ECLI:NL:TADRAMS:2026:225 Raad van Discipline Amsterdam 26-718/A/NH
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2026:225 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 12-10-2026 |
| Datum publicatie: | 15-10-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-718/A/NH |
| Onderwerp: | Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening |
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing; kennelijk ongegronde klacht over de eigen advocaat in een familiezaak. Het is de voorzitter niet gebleken dat verweerder klager geen effectieve bijstand heeft verleend. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 12 oktober 2026
in de zaak 26-718/A/NH
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerder
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Noord-Holland (hierna: de deken) van 13 augustus 2026 met kenmerk mr/ss/26-015/2548678, door de raad ontvangen op (eveneens) 13 augustus 2026 en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 7 (A-klachtdossier) en 8 en 9 (B-overige correspondentie). Ook heeft de voorzitter kennisgenomen van de door klager op 10 september 2026 nagezonden stukken.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier,
uit van de volgende feiten.
1.1 Klager is gehuwd geweest en uit dat huwelijk zijn (thans nog) twee minderjarige
kinderen geboren. Verweerder heeft klager als advocaat bijgestaan in de echtscheidingsprocedure.
Zijn ex-partner werd bijgestaan door mr. E. Tussen klager en zijn ex-partner zijn
onderling afspraken gemaakt over de zorgregeling van de kinderen.
1.2 Mr. E heeft verweerder op 19 juni 2025 een e-mail gestuurd met bijlagen genaamd:
incident 16 juni 2025. Mr. E schrijft dat klager zijn ex-partner nabij de school fysiek
heeft mishandeld en met de dood heeft bedreigd, en dat klager op dat moment zwaar
onder invloed van drugs leek. Deze e-mail heeft verweerder diezelfde dag aan klager
doorgestuurd. Verweerder schrijft klager het volgende:
“Hierbij deel ik met u de e-mail die ik van de advocaat van de wederpartij heb ontvangen.
Voor zover ik begrijp, heeft er onlangs een incident plaatsgevonden tussen u en de
wederpartij. Op dit moment verzoeken zij dat u de kinderen dit weekend niet meeneemt
en stellen zij voor om, zodra de situatie is gekalmeerd, het contact met uw kinderen
opnieuw op te starten met begeleiding van de vereniging (…). Indien u dat wenst, kunnen
wij dit onderwerp en de te nemen stappen bespreken op een moment dat het u schikt.”
1.3 Op 25 juni 2025 heeft mr. E aan verweerder geschreven dat klager zijn ex-partner
bleef bedreigen, ongevraagd op het schoolplein verscheen en dat er mogelijk sprake
is van drugsgebruik.
1.4 Op 2 juli 2025 heeft mr. E aan verweerder geschreven dat klager de zorgregeling
wederom niet was nagekomen: hij haalde de kinderen niet om 17.00 uur op maar wilde
dat pas om 21.30 uur doen en dat er over de telefoon een scheldkanonnade zou zijn
geweest.
1.5 Eerder in deze periode heeft het volgende contact plaatsgevonden tussen klager
en verweerder. Op 23 juni 2025 stond een telefonische bespreking tussen verweerder
en klager gepland (WhatsApp, 23 juni 2025). Klager kon echter niet opnemen omdat hij
bij de school van zijn kinderen was, waar zich een incident voordeed met de docenten.
Op 2 juli 2025 heeft verweerder per WhatsApp aan klager gevraagd wanneer zij elkaar
konden spreken (WhatsApp, 2 juli 2025, 11:02). Op 10 juli 2025 heeft verweerder wederom
een gesprek aangeboden (WhatsApp, 10 juli 2025, 12:56). Op 18 juli 2025 heeft een
bespreking plaatsgevonden op het kantoor van verweerder (WhatsApp, 18 juli 2025).
1.6 Kort na de bespreking op 18 juli 2025 is de situatie tussen klager en zijn
ex-partner geëscaleerd en heeft de ex-partner klager geblokkeerd. Klager heeft hierdoor
circa tien dagen geen contact gehad met zijn kinderen. Op 28 juli 2025 heeft klager
dit per e-mail aan verweerder gemeld.
1.7 Op 29 juli 2025 heeft verweerder hierover een inhoudelijke e-mail aan mr.
E gestuurd. Hierin heeft verweerder ook melding gemaakt van het feit dat klager op
16 juni 2025 ernstig was mishandeld door twee neven van klagers ex-partner en als
gevolg daarvan een kaakoperatie heeft moeten ondergaan en nog herstellende was van
zijn verwondingen. Op 31 juli 2025 heeft mr. E hierop gereageerd. Verweerder heeft
het antwoord dezelfde dag doorgestuurd aan klager.
1.8 Op 4 augustus 2025 heeft verweerder vanuit zijn vakantieadres in Turkije,
waar hij op dat moment verbleef, mr. E verzocht om het contact van klager met de kinderen
per direct te hervatten. Op 5 augustus 2025 heeft mr. E de bereidheid tot hervatting
bevestigd. Op 6 augustus 2025 heeft verweerder de afspraken bevestigd en klager geïnformeerd
over de stand van zaken. De zorgregeling is met ingang van 6 augustus 2025 hervat;
het betrof een wekelijks belmoment op woensdag om 18:00 uur en omgang van vrijdag
middag 17:00 uur tot zaterdagmiddag 17:00 uur.
1.9 Op 7 augustus 2025 heeft klager aan verweerder aangegeven de communicatie
voortaan uitsluitend schriftelijk te willen voeren en niet meer telefonisch of in
persoon bereikbaar te willen zijn voor verweerder. Ook heeft klager zorgen geuit over
verweerders bijstand aan hem. Volgens klager zijn er meerdere zaken voor hem onduidelijk
en vragen onbeantwoord gebleven.
1.10 Bij e-mail van 7 augustus 2025 heeft verweerder hierop geageerd en een aantal
inhoudelijke zaken over de verdeling van de woning, de lopende echtscheidingsprocedure
en de doorlooptijden bij de rechtbank Noord-Holland nader toegelicht aan klager. Daarbij
heeft verweerder klager ook gewezen op de zitting die op 8 september 2025 gepland
stond. Verder heeft hij aan klager toegelicht waarom hij klagers reacties niet heeft
gedeeld met de wederpartij. De e-mail luidt voor zover relevant:
“Het klopt dat ik mij in mijn e-mails aan de advocaat wederpartij beperkt heb tot
het meest relevante. Uw uitgebreide reacties heb ik dan ook niet gedeeld met de wederpartij.
Dat komt omdat mijn inzet nu gefocust was op herstel van het contact (hervatting tijdelijke
zorgregeling), dan de discussie aan te gaan of aan te wakkeren. Het is duidelijk dat
er geen overeenstemming komt, zodat de discussie dan via de rechtbank zal lopen in
de lopende procedure(s). Nu herstel van het contact is gelukt, denk ik dat deze strategie
heeft gewerkt. Dit maakt niet dat u op de inhoud ongelijk heeft of u als de schuldige
wordt gezien. Wij verplaatsen een eventuele discussie naar de instantie waar die moet
worden gevoerd.”
1.11 Op 19 augustus 2025 heeft klager herhaald dat hij verweerder niet wenste
te spreken, maar wel nog schriftelijke antwoorden verwachtte op eerder gestuurde mails
(WhatsApp, 19 augustus 2025, 20:46). Verweerder heeft klager na zijn terugkeer van
vakantie herhaaldelijk - op 19 augustus, 25 augustus en 27 augustus 2025 (WhatsApp)
-uitgenodigd voor een bespreking, telkens zonder resultaat. Op 26 augustus 2025 heeft
verweerder klager nogmaals per e-mail benaderd en klager laten weten dat hij hem alleen
kon bijstaan als zij daadwerkelijk met elkaar spraken.
1.12 Op (eveneens) 19 augustus 2025 heeft mr. E verweerder gemaild over de inschrijving
van een van de kinderen op een andere school en meegedeeld dat klager in de nakoming
van de zorgregeling was tekortgeschoten: klager had het eerste weekend na de hervatting
de kinderen al te vroeg thuisgebracht en het daaropvolgende weekend de kinderen helemaal
niet opgehaald, aldus mr. E.
1.13 Op 27 augustus 2025 heeft mr. E zowel stukken voor een voorlopige voorziening
als het verzoek tot vervangende toestemming voor de schoolinschrijving bij de rechtbank
ingediend.
1.14 Op 3 september 2025 heeft verweerder klager opnieuw geïnformeerd over de
zitting. Diezelfde dag om 17:04 uur heeft verweerder klager per e-mail de processtukken
van de wederpartij toegestuurd, de zittingsgegevens meegedeeld en een toelichting
gegeven op de verzoeken van de wederpartij (hoofdverblijf kinderen en kinderalimentatie
van € 250,- per kind per maand). Daarnaast heeft verweerder een concept-verweerschrift
met een zelfstandig verzoek om een zorgregeling van twee dagen per week toegezonden
en klager verzocht het concept te beoordelen en eventuele wijzigingen of aanvullingen
kenbaar te maken.
1.15 Hierop volgend heeft klager om uitstel van de zitting verzocht. Verweerder
hem klager op 4 september 2025 per e-mail meegedeeld dat de rechtbank dergelijke verzoeken
in familiezaken vrijwel nooit honoreert, maar dat hij desondanks het verzoek namens
klager zou indienen bij de rechtbank. Dat heeft verweerder diezelfde middag gedaan.
1.16 Nadat de rechtbank het uitstelverzoek op 5 september 2025 had afgewezen,
heeft verweerder die dag contact opgenomen met een tolk. Op 5 september 2025 om 14:00
uur heeft een voorbereidingsbespreking plaatsgevonden op het kantoor van verweerder.
Die avond om 19:52 uur is het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek voorlopige
voorzieningen digitaal ingediend bij de rechtbank.
1.17 Op 8 september 2025 heeft een zitting plaatsgevonden bij de familierechter
van de rechtbank Noord-Holland over alimentatie en voorlopige voorzieningen. Daarnaast
werd op die zitting het verzoek van de ex-partner behandeld tot vervangende toestemming
voor inschrijving van één van de kinderen op een andere school. Na de zitting heeft
op 24 september 2025 een overleg plaatsgevonden tussen klager en verweerder op het
kantoor van verweerder.
1.18 Op 13 januari 2026 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt
verweerder het volgende:
a) verweerder heeft klager onvoldoende bijgestaan en zijn belangen niet adequaat
behartigd;
b) verweerder heeft met de wederpartij gecommuniceerd over het geweldsincident
van 16 juni 2025 zonder dit vooraf met klager af te stemmen;
c) verweerder heeft declaraties onvoldoende gespecificeerd en klager laten betalen
voor een tolk terwijl deze mogelijk onder een toevoeging had kunnen vallen;
d) verweerder heeft zich niet schriftelijk verantwoord voor al het bovenstaande.
3 VERWEER
3.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna,
waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
Maatstaf
4.1 Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat.
Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk
onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de
vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt
de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de
zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd
door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene
professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk
bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.
4.2 Bij de beoordeling van een over een advocaat ingediende klacht dient de tuchtrechter
het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet
omschreven normen. Bij deze toetsing is de tuchtrechter niet gebonden aan de gedragsregels,
maar die regels kunnen, gezien het open karakter van de wettelijke normen, daarbij
van belang zijn. Of het niet naleven van een bepaalde gedragsregel ook tuchtrechtelijk
verwijtbaar handelen oplevert, hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt
door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
Klachtonderdeel a) - onvoldoende adequate bijstand
4.3 Klager stelt dat verweerder hem onvoldoende adequaat heeft bijgestaan. Juist
in de periode van 18 juli tot en met 8 augustus 2025, toen het contact met klagers
kinderen feitelijk werd verhinderd en de situatie escaleerde tot een ernstige crisissituatie
heeft verweerder geen tijdige, effectieve en richtinggevende juridische bijstand verleend.
Daarnaast had verweerder de zitting van 8 september 2025 onvoldoende voorbereid en
is klager niet geïnformeerd over een juridische strategie.
4.4 De voorzitter vindt voor deze verwijten geen steun in het klachtdossier.
Uit het klachtdossier blijkt juist dat verweerder klager meerdere malen duidelijk
heeft geïnformeerd over de risico’s en kansen in deze procedure. Op het moment dat
klager verweerder op 28 juli 2025 had medegedeeld dat hij zijn kinderen niet kon zien,
is verweerder voortvarend te werk gegaan en heeft hij direct de volgende werkdag (op
29 juli 2025) contact heeft opgenomen met mr. E. Hoewel het vervelend is dat het nog
dagen duurde voordat klager zijn kinderen weer kon zien, kan dit verweerder niet worden
verweten. Verweerder is immers daarin ook afhankelijk van de medewerking van de wederpartij.
4.5 Verder is het de voorzitter niet gebleken dat verweerder de zitting van 8
september 2025 onvoldoende heeft voorbereid. Verweerder heeft gemotiveerd aangevoerd
dat hij klager na zijn vakantie herhaaldelijk (op 19 augustus, 25 augustus en 27 augustus
2025), maar tevergeefs, heeft uitgenodigd voor een bespreking. Op 26 augustus 2025
heeft verweerder klager nogmaals per e-mail benaderd en aangegeven dat hij klager
alleen kon bijstaan indien zij elkaar daadwerkelijk spraken. Klager had echter aangegeven
uitsluitend nog schriftelijk met verweerder te willen communiceren. Toen mr. E vervolgens
op 27 augustus 2025 de processtukken bij de rechtbank indiende, kon verweerder niet
adequaat reageren op deze stukken zonder overleg met klager. Verweerder heeft klager
ondanks deze impasse op 3 september 2025 opnieuw geïnformeerd over de aanstaande zitting
en diezelfde dag, om 17:04 uur, de door de wederpartij ingediende processtukken per
e-mail toegezonden, voorzien van een toelichting. Tevens heeft verweerder een conceptverweerschrift
aan klager voorgelegd en klager verzocht het concept te beoordelen en eventuele wijzigingen
of aanvullingen kenbaar te maken. Diezelfde avond heeft klager niet met inhoudelijke
opmerkingen op het concept gereageerd, maar verzocht om uitstel van de zitting. Verweerder
heeft op 4 september 2025 dit verzoek bij de rechtbank gedaan, welk verzoek een dag
later werd afgewezen. Op 5 september 2025 heeft verweerder een tolk geregeld en heeft
er een voorbereidingsgesprek plaatsgevonden op zijn kantoor.
4.6 De voorzitter is op grond van al deze feiten en omstandigheden met verweerder
van oordeel dat klagers verwijt dat de zitting onvoldoende was voorbereid niet wordt
ondersteund door de feitelijke gang van zaken. Mocht al sprake zijn geweest van een
beperkte voorbereiding, dan heeft verweerder terecht betoogd dat dit het directe gevolg
is geweest van het feit dat klager van 7 augustus 2025 tot 5 september 2025 weigerde
telefonisch of persoonlijk met verweerder te communiceren. De door klager ingebrachte
stukken leveren naar het oordeel van de voorzitter geen ander beeld op.
4.7 Klachtonderdeel a) is gelet op het voorgaande dan ook volledig kennelijk
ongegrond.
Klachtonderdeel b) - communicatie zonder afstemming over incident van 16 juni 2025
4.8 Klager verwijt verweerder dat hij zonder afstemming met hem informatie heeft
gedeeld met de wederpartij over het incident van 16 juni 2025, waarbij klager ernstig
was mishandeld door twee neven van zijn ex-partner.
4.9 Verweerder heeft toegelicht dat hij het essentieel achtte dit incident naar
voren te brengen. Ten eerste omdat er op dat moment een reeks zware beschuldigingen
aan het adres van klager lag en het geweldsincident tegen klager die beschuldigingen
in een ander licht plaatste en duidelijk maakte dat de situatie niet eenzijdig was.
Het onvermeld laten van dit incident zou het onevenwichtige dossierbeeld volgens verweerder
hebben bestendigd. Ten tweede betrof het geen informatie die de wederpartij onbekend
was, aangezien het familieleden van de wederpartij betrof. Uit de reactie van mr.
E bleek ook dat de wederpartij hiervan op de hoogte was.
4.10 Hoewel de voorzitter begrijpt dat het voor klager vervelend is dat dergelijke
informatie over hem is gedeeld met de wederpartij, heeft verweerder toereikend onderbouwd
dat het in dit geval, in het belang van klager, noodzakelijk was om deze informatie
met de wederpartij te delen. De voorzitter is met verweerder van oordeel dat hij hiermee
geen vertrouwelijke of voor de wederpartij onbekende informatie heeft gedeeld. Klachtonderdeel
b) is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel c) - declaraties tolk
4.11 Klager verwijt verweerder dat zijn declaraties onvoldoende inzicht geven
in zijn werkzaamheden en dat de kosten voor de tolk niet door een toevoeging zijn
gedekt.
4.12 Nu klager het verwijt dat de declaraties onvoldoende inzicht geven, verder
niet heeft toegelicht of onderbouwd, kan de voorzitter dit verwijt niet beoordelen.
Dit klachtonderdeel is in zoverre reeds daarom kennelijk ongegrond. Voor het overige
slaagt dit klachtonderdeel evenmin. Verweerder heeft onbetwist aangevoerd dat klager
ten tijde van de opdrachtovereenkomst te veel verdiende om in aanmerking te komen
voor gefinancierde rechtsbijstand. Gedurende de looptijd van de opdracht is er volgens
verweerder geen aanleiding geweest om dit te herzien. Dat klagers nieuwe advocaat
nadien met succes een toevoegingsaanvraag heeft ingediend, doet daar niet aan af.
Er kunnen zich immers omstandigheden hebben voorgedaan waardoor de hoogte van het
inkomen van klager nu wel recht gaf op gefinancierde rechtsbijstand. Nu klager niet
in aanmerking kwam voor een toevoeging, is het vanzelfsprekend dat de tolk ook niet
onder een toevoeging viel. Klachtonderdeel c) is daarmee eveneens kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel d) - geen schriftelijke verantwoording
4.13 Klager verwijt verweerder dat hij geen schriftelijke verantwoording heeft
willen afleggen en heeft aangestuurd op telefoongesprekken of gesprekken op zijn kantoor.
4.14 De voorzitter volgt klager evenmin in dit verwijt. Uit de overgelegde stukken
blijkt dat verweerder meerdere malen schriftelijk heeft gereageerd op door klager
aangedragen klachten en zorgen. Dat hij heeft aangestuurd op persoonlijke gesprekken,
getuigt van een zorgvuldige behandeling van klagers zaak en is niet tuchtrechtelijk
verwijtbaar. Klachtonderdeel d) is dan ook kennelijk ongegrond.
4.15 Op grond van het voorgaande zal de voorzitter de klacht, met toepassing
van artikel 46j Advocatenwet, daarom kennelijk ongegrond verklaren. Al hetgeen klager
verder naar voren heeft gebracht leidt niet tot een ander oordeel.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
- de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. S.D. Arnold, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh als griffier en uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 12 oktober 2026