ECLI:NL:TADRAMS:2026:222 Raad van Discipline Amsterdam 26-182/A/A
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2026:222 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 05-10-2026 |
| Datum publicatie: | 09-10-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-182/A/A |
| Onderwerp: | Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Dreigementen |
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Raadsbeslissing; verweerster heeft in haar brief aan klager vermeld dat haar cliënte, wanneer beslag niet mogelijk zou zijn omdat klager zijn bezittingen elders heeft ondergebracht, de publiciteit zal zoeken over de wijze waarop klager haar cliënte heeft benadeeld. Door op deze wijze te dreigen met media-aandacht heeft verweerster de belangen van klager op ontoelaatbare wijze geschaad. Verweerster heeft zodoende gehandeld in strijd met de wijze waarop een advocaat zich tegenover de wederpartij bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt behoort te gedragen. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 5 oktober 2026 in de zaak 26-182/A/A
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over
verweerster
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 3 juli 2025 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het
arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.
1.2 Op 5 maart 2026 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2503699/EvR/AP
van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 24 augustus 2026. Daarbij
waren klager en verweerster aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van
de op de inventarislijst genoemde bijlagen 01 tot en met 04. Ook heeft de raad kennisgenomen
van de e-mail van klager d.d. 30 maart 2026 met bijlagen.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier
en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Klager is of was verwikkeld in een geschil met zijn ex-partner, mevrouw D
(hierna: de ex-partner).
2.3 Bij vonnis van 21 januari 2015 van de rechtbank Noord-Holland is bepaald
dat klager en zijn ex-partner dienen over te gaan tot afrekening op grond van artikel
14 van de huwelijkse voorwaarden die tussen hen hebben gegolden op de wijze zoals
in rechtsoverweging 2.13 van dat vonnis is vastgesteld. Rechtsoverweging 2.13 van
dit vonnis luidt:
“Op basis van deze opstelling is het te verrekenen vermogen groot € 1324.202,30
+ 2.402.472.82 minus 181423,18 = (afgerond) € 3.545352,-. Ieder van partijen komt
toe een bedrag van € 1.772.626,-. [Klager] dient nog een bedrag van € 1.772.626,-
minus 1.324.202,- = € 448.424,- aan [de ex-partner] te voldoen.”
2.4 Per brief van 15 december 2022 heeft verweerster het volgende bericht aan
klager:
“Geachte [klager],
Uw ex-echtgenote, mevrouw [D], heeft zich tot mij gewend in verband met het volgende.
Toen cliënte en u een aantal jaren geleden zijn gescheiden, is door de rechtbank
Noord-Holland in het vonnis van 21 januari 2015 een opstelling gemaakt met betrekking
tot de afrekening van het finaal verrekenbeding dat in de huwelijkse voorwaarden was
opgenomen.
Op basis van deze opstelling is de rechtbank tot de conclusie gekomen dat — alle
passiva en activa van beide partijen daarin meegewogen — u aan cliënte nog een bedrag
van € 448.424,00 dient te voldoen. De afrekening heeft nooit plaatsgevonden en u heeft
het aan cliënte verschuldigde bedrag nooit betaald.
Nadat cliënte heeft geprobeerd het vonnis op u ten uitvoer te laten leggen, heeft
u zich failliet laten verklaren zodat cliënte niet meer in staat was om haar vordering
op u te verhalen. Het vonnis blijft echter in stand.
Onlangs bent u meermaals verschenen in de televisieserie The real Housewives of
Amsterdam waarbij meer dan duidelijk is geworden dat u in grote weelde leeft en er
van een faillissement geen sprake (meer) is.
Cliënte staat nu de mogelijkheid open om beslag te laten leggen op al uw bezittingen
of, wanneer dat niet mogelijk zou zijn omdat u deze elders hebt ondergebracht, de
publiciteit te zoeken over de wijze waarop u cliënte hebt benadeeld. Wellicht heeft
u het eerste artikel hierover al gezien in De Telegraaf. Van cliënte begreep ik dat
andere media staan te trappelen om haar te interviewen hierover.
Ik ga er van uit dat u het zover niet wilt laten komen en nodig u uit om binnen
zeven dagen na dagtekening van deze brief met een voorstel te komen zodat alsnog de
uitspraak van de rechtbank kan worden nagekomen en aan cliënte het haar toekomende
deel wordt uitbetaald. Mocht u in termijnen willen betalen, dan neem ik aan dat cliënte
daartoe bereid zal zijn. (…)”
2.5 Klager heeft aangifte gedaan tegen de ex-partner na ontvangst van de brief
van 15 december 2022. Op 30 januari 2025 is de ex-partner veroordeeld voor smaad/laster
maar niet voor afdreiging, nadat zij op de zitting van de politierechter te Amsterdam
van 30 september 2024 heeft verklaard dat zij geen wetenschap had van de hiervoor
genoemde brief van 15 december 2022 van verweerster. Ook heeft de ex-partner verklaard
dat zij inmiddels een andere advocaat heeft.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt
verweerster het volgende.
3.2 Verweerster heeft klachtwaardig gehandeld door in de brief van 15 december
2022 te stellen dat als klager niet met een voorstel komt om de ex-partner het uit
een vonnis van 21 januari 2015 verschuldigde bedrag te betalen, de ex-partner overweegt
om beslag te laten leggen of om de publiciteit op te zoeken. Klager voelt zich door
het handelen van verweerster onder druk gezet, dan wel bedreigd/gechanteerd.
3.3 De raad zal hierna op de klacht ingaan.
4 VERWEER
4.1 Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar
nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
Maatstaf
5.1 Deze klachtzaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor
alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van
hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in
het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen
de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden.
Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook
mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten
er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen
juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van
die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te
wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel
dat zij aan de wederpartij toebrengen. Wel moet de advocaat zich onthouden van middelen
die op zichzelf beschouwd ongeoorloofd zijn of die, zonder dat zij tot enig noemenswaardig
voordeel van zijn cliënt strekken, onevenredig nadeel aan de wederpartij toebrengen.
5.2 De raad zal het handelen van verweerster aan deze maatstaf toetsen.
Beoordeling
5.3 Klager heeft ter onderbouwing van zijn klacht naar voren gebracht dat hij
zich door de brief van verweerster gechanteerd en bedreigd voelt. In plaats van in
de brief op te nemen dat de media staan te trappelen haar te interviewen, had verweerster
haar cliënte moeten laten weten dat chantage niet de juiste weg is. Zijn ex-partner
heeft eerder de publiciteit opgezocht en daarvan heeft klager veel nadeel heeft ondervonden.
Verder geeft klager aan dat hij het niet eens is met de in de brief genoemde bedragen
die van hem gevorderd zouden worden. Ten onrechte is geen rekening gehouden met bedragen
die zijn ex-partner al heeft ontvangen.
5.4 Onder verwijzing naar de onder 5.1 weergegeven maatstaf, overweegt de raad
dat verweerster er in beginsel vanuit mocht gaan dat de door haar van haar cliënte
verkregen informatie juist was. Van omstandigheden op grond waarvan verweerster deze
informatie had moeten verifiëren, is de raad niet gebleken. Evenmin valt het verweerster
tuchtrechtelijk aan te rekenen dat zij in de brief heeft vermeld dat haar cliënte
beslag kan laten leggen als betaling van het op grond van een vonnis verschuldigde
bedrag uitblijft.
5.5 In de brief heeft verweerster echter ook vermeld dat haar cliënte, wanneer
beslag niet mogelijk zou zijn “omdat [klager] zijn bezittingen elders he[ef]t ondergebracht,
de publiciteit [zal] zoeken over de wijze waarop [klager] cliënte he[ef]t benadeeld”,
en daaraan toegevoegd: “Wellicht heeft u het eerste artikel hierover al gezien in
De Telegraaf. Van cliënte begreep ik dat andere media staan de trappelen om haar te
interviewen hierover”. Die aankondiging kan niet anders dan als een dreigement worden
opgevat, wat klager ook heeft gedaan. Door op deze wijze te dreigen met media-aandacht,
duidelijk ook als pressiemiddel om klager tot betaling te bewegen, heeft verweerster
de belangen van klager op ontoelaatbare wijze geschaad. Verweerster heeft zodoende
gehandeld in strijd met de wijze waarop een advocaat zich tegenover de wederpartij
bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt behoort te gedragen.
5.6 Ook als het slechts het doorgeven van een mededeling van de eigen cliënt
betrof, zoals verweerster naar voren heeft gebracht, heeft verweerster laakbaar gehandeld.
Het behoort immers tot de taak van de advocaat ervoor te waken dat de rechtsstrijd
wordt gestreden met geoorloofde middelen. Dat betekent niet alleen dat hij zelf geen
ongeoorloofde middelen mag gebruiken, maar hij mag zich ook niet lenen tot assistentie
bij het gebruik van ongeoorloofde middelen door zijn cliënt.
5.7 De klacht is daarom gegrond. Voor zover klager zich nog heeft beklaagd over
de in de brief genoemde bedragen die van hem zouden worden gevorderd, gaat dit de
reikwijdte van de onderhavige klacht te buiten. Bovendien betreft dit een civielrechtelijke
kwestie die zich niet leent voor beoordeling in een tuchtprocedure.
6 MAATREGEL
6.1 Alle omstandigheden in aanmerking nemend, waaronder de aard en de ernst van
de verweten gedraging, zal de raad aan verweerster de maatregel van waarschuwing opleggen.
Zoals verweerster ter zitting naar voren heeft gebracht, heeft zij in het kader van
de voorbereiding van de zitting in de onderhavige zaak ingezien dat zij klager niet
op deze manier had mogen aanschrijven. Niettemin acht de raad een waarschuwing passend
en geboden.
7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING
7.1 Omdat de raad de klacht gegrond verklaart, moet verweerster op grond van
artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klager betaalde griffierecht van € 50,- aan
hem vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden.
Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer
schriftelijk aan verweerster door.
7.2 Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerster daarnaast op grond
van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
a) € 25,- reiskosten van klager,
b) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
c) € 500,- kosten van de Staat.
7.3 Verweerster moet het bedrag van € 25,- aan reiskosten binnen vier weken nadat
deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klager. Klager geeft binnen
twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerster
door.
7.4 Verweerster moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder
b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is
geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A,
Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling
raad van discipline" en het zaaknummer.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart de klacht gegrond;
- legt aan verweerster de maatregel van waarschuwing op;
- veroordeelt verweerster tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klager;
- veroordeelt verweerster tot betaling van de reiskosten van € 25,- aan klager,
op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3;
- veroordeelt verweerster tot betaling van de proceskosten van € 1.250, - aan
de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór
bepaald in 7.4;
Aldus beslist door mr. K.M. van Hassel, voorzitter, mrs. I.J. de Laat en M. Kemmers, leden, bijgestaan door mr. P.H.A. Neuschäfer als griffier en uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 5 oktober 2026