ECLI:NL:TADRAMS:2026:224 Raad van Discipline Amsterdam 26-720/A/A
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2026:224 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 05-10-2026 |
| Datum publicatie: | 09-10-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-720/A/A |
| Onderwerp: | Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen |
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij. In een arbeidsrechtelijk geschil tussen klaagster en haar werkgever werd de werkgever bijgestaan door verweerder. Klaagster werd bijgestaan door haar eigen advocaat. Het geschil is, na onderhandelingen, geëindigd in een vaststellingsovereenkomst. Klaagster verwijt verweerder dat hij daarbij onvoldoende met de belangen van klaagster rekening heeft gehouden. De voorzitter van de raad is van oordeel dat verweerder geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt, nu hij niet de belangen van klaagster behartigde maar die van de werkgever. Klaagster had zelf een advocaat die haar belangen behartigde. Dat, zoals klaagster lijkt te stellen, de werkgever de afspraken uit de vaststellingsovereenkomst niet goed nakomt, kan verweerder niet worden aangerekend of verweten. De klacht wordt kennelijk-ongegrond verklaard. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 5 oktober 2026 in de zaak 26-720/A/A
naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
over:
verweerder
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) van 13 augustus 2026 met kenmerk 2550108/EvR/JN, door de raad ontvangen op 13 augustus 2026, van de op de inventarislijst daarbij genoemde bijlagen 00 tot en met 04 en van de e-mail van klaagster van 27 augustus 2026 met daarbij gevoegde extra stukken.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier,
uit van de volgende feiten.
1.1 In een arbeidsrechtelijk geschil tussen klaagster en haar werkgever (hierna:
de werkgever) trad verweerder op als advocaat van de werkgever.
1.2 Klaagster was vanaf 1 september 2023 op basis van een arbeidsovereenkomst
voor bepaalde tijd werkzaam bij de werkgever als manager Automatisering & Informatisering.
De arbeidsovereenkomst liep van rechtswege af op 1 september 2024.
1.3 Begin 2024 is tussen klaagster en de werkgever een geschil ontstaan over
i) de wijze waarop klaagster haar functie uitoefende en ii) de voorzetting van het
dienstverband. Bij brief van 24 januari 2024 heeft de werkgever aan klaagster meegedeeld
dat haar arbeidsovereenkomst niet zou worden verlengd. Daarbij is klaagster met behoud
van salaris vrijgesteld van werkzaamheden en is aangekondigd dat partijen met elkaar
in overleg zouden treden over de beëindiging van het dienstverband.
1.4 Klaagster liet zich in deze kwestie bijstaan door mr. S. Na overleg tussen
verweerder en mr. S hebben partijen onderhandeld over de voorwaarden waaronder het
dienstverband zou eindigen. Deze onderhandelingen hebben op 12 februari 2024 geleid
tot overeenstemming en de gemaakte afspraken zijn vastgelegd in een door partijen
op die datum ondertekende vaststellingsovereenkomst (hierna: vso). In die overeenkomst
is onder meer vastgelegd dat het dienstverband per 1 september 2024 van rechtswege
eindigt, dat klaagster aanspraak heeft op een transitievergoeding en dat de werkgever
een bijdrage zal verstrekken voor kosten van rechtsbijstand en begeleiding naar een
nieuwe functie.
1.5 Nadat het dienstverband is geëindigd heeft klaagster meermaals contact opgenomen
met (medewerkers van) de werkgever over de begeleiding naar ander werk. Klaagster
was daarbij van mening dat zij aanspraak had op een zogenoemde ‘van-werk-naar-werkstatus’
en dat de werkgever gehouden was haar intensiever te begeleiden naar een nieuwe functie.
1.6 Op 22 januari 2026 heeft klaagster bij de deken een klacht ingediend over
verweerder.
2 KLACHT
De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar
heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerder
het volgende.
a) verweerder heeft namens de werkgever een vso ex artikel 7:900 BW opgesteld
waarbij ten onrechte het ambtenarenrecht niet is toegepast, waardoor klaagster niet
de ‘werk- naar-werk-status’ heeft gekregen en haar kansen op een nieuwe baan bij het
rijk aanzienlijk zijn verminderd;
b) verweerder heeft in de vso een misleidende bepaling opgenomen ten aanzien
van de vergoeding van kosten voor rechtsbijstand en begeleiding naar een nieuwe functie;
c) verweerder heeft nagelaten om adequaat de toegang van klaagster te waarborgen
tot de mobiliteitsbank en andere voorzieningen gericht op begeleiding naar ander werk;
d) verweerder heeft de vso op essentiële punten onvoldoende duidelijk gemotiveerd,
waardoor onduidelijkheid is ontstaan over de aanspraken van klaagster op begeleiding
naar ander werk en haar positie binnen een van-werk-naar-werk-traject.
3 VERWEER
Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar
nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
maatstaf
4.1 Naar vaste jurisprudentie van het Hof van Discipline dient de tuchtrechter
bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat
verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven
normen, onder andere inhoudende dat advocaten zich dienen te onthouden van enig handelen
of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. Artikel 10a van de Advocatenwet
bevat de kernwaarden onafhankelijkheid, partijdigheid, deskundigheid, (financiële)
integriteit en vertrouwelijkheid die advocaten bij de uitoefening van hun beroep in
acht dienen te nemen. Daarbij geldt dat een advocaat een bijzondere positie in de
rechtsbedeling vervult. Een advocaat dient zich te onthouden van handelingen waardoor
het vertrouwen in de advocatuur als zodanig wordt geschaad, en dient zich te allen
tijde te onthouden van een handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt.
De gedragsregels beogen invulling te geven aan de eisen die mogen worden gesteld aan
een goede taakuitoefening door een behoorlijk advocaat. De tuchtrechter toetst aan
de norm van artikel 46 van de Advocatenwet en niet aan de gedragsregels, waarbij de
gedragsregels overigens zo nodig wel van betekenis kunnen zijn bij bedoelde toets.
4.2 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle
advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen
cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang
van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen
van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen
zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten
niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel
van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is.
Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie
te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het
voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij
aan de wederpartij toebrengen.
ontvankelijkheid
4.3 Als meest verstrekkend verweer heeft verweerder aangevoerd dat klaagster
niet-ontvankelijk is in haar klacht, omdat zij als wederpartij geen rechtstreeks eigen
belang heeft bij haar verwijten die zien op de kwaliteit van dienstverlening van verweerder
aan zijn cliënt, de werkgever.
4.4 Daarin volgt de voorzitter verweerder niet. Klaagster ondervindt rechtstreeks
de gevolgen van de vso en heeft daarmee wel degelijk een eigen belang. De klacht is
ontvankelijk.
klachtonderdeel a): ten onrechte geen ‘van-werk-naar-werkstatus’
4.5 Klaagster stelt dat verweerder namens de werkgever een vso heeft opgesteld
waarin ten onrechte geen rekening is gehouden met haar positie als ambtenaar en de
daarbij behorende afspraken. Door de gekozen constructie van een vso heeft klaagster
volgens haar niet de ‘van-werk-naar-werkstatus’ gekregen. Daar had verweerder volgens
klaagster bij het opstellen van de vso rekening mee moeten houden.
4.6 De voorzitter overweegt dat de tuchtrechter uitsluitend een oordeel geeft
over al dan niet geschonden tuchtrechtelijke normen zoals hiervoor omschreven. Dit
klachtonderdeel ziet echter op de juridische inhoud van hetgeen tussen klaagster en
de werkgever is overgekomen en het valt daarmee buiten het beoordelingskader van de
tuchtrechter. Daarbij overweegt de voorzitter nog wel, zoals ook door verweerder is
aangevoerd, dat de vso tot stand is gekomen als resultaat van onderhandelingen tussen
klaagster en de werkgever. De vso is dus niet eenzijdig opgesteld door de werkgever
of verweerder, zoals klaagster met dit klachtonderdeel lijkt de suggereren. In de
onderhandelingen werd klaagster bijgestaan door een eigen advocaat die haar belangen
heeft behartigd. Als klaagster meent dat haar belangen niet goed zijn behartigd, valt
dat niet aan verweerder te verwijten. Verweerder behartigde de belangen van de werkgever
en heeft daarbij geen tuchtrechtelijke norm overschreden.
klachtonderdeel b): misleidende bepaling in de vso
4.7 Dit klachtonderdeel ziet op de bepalingen in de vso over de kosten van rechtsbijstand
en de begeleiding naar een nieuwe functie. Volgens klaagster heeft de werkgever zich
geregeld op deze bepaling beroepen en zich op het standpunt gesteld dat de verplichtingen
van de werkgever jegens klaagster grotendeels zijn geëindigd. Pas later heeft klaagster
van het UWV vernomen dat de werkgever als risicodrager gehouden bleef om klaagster
te begeleiden naar ander werk. De formulering van de bepalingen hebben er volgens
klaagster aan bijgedragen dat klaagster onvoldoende begeleiding heeft ontvangen.
4.8 Wat de voorzitter hiervoor heeft overwogen ten aanzien van klachtonderdeel
a) geldt ook voor dit klachtonderdeel. De formulering van de bedoelde bepalingen is
tot stand gekomen na onderhandelingen tussen partijen, waarbij klaagster werd bijgestaan
door een eigen advocaat. Of de werkgever gehouden bleef om klaagster te begeleiden
naar ander werk, zoals klaagster stelt, en zo ja, of de werkgever daarin dan is tekort
geschoten, is een juridisch inhoudelijke discussie waarin geen taak is weggelegd voor
de tuchtrechter. Van schending van een tuchtrechtelijke norm door verweerder is geen
sprake.
klachtonderdeel c): nagelaten om adequaat de toegang te waarborgen tot de mobiliteitsbank
en andere voorzieningen
4.9 In dit klachtonderdeel stelt klaagster dat onvoldoende rekening is gehouden
met het behoud van haar toegang tot voorzieningen die haar konden ondersteunen bij
het vinden van ander werk. In dit verband voert klaagster aan dat haar devices door
de werkgever zijn ingenomen en dat haar e-mailadres niet meer werkte. Klaagster stelt
dat zij daardoor kansen op passende functies heeft gemist en dat zij daardoor werd
belemmerd in haar zoektocht naar een nieuwe baan.
4.10 Ook hier ziet de voorzitter niet welk tuchtrechtelijk verwijt verweerder
kan worden gemaakt. Op grond van de vso was klaagster gehouden om haar devices in
te leveren, hetgeen in dergelijke gevallen – zoals verweerder heeft aangevoerd – niet
ongebruikelijk is. Niet valt in te zien hoe klaagster hierdoor is belemmerd in het
zoeken naar een nieuwe baan. Dat is immers niet afhankelijk van door een werkgever
in het kader van de uitoefening van de functie ter beschikking gestelde devices.
klachtonderdeel d): verweerder heeft de vso op essentiële punten onvoldoende duidelijk
gemotiveerd
4.11 Volgens klaagster had in de vso expliciet moeten worden vastgelegd welke
rechten en aanspraken zij had op begeleiding naar ander werk en op een van-werk-naar-naar-werkstatus.
Nu dit niet expliciet is vastgelegd is onduidelijkheid ontstaan over de rechtspositie
van klaagster en de ondersteuning waarop zij recht had na het einde van haar dienstverband.
Verder stelt klaagster dat zij ten tijde van het sluiten van de vso arbeidsongeschikt
was en dat verweerder volgens haar onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de achterliggende
arbeidsrechtelijke situatie alvorens de vso op te stellen.
4.12 Ook hier lijkt klaagster te suggereren dat de vso enkel door verweerder
dan wel de werkgever is opgesteld en lijkt zij eraan voorbij te gaan dat zij zelf
ook bij de totstandkoming van de vso was betrokken en daarin deskundige juridische
bijstand had. Dat klaagster achteraf van mening is dat aanvullende afspraken hadden
moeten worden opgenomen is niet iets wat verweerder kan worden verweten en tuchtrechtelijke
gevolgen voor hem zou moeten hebben. Ook is de voorzitter niet duidelijk wat klaagster
bedoelt met haar verwijt dat verweerder ‘onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de
achterliggende arbeidsrechtelijke situatie’. Daarbij wijst de voorzitter er nogmaals
op dat verweerder de belangen van de werkgever behartigde en niet die van klaagster.
Klaagster had immers een eigen advocaat.
conclusie
4.13 Op grond van het voorgaande zal de voorzitter de klacht, met toepassing
van artikel 46j Advocatenwet, in zijn geheel kennelijk ongegrond verklaren.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
- de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. J.J. Roos, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. H.P.J. Meijerink als griffier en uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 5 oktober 2026