ECLI:NL:TADRAMS:2026:227 Raad van Discipline Amsterdam 26-736/A/NH 26-737/A/NH
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2026:227 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 12-10-2026 |
| Datum publicatie: | 15-10-2026 |
| Zaaknummer(s): |
|
| Onderwerp: | Grenzen van het tuchtrecht, subonderwerp: Advocaat in hoedanigheid van faillissementscurator |
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissingen; klacht over verweerders in hun hoedanigheid van curators. Verweerders wordt het schenden van de geheimhoudingsplicht verweten. Het is de voorzitter niet gebleken dat verweerders met de door klagers genoemde handelingen het vertrouwen in de advocatuur hebben geschaad. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 12 oktober 2026
in de zaken 26-736/A/NH en 26-737/A/NH
naar aanleiding van de klacht van:
klagers
gemachtigde: mr. J.Ph. de Korte
over:
(26-736/A/NH)
verweerder 1
(26-737/A/NH)
verweerder 2
hierna samen: verweerders
gemachtigde: mr. M. Ynzonides
De voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brieven van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Noord-Holland (hierna: de deken) van 19 augustus 2026 met kenmerken mr/ss/26-087/2550868 en mr/ss/26-086/2550869, door de raad ontvangen op (eveneens) 19 augustus 2026, en van de op de inventarislijsten genoemde bijlagen 1 tot en met 6.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op de verschillende
klachtdossiers, uit van de volgende feiten.
1.1 De klacht gaat over verweerders in hun rol als curatoren. Klager 1 staat
klagers 2 tot en met 7 bij in een geschil met een aantal ondernemingen (S B.V. en
E BV) en verweerders die de curatoren zijn van klagers 6 en 7. Verweerders worden
in de onderliggende enquêteprocedure bijgestaan door mr. W.
1.2 Op 2 februari 2023 heeft de Ondernemingskamer op verzoek van S B.V., E B.V.
en verweerders met instemming van klagers 2 tot en met 7 mr. D (hierna: de onderzoeker)
opdracht gegeven om onderzoek te doen naar het beleid en de gang van zaken bij klagers
6 en 7.
1.3 Op 21 oktober 2025 heeft de onderzoeker zijn conceptverslag met belanghebbenden
gedeeld en hen uitgenodigd om daarop te reageren.
1.4 Op 11 december 2025 heeft de onderzoeker laten weten dat hij tot een nieuw
inzicht was gekomen en daarom een nieuwe tekst voor een deel van het conceptverslag
zou toezenden, waarop de belanghebbenden konden reageren.
1.5 Op 21 december 2025 hebben de advocaten van S B.V. - mrs. D en B - namens
S B.V. aan de Ondernemingskamer een verzoek tot ontslag van de onderzoeker gedaan.
1.6 Op 23 december 2025 heeft mr. W in het kader van het ontslagverzoek namens
verweerders een reactie op het conceptverslag aan de Ondernemingskamer gestuurd. Bij
dit bericht was de eerdere schriftelijke reactie van verweerders van 19 december 2025
op het conceptonderzoeksverslag gevoegd. In die reactie werd uit het conceptonderzoeksverslag
geciteerd.
1.7 Bij e-mail van 26 december 2025 heeft klager 1 namens zijn cliënten klagers
2 tot en met 7 bezwaar gemaakt tegen het doen van mededelingen uit het conceptonderzoeksverslag
en de Ondernemingskamer verzocht vast te stellen dat mr. D, S B.V., mr. W en verweerders
daarmee de geheimhoudingsplicht ex artikel 2:351 lid 4 BW hebben geschonden.
1.8 Mr. W heeft de e-mail van 26 december 2025 op 27 december 2025 aan verweerders
doorgestuurd. Hierop heeft verweerder 2 geregeerd met:
“Dank, (…). Op welke reactie van de 23e december in de openbare procedure - waarin
kennelijk namens curatoren delen van het concept verslag van de OK onderzoeker worden
gedeeld - doelt [klager 1]? Heb ik een bericht van jou gemist?”
1.9 Bij e-mail van 23 januari 2026 heeft mr. W namens verweerders aan de Ondernemingskamer
geschreven dat verweerders van mening zijn dat het S en de overige partijen en belanghebbenden
in de onderliggende enquêteprocedure vrijstond om mededelingen te doen uit de inhoud
van het conceptverslag.
1.10 Op 26 januari 2026 heeft klager 1 mede namens klagers 2 tot en met 7 bij
de deken een klacht ingediend over verweerders. De klacht richt zich ook tegen mrs.
B, W en D. Die klachtzaken zijn bij de raad geregistreerd onder kenmerken 26-734/A/NH,
26-735/A/NH en 26-738/A/NH.
1.11 Op 30 januari 2026 heeft mr. D namens S B.V. het ontslagverzoek ingetrokken
en heeft mr. W mede namens verweerders het bericht van 23 december 2025 ingetrokken.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerders tuchtrechtelijk
verwijtbaar hebben gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Verweerders hebben
niet gehandeld zoals een behoorlijk advocaat betaamt doordat zij de wettelijke geheimhoudingsplicht
van artikel 2:351 lid 4 BW, artikel 5.1 van de Leidraad voor Onderzoekers in Enquêteprocedures
(hierna: Onderzoekersleidraad), gedragsregels 1 en 3 en de artikelen 10 en 10a lid
1 sub d Advocatenwet hebben geschonden.
3 VERWEER
3.1 Verweerders hebben tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna,
waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
Maatstaf
4.1 Het in de artikelen 46 en volgende van de Advocatenwet geregelde tuchtrecht
heeft betrekking op het handelen en nalaten van advocaten als zodanig en beoogt een
behoorlijke beroepsuitoefening te waarborgen. Maar ook wanneer een advocaat optreedt
in een andere hoedanigheid dan die van advocaat, blijft voor hem het advocatentuchtrecht
gelden. Indien de advocaat zich bij de vervulling van die andere functie zodanig gedraagt
dat daardoor het vertrouwen in de advocatuur wordt geschaad, zal in het algemeen sprake
zijn van handelen of nalaten in strijd met hetgeen een behoorlijk advocaat betaamt
waarvan hem een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.
4.2 Voor een advocaat die optreedt als faillissementscurator brengt deze maatstaf
mee dat niet snel van tuchtrechtelijk laakbaar handelen sprake zal zijn. Dat komt
onder meer omdat een curator bij de uitoefening van zijn taak rekening dient te houden
met uiteenlopende belangen nu hij de boedel vertegenwoordigt en het belang van de
schuldeisers van de gefailleerde. Ook speelt een rol dat de curator zijn taak uitoefent
onder toezicht van de rechter-commissaris en dat het in de eerste plaats aan de rechter-commissaris
is te beslissen of het handelen van de curatoren zich binnen de wettelijke kaders
afspeelt (zie HvD 24 november 2025, ECLI:NL:TAHVD:2025:236 en HvD 1 februari 2019,
ECLI:NL:TAHVD:2019:11).
Standpunten van partijen
4.3 Ter toelichting op de klacht hebben klagers het volgende naar voren gebracht.
In een door de Ondernemingskamer bevolen enquêteonderzoek stelt een onderzoeker een
conceptverslag op, waar belanghebbenden commentaar op mogen leveren. Vervolgens stelt
de onderzoeker een eindverslag op en deponeert deze bij de Ondernemingskamer. De Ondernemingskamer
bepaalt of het eindverslag “ter inzage ligt voor de door haar aan te wijzen andere
personen of voor eenieder”. Het is aan anderen dan de rechtspersoon in beginsel verboden
mededelingen aan derden te doen uit het verslag, voor zover dat niet voor eenieder
ter inzage ligt. Niemand mag mededelingen doen uit een conceptonderzoeksverslag, zo
is bepaald in artikel 2:351 lid 4 WB en artikel 5.1 van de Onderzoekersleidraad. Uit
de jurisprudentie volgt dat die geheimhoudingsplicht niet alleen strekt ter bescherming
van de rechtspersoon, maar ook van de personen ten aanzien van wie in het conceptverslag
wezenlijke bevindingen zijn opgenomen en van de onderzoeker die de zorgvuldigheid
van het onderzoek moet bewaken. De geheimhoudingsplicht ex artikel 2:351 lid 4 BW
en artikel 5.1 van de Onderzoekersleidraad geldt onverkort bij een verzoek tot ontslag
van een door de Ondernemingskamer benoemde onderzoeker gedurende het onderzoek en
voorafgaand aan het deponeren van het eindverslag bij de Ondernemingskamer.
4.4 Op 23 december 2025 heeft mr. W namens verweerders in de openbare ontslagprocedure
bij de Ondernemingskamer mededelingen gedaan uit het conceptverslag. Daarmee hebben
verweerders - volgens klagers - welbewust in strijd met de op hen rustende geheimhoudingsplicht
mededelingen uit het conceptverslag gedaan, zelfs in de wetenschap dat de onderzoeker
het conceptverslag nog zou gaan aanpassen. Mr. W heeft in een e-mail aan de Ondernemingskamer
van 23 januari 2026 mede namens verweerders erkend dat zij zonder voorafgaande machtiging
van de voorzitter van de Ondernemingskamer mededelingen hebben gedaan over de inhoud
van het conceptverslag van de onderzoeker.
4.5 Verweerders betreuren de gang van zaken, maar menen dat hen geen tuchtrechtelijk
laakbaar handelen kan worden verweten. Mr. W heeft zijn bericht van 23 december 2025
aan de Ondernemingskamer niet tevoren met verweerders afgestemd en het bericht na
verzending ook niet aanstonds aan verweerders doorgestuurd. Verweerders zijn eerst
op 27 december 2025 bekend geworden met het gewraakte bericht van mr. W aan de Ondernemingskamer,
nadat klager 1 op 26 december 2025 namens klagers 2 tot en met 7 bezwaar had gemaakt
tegen het doen van mededelingen uit het conceptonderzoeksrapport. Verweerders zijn
dan ook niet, en al helemaal niet in hun hoedanigheid van advocaat, betrokken geweest
bij de indiening van het gewraakte bericht, dat bovendien inmiddels is ingetrokken.
Gelet op de gang van zaken valt volgens verweerders niet in te zien dat zij zich zodanig
zouden hebben gedragen dat daardoor het vertrouwen in de advocatuur is geschaad.
Oordeel
4.6 De voorzitter is - met inachtneming van de hiervoor vermelde maatstaf - van
oordeel dat op grond van de toelichting op de klacht en de rest van het klachtdossier
niet is gebleken dat verweerders met de door klagers genoemde handelingen het vertrouwen
in de advocatuur hebben geschaad. Naar het oordeel van de voorzitter hebben verweerders
onderbouwd aangevoerd dat mr. W in zijn reactie van 23 december 2025 mededelingen
namens verweerders heeft gedaan over de inhoud van het conceptverslag zonder deze
van tevoren met hen af te stemmen. Dit valt ook af te leiden uit de door verweerders
overgelegde e-mailcorrespondentie tussen verweerder 2 en mr. W en wordt ook niet door
klagers betwist. Hiermee is afdoende komen vast te staan dat verweerders niet op de
hoogte waren van de mededelingen die mr. W in zijn bericht van 23 december 2025 heeft
gedaan. Bovendien heeft mr. W dit bericht vervolgens op 30 januari 2026 namens verweerders
ingetrokken. Gelet hierop is het de voorzitter niet gebleken van gedragingen waarmee
verweerders het vertrouwen in de advocatuur hebben geschaad.
4.7 De stelling van klagers dat het gewraakte bericht pas was ingetrokken nadat
klagers op 26 januari 2026 een klacht bij deken hadden ingediend en mr. W namens verweerders
op 23 januari 2026 nog het standpunt had verkondigd dat het hen vrijstond om mededelingen
te doen uit de inhoud van het conceptverslag, is onvoldoende om tot een ander oordeel
te komen. Voor het handelen van een advocaat in de hoedanigheid van curator brengt
bovenvermelde maatstaf immers mee dat niet snel van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen
sprake zal zijn.
4.8 De klacht over verweerders is dan ook kennelijk ongegrond.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
in de zaken 26-736/A/NH en 26-737/A/NH
- de klacht over verweerders, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk
ongegrond.
Aldus beslist door mr. M.V. Ulrici, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh als griffier en uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 12 oktober 2026