ECLI:NL:TADRAMS:2026:223 Raad van Discipline Amsterdam 26-714/A/NH

ECLI: ECLI:NL:TADRAMS:2026:223
Datum uitspraak: 05-10-2026
Datum publicatie: 09-10-2026
Zaaknummer(s): 26-714/A/NH
Onderwerp:
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen
  • Ontvankelijkheid van de klacht, subonderwerp: Klachten waarbij klager geen belang heeft
Beslissingen: Voorzittersbeslissing
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing; klacht over advocaat van de wederpartij. Verweerster heeft in 2021 een medische verklaring gebruikt, ten aanzien waarvan in 2025 door het medisch tuchtcollege is geoordeeld dat de betreffende arts die niet had mogen afgeven. Dat betekent echter niet dat verweerster in 2021 tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Van misleiding en belangenverstrengeling is ook geen sprake. Die klachtonderdelen worden kennelijk-ongegrond verklaard. De overige klachtonderdelen zien op de verhouding tussen verweerster en haar cliënte, niet zijnde klaagster, en in die verhouding komt klaagster geen klachtrecht toe, zodat die klachtonderdelen kennelijk-niet ontvankelijk worden verklaard.

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 5 oktober 2026 in de zaak 26-714/A/NH

naar aanleiding van de klacht van:

  
klaagster

over:
 
verweerster

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Noord-Holland (hierna: de deken) van 12 augustus 2026 met kenmerk bb/ss/25-515/2534336, door de raad ontvangen op 12 augustus 2026, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 7. 

1    FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1    Klaagster heeft samengeleefd met mevrouw M. (hierna M.). Die samenwoning is in 2021 geëindigd. Klaagster en M. zijn in juridische procedures verwikkeld geraakt in verband daarmee. In die procedures werd M. bijgestaan door verweerster. 
1.2    Op verzoek van ‘een belangenhartiger van M’ heeft de huisarts van M. in april 2021 een schriftelijke verklaring afgegeven met daarin een beoordeling over de geestelijke gezondheidstoestand van M.
1.3    In een brief van 11 mei 2021 schrijft verweerster namens M. aan de advocaat van klaagster onder meer het volgende:
‘De handelwijze van uw cliënte gaat uit van de aanname dat (.. M ..) niet meer in staat zou zijn haar eigen wil te bepalen. Dat is in strijd met de werkelijkheid. Dit wordt bovendien niet gesteund noch gestaafd door de huisarts noch door het SPV DOC team van GGZ Parnassia.’
1.4    Op 9 juli 2021 heeft een mondelinge behandeling in kort geding plaatsgevonden in het kader van de beëindiging van de samenlevingsrelatie. Het betreffende vonnis is op 28 juli 2021 gewezen.
1.5    Op 1 januari 2023 is M. overleden. Vanaf november 2023 heeft verweerster de in het testament van M. benoemde executeur bijgestaan in het kader van de afwikkeling van de nalatenschap van M.  
1.6    Bij beslissing van de regionaal tuchtcollege voor de gezondheidszorg Amsterdam is de door klaagster tegen de huisarts van M. ingediende klacht gegrond verklaard en geoordeeld dat de huisarts de geneeskundige verklaring niet had mogen afgeven, omdat die betrekking had op een patiënt die bij hem onder behandeling stond. 
1.7    Op 11 november 2025 heeft klaagster bij de deken een klacht ingediend over verweerster. 

2    KLACHT
De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerster het volgende. 
a)    verweerster heeft een onrechtmatige en feitelijk onjuiste geneeskundige verklaring gebruikt;
b)    verweerster heeft de wederpartij en de rechter misleid door te stellen dat de huisarts en Panassia de wilsbekwaamheid bevestigden;
c)    verweerster is blijven procederen namens een cliënte van wie de wilsbekwaamheid ernstig werd betwijfeld, ondanks duidelijke signalen;
d)    verweerster handelende op aanwijzing van onbevoegde derden;
e)    verweerster treedt nu op voor de executeur van de nalatenschap van M, welke executeur is benoemd in het testament dat onder de eerdere betrokkenheid van verweerster tot stand is gekomen;
f)    verweerster heeft niet heeft gehandeld in het werkelijke belang van haar cliënte en daarmee het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad.

3    VERWEER
Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4    BEOORDELING
Maatstaf
4.1    Naar vaste jurisprudentie van het Hof van Discipline dient de tuchtrechter bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, onder andere inhoudende dat advocaten zich dienen te onthouden van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt.  Artikel 10a van de Advocatenwet bevat de kernwaarden onafhankelijkheid, partijdigheid, deskundigheid, (financiële) integriteit en vertrouwelijkheid die advocaten bij de uitoefening van hun beroep in acht dienen te nemen. Daarbij geldt dat een advocaat een bijzondere positie in de rechtsbedeling vervult. Een advocaat dient zich te onthouden van handelingen waardoor het vertrouwen in de advocatuur als zodanig wordt geschaad, en dient zich te allen tijde te onthouden van een handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. De gedragsregels beogen invulling te geven aan de eisen die mogen worden gesteld aan een goede taakuitoefening door een behoorlijk advocaat. De tuchtrechter toetst aan de norm van artikel 46 van de Advocatenwet en niet aan de gedragsregels, waarbij de gedragsregels overigens zo nodig wel van betekenis kunnen zijn bij bedoelde toets.
4.2    Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren.  Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.
klachtonderdeel a): gebruiken van een onrechtmatige en onjuiste geneeskundige verklaring
4.3    Klaagster stelt dat verweerster de door de huisarts afgegeven verklaring heeft gebruikt in haar processtukken en correspondentie. Die verklaring was volgens klaagster gericht aan de heer H. en bevatte tevens een juridisch advies om het testament van M. te wijzigen. Verweerster wist echter, of had moeten weten, dat die verklaring op een ondeugdelijke grondslag beruste. 
4.4    De voorzitter overweegt, daarbij verwijzend naar de hiervoor onder 4.2 omschreven norm, dat advocaten er in beginsel van uit mogen gaan dat de informatie die zij van hun client hebben gekregen juist is. In dit geval geldt dat voor de geneeskundige verklaring van een arts die verweerster onder ogen is gekomen. Verweerster betwist dat zij de verklaring in haar processtukken heeft gebruikt, waarbij zij verwijst naar de bij de voorzieningenrechter overlegde productieoverzichten waar die verklaring niet in wordt vermeld. Dat in 2025 door het regionaal medisch tuchtcollege is geoordeeld dat de huisarts die verklaring in 2021 niet had mogen afgegeven, maakt niet dat verweerster in 2021 wist of had moeten weten dat die verklaring niet mocht worden afgegeven. Verweerster heeft toen dus ook niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. De voorzitter constateert overigens dat in de uitspraak van het medisch tuchtcollege niets wordt vermeld over de inhoudelijke (on)juistheid van de verklaring van de huisarts.
4.5    Het verweer van verweerster dat dit klachtonderdeel is verjaard, omdat dit ziet op een handeling in 2021, volgt de voorzitter niet. Immers, pas in 2025 is geoordeeld dat de medische verklaring niet had mogen worden afgegeven. Die kennis had klaagster nog niet in 2021 en legt zij nu ten grondslag aan dit klachtonderdeel. Gelet echter op hetgeen hiervoor is overwogen zal de voorzitter dit klachtonderdeel kennelijk-ongegrond verklaren, omdat geen sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen. 
klachtonderdeel b): misleiding
4.6    Klaagster stelt dat verweerster aan de wederpartij heeft medegedeeld dat zowel de huisarts als GGZ Parnassia de wilsbekwaamheid van M. hebben bevestigd. Uit een brief van GGZ Parnassia van 27 maart 2025 blijkt volgens klaagster echter dat geen verklaring omtrent de wilsbekwaamheid was gegeven en verder onderzoek was bevolen. Klaagster stelt ook dat verweerster desgevraagd tijdens de mondelinge behandeling van het kort geding de betreffende verklaring van de huisarts niet over wilde leggen om privacyredenen, terwijl de rechter aangaf dat wel mogelijk was. Klaagster stelt dat verweerster hiermee een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven. 
4.7    De voorzitter constateert dat verweerster in haar brief van 11 mei 2021 niet heeft geschreven dat de huisarts en GGZ Parnassia de wilsbekwaamheid van M. hebben bevestigd. Zij schrijft daar dat de aanname van klaagster dat M. niet meer in staat zou zijn haar eigen wil te bepalen niet wordt gesteund of gestaafd door de huisarts en evenmin door GGZ Parnassia. De voorzitter ziet niet in wat hieraan tuchtrechtelijk verwijtbaar is en dat geldt ook voor het niet overleggen van de medische verklaring ter zitting bij de voorzieningenrechter. Dat in 2025 is geoordeeld dat de verklaring door de huisarts niet had mogen worden afgegeven maakt dit niets anders. Zoals hiervoor ook al is overwogen was dat gegeven in 2021 nog niet bekend. Ook dit klachtonderdeel zal de voorzitter kennelijk-ongegrond verklaren. Het verweer van verweerster dat ook dit onderdeel ziet op gebeurtenissen uit 2021 en dus dit klachtonderdeel te laat is ingediend volgt de voorzitter niet, nu dit klachtonderdeel ook zijn grondslag lijkt te vinden in de uitspraak van het regionaal medisch tuchtcollege van 2025.   
klachtonderdeel c): blijven procederen ondanks twijfels over wilsbekwaamheid
4.8    Klaagster stelt dat verweerster had moeten onderkennen dat M. in 2021 verward en beïnvloedbaar was, maar dat zij desondanks heeft doorgeprocedeerd zonder de wilsbekwaamheid van M. onafhankelijk te laten onderzoeken. 
4.9    De voorzitter overweegt dat dit klachtonderdeel niet zozeer ziet op de verhouding tussen klaagster en verweerster als advocaat van haar wederpartij, maar op de verhouding tussen verweerster en haar eigen cliënte M. In die verhouding komt klaagster geen tuchtrechtelijk klachtrecht toe. Voor zover klaagster met dit klachtonderdeel stelt dat verweerster namens een handelingsonbekwame heeft geprocedeerd en daarmee de gehele procedure onrechtmatig is, overweegt de voorzitter dat een oordeel daarover buiten het beoordelingskader van de tuchtrechter ligt. Dit klachtonderdeel zal de voorzitter kennelijk niet-ontvankelijk verklaren.  
klachtonderdeel d): handelen in opdracht van een onbevoegde derde
4.10    Klaagster stelt dat verweerster feitelijk handelde met - en in opdracht van de nicht van M. en daarmee op aanwijzing van een onbevoegde derde.  
4.11    Ook ten aanzien van dit klachtonderdeel en hetgeen daarbij verder nog is aangevoerd geldt dat dit ziet op de verhouding tussen verweerster en haar eigen cliënte M, zodat de voorzitter verwijst naar de overwegingen ten aanzien van het vorige klachtonderdeel. Verweerster betwist overigens ook de stelling van klaagster. De voorzitter zal dit klachtonderdeel kennelijk niet-ontvankelijk verklaren. 
klachtonderdeel e): optreden voor executeur; (schijn van) belangenverstrengeling
4.12    Klaagster stel dat kort na het kort geding in 2021 het testament van M. is gewijzigd ten gunste van de nicht van M. en verweerster nu optreedt voor de executeur die is benoemd in dat gewijzigde testament. Volgens klaagster was verweerster betrokken rondom de totstandkoming van dat gewijzigde testament en is sprake van ongeoorloofde belangenverstrengeling of in ieder geval de schijn daarvan. 
4.13    De voorzitter overweegt dat verweerster heeft betwist dat zij betrokken is geweest bij de totstandkoming van het gewijzigde testament. Dat is verder ook niet gebleken, zodat dit niet kan worden vastgesteld. Het is overigens ook onwaarschijnlijk dat zulks het geval is nu het gewijzigde testament kennelijk door tussenkomst van een notaris is opgemaakt, waarmee al een wettelijke basis is gegeven dat het betreffende testament tot stand is gekomen in overeenstemming met de wil van de testateur. Verder overweegt de voorzitter dat uit hetgeen in het kader van dit klachtonderdeel is aangevoerd en overgelegd niet van een belangenverstrengeling blijkt. Verweerster treedt nu op voor de executeur in de nalatenschap van haar voormalig cliënte M. Niet valt in te zien welke belangen doordoor verstrengeld zouden zijn. Overigens ziet gedragsregel 15, waar klaagster aan refereert in haar stukken, op het optreden van een advocaat tegen een voormalig cliënt van de betreffende advocaat. Daarvan is hier geen sprake. Klaagster is immers geen cliënte van verweerster en is dat ook niet geweest. De voorzitter zal dit klachtonderdeel kennelijk-ongegrond verklaren. 
klachtonderdeel f) niet handelen in het belang van haar cliënte en het vertrouwen in de advocatuur schaden
4.14    Ook dit klachtonderdeel ziet op de verhouding tussen verweerster en haar cliënte en is daarmee hetzelfde lot beschoren als de klachtonderdelen c) en d), zodat de voorzitter dit klachtonderdeel kennelijk niet-ontvankelijk zal verklaren. 

BESLISSING
De voorzitter verklaart: 
-    de klachtonderdelen c), d) en f), met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk niet-ontvankelijk;

-    de klachtonderdelen a), b) en e), met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.

Aldus beslist door mr. C.S. Schoorl, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. H.P.J. Meijerink als griffier en uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2026.
Griffier          Voorzitter


Verzonden op: 5 oktober 2026