ECLI:NL:TADRAMS:2026:226 Raad van Discipline Amsterdam 26-733/A/A

ECLI: ECLI:NL:TADRAMS:2026:226
Datum uitspraak: 12-10-2026
Datum publicatie: 15-10-2026
Zaaknummer(s): 26-733/A/A
Onderwerp: Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen
Beslissingen: Voorzittersbeslissing
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing. Klacht over advocaat van de wederpartij in een familierechtelijke kwestie. Het stond verweerster vrij om namens en in het belang van haar cliënte via de advocaat van klager op de e-mail van klager te reageren en om een BRP-uittreksel bij de gemeente op te vragen. Niet gebleken dat verweerster op enigerlei wijze misbruik heeft gemaakt van haar geheimhoudingsplicht. Klacht kennelijk ongegrond.

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline
in het ressort Amsterdam
van 12 oktober 2026 
in de zaak 26-733/A/A 

naar aanleiding van de klacht van:

klager

over:

verweerster

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) van 19 augustus 2026 met kenmerk 2535320/EvR/FS, door de raad digitaal ontvangen op dezelfde datum, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 00 tot en met 04. 
1    FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1    Klager is met zijn ex-partner (hierna: de ex-partner) verwikkeld (geweest) in verschillende procedures over de zorg voor hun dochter. Verweerster staat de ex-partner hierin bij.
1.2    In een van de procedures over een zorg- en vakantieregeling is na aanhouding opnieuw zitting bepaald op 17 november 2025. Voorafgaand aan deze zitting heeft klager meerdere e-mails gestuurd, waaronder een e-mail van 14 april 2025 aan de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: RvdK), Veilig Thuis en de Kindbehartiger.
1.3    Op 15 april 2025 heeft verweerster namens de ex-partner gereageerd op de e-mail van klager van 14 april 2025. Verweerster heeft haar reactie gemaild aan Veilig Thuis en de Kindbehartiger, met de RvdK en de advocaat van klager in cc. In haar e-mail heeft verweerster vermeld:
‘Namens cliënte reageer ik op het bericht van [klager], waarin u allen in de cc bent opgenomen. Gelet op de toonzetting en de inhoud van zijn bericht, acht ik het van belang u een juiste en feitelijke weergave te geven van de stand van zaken en de inspanningen van cliënte in het belang van [de dochter].
(…)
Op 13 maart ontving ik een directe e-mail van [klager] die wederom zeer beschuldigend en conflictgericht van toon was en waarin hij zelfs dreigde een tuchtklacht tegen mij als advocaat in te dienen. Dit draagt niet bij aan een constructieve of professionele communicatie en kan ik enkel beschouwen als een vorm van druk of intimidatie.
(…)
Ten aanzien van de verhuizing merkt cliënte op dat zij deze reeds tijdens het opstellen van het ouderschapsplan (…) openlijk met vader heeft besproken.
(…) 
Cliënte blijft bereid tot overleg en constructieve samenwerking, mits dit wederzijds en in  het belang van [de dochter] wordt gevoerd. Ongefundeerde beschuldigingen en feitelijke verdraaiingen dragen daar niet aan bij.’
1.4    Rond juli 2025 heeft de gemeente op verzoek van verweerster een uittreksel Basisregistratie Personen (hierna: BRP-uittreksel) ten aanzien van klager aan verweerster verstrekt.

1.5    Omstreeks november 2025 heeft klager bij verweerster een verzoek ingediend op grond van artikel 15 van de Algemene verordening gegevensbescherming (hierna: AVG). Met zijn verzoek heeft klager inzage gevraagd in de door het kantoor van verweerster aangehouden persoonsgegevens van hemzelf. Op 3, 18 en 26 november 2025 heeft verweerster op het inzageverzoek van klager gereageerd.

1.6    Op 18 november 2025 heeft klager bij de deken een klacht over verweerster ingediend.  Op 11 december 2025 heeft klager zijn klacht aangevuld.

2    KLACHT
2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerster het volgende:
a)    verweerster heeft klager bewust en moedwillig in een kwaad daglicht gesteld door zijn persoonsgegevens herhaaldelijk te verwerken en met derden te delen zonder enige informatieverstrekking of grondslag en buiten medeweten van klager. Dit is in strijd met de AVG en doet afbreuk aan de rol van verweerster als partijdig maar ook verantwoordelijk juridisch professional. Verweerster weigert hierover transparantie te bieden door selectief een beroep te doen op haar geheimhoudingsplicht;
b)    verweerster heeft zonder enige noodzaak en juridische grondslag bij de gemeente een BRP-uittreksel van klager opgevraagd. Dat vormt een oneigenlijke verwerking van persoonsgegevens, een doeloverschrijding en een ernstige schending van de kernwaarden integriteit, vertrouwelijkheid en zorgvuldigheid.   
2.2    De voorzitter zal bij de beoordeling ingaan op de klachtonderdelen.

3    VERWEER
3.1    Verweerster voert verweer tegen de klacht en betwist dat zij tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. In dat verband merkt verweerster op dat zij alleen in haar e-mail van  
15 april 2025 uitlatingen heeft gedaan over klager en dat zij daarbij dezelfde personen heeft betrokken als degenen die klager aan zijn e-mail van 14 april 2025 had toegevoegd, met uitzondering van zijn advocaat. Volgens verweerster zijn de opmerkingen in haar e-mail niet onnodig grievend en dienden deze opmerkingen het belang van haar cliënte. In dat kader merkt verweerster op dat het evident de bedoeling van haar e-mail was om de beeldvorming te beïnvloeden, maar niet om de strijd tussen klager en haar cliënte te verhogen. Verder merkt verweerster op dat haar cliënte het traject bij de Kinderbehartiger zelf in gang heeft gezet en dat het indienen van een stuk in een familierechtelijke procedure niet betekent dat zij haar geheimhoudingsplicht prijsgeeft.
Tot slot voert verweerster aan dat het BRP-uittreksel is opgevraagd in het belang van een verhuiszaak en dat het uittreksel was bedoeld om vast te stellen of klager verbonden was aan de Kop van Noord-Holland. In dat kader wijst verweerster erop dat klager zich tot tweemaal toe bij de gemeente had uitgeschreven, eenmaal naar Dubai en eenmaal naar een onbekend adres en dat de rechtbank hierover tijdens de zitting van 17 november 2025 ook vragen heeft gesteld. Volgens verweerster bestond er daarom wel degelijk een belang bij het opvragen van het BRP-uittreksel.
3.2    De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4    BEOORDELING
Toetsingskader
4.1    Bij de beoordeling van een over een advocaat ingediende klacht toetst de tuchtrechter het aan de advocaat verweten handelen of nalaten aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in art. 10a Advocatenwet, en niet aan de AVG. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen, vanwege het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet, wel van belang zijn. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
4.2    Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.
Klachtonderdeel a) is kennelijk ongegrond
4.3    De voorzitter kan op grond van het klachtdossier niet vaststellen dat verweerster klager in een kwaad daglicht heeft gesteld door zijn persoonsgegevens herhaaldelijk te verwerken en met derden te delen zonder grondslag. De e-mail van verweerster van  
15 april 2025 is een reactie op de e-mail van klager van een dag eerder, waarin klager  beschrijft waarom hij de inschakeling van de Jeugdbeschermingstafel noodzakelijk acht en waarin hij ingaat op de beoogde verhuizing van zijn ex-partner. Klager heeft zijn e-mail gestuurd aan zijn ex-partner en medewerkers van de Kindbehartiger, Veilig Thuis en de RvdK. Het stond verweerster vrij om namens en in het belang van haar cliënte via de advocaat van klager inhoudelijk op deze e-mail van klager te reageren. Verweerster heeft dat ook op betamelijke, niet grievende, wijze gedaan. Het feit dat verweerster haar reactie, net zoals klager, aan medewerkers van de Kindbehartiger, Veilig Thuis en de RvdK heeft gestuurd, betekent niet dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Ook de omstandigheid dat klager het niet eens is met de reactie van verweerster van 15 april 2025 kan niet tot de conclusie leiden dat verweerster klachtwaardig heeft gehandeld. Van andere e-mails of correspondentie van verweerster aan de betrokken hulpverleners of aan derden over de inhoud van de tussen klager en haar cliënte gevoerde procedures, is de voorzitter uit het klachtdossier niet gebleken. Tot slot is het de voorzitter uit het klachtdossier niet gebleken dat verweerster in de familierechtelijke procedures ten aanzien van klager op enigerlei wijze misbruik heeft gemaakt van haar geheimhoudingsplicht als advocaat. Klachtonderdeel a) is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel b) is kennelijk ongegrond
4.4    De voorzitter oordeelt dat verweerster niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door bij de gemeente een BRP-uittreksel van klager op te vragen. Het stond verweerster in het belang van haar cliënte vrij om dat in het kader van de tussen klager en haar cliënte lopende procedure over een verhuizing te doen om de verbondenheid van klager aan de Kop van Noord-Holland vast te kunnen stellen, zeker nu klager zich blijkbaar eerder tweemaal bij de gemeente heeft laten uitschrijven. De omstandigheid dat klager het met deze gang van zaken niet eens is en dat verweerster al over zijn adresgegevens beschikte, zoals klager heeft gesteld, betekent niet dat verweerster klachtwaardig heeft gehandeld door ervoor te kiezen navraag te doen bij de gemeente. Van een onzorgvuldige omgang met zijn persoonsgegevens, misbruik van het opvragen van een BRP-uittreksel of van een gerichte persoonscontrole, zoals klager heeft gesteld, is de voorzitter niet gebleken. Klachtonderdeel b) is kennelijk ongegrond.
Verdere overweging

4.5    In beide onderdelen van de klacht verwijt klager verweerster ook dat zij de AVG heeft geschonden. De voorzitter merkt op dat in deze tuchtprocedure geen ruimte is om hierover te oordelen. Een oordeel hierover is voorbehouden aan de Autoriteit Persoonsgegevens. In zoverre zijn klachtonderdelen a) en b) kennelijk niet-ontvankelijk.
BESLISSING
De voorzitter verklaart de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, in beide klachtonderdelen a) en b) ten aanzien van het verwijt over een AVG-schending kennelijk niet-ontvankelijk, en voor het overige kennelijk ongegrond.

Aldus beslist door mr. J.J. Roos, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door  
mr. A.E. van Oost als griffier en uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2026.
            
Griffier                              Voorzitter

Verzonden op 12 oktober 2026