dekenvisie dient te worden gemotiveerd en dat aan de deken bij de inrichting van
het onderzoek en de wijze waarop de bevindingen worden vastgelegd een ruime mate van
beleidsvrijheid toekomt.
4.6 Verweerder heeft verder gemotiveerd toegelicht dat de maand december vanwege
de feestdagen een periode was waarin de bezetting op het Ordebureau beperkter was,
hetgeen eveneens invloed heeft gehad op de planning en doorlooptijd van dossiers,
waaronder het dossier van klaagster. Verweerder heeft klaagster naar aanleiding van
haar e-mails evenwel steeds geïnformeerd over de stand van zaken van het dossier.
Het feit dat klaagsters klachtzaak nog niet was doorgestuurd, betekende dan ook niet
dat de behandeling van de klachtzaak in de tussenliggende periode stillag en dat communicatie
over de klachtzaak uitbleef.
4.7 Hoewel de voorzitter begrijpt dat klaagster liever had gehad dat aan haar
eerder in de communicatie een concrete termijn was genoemd, betekent het uitblijven
daarvan niet dat verweerder klachtwaardig heeft gehandeld. Dat klaagster door de duur
van doorzending in haar belangen is geschaad, heeft klaagster niet aannemelijk gemaakt.
Evenmin is aannemelijk geworden dat een eerdere doorzending zou hebben geleid tot
een eerdere inhoudelijke behandeling of beslissing van de Raad van Discipline. Verweerder
heeft terecht aangevoerd dat de planning van de behandeling van zaken tot de verantwoordelijkheid
van de Raad van Discipline behoort en buiten de invloedssfeer van de deken valt.
4.8 Gelet op het voorgaande is de klacht dan ook kennelijk ongegrond.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
- de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. W. Aardenburg, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh als griffier en uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 12 oktober 2026