ECLI:NL:TADRAMS:2026:218 Raad van Discipline Amsterdam 26-709/A/A

ECLI: ECLI:NL:TADRAMS:2026:218
Datum uitspraak: 05-10-2026
Datum publicatie: 09-10-2026
Zaaknummer(s): 26-709/A/A
Onderwerp:
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Grievende uitlatingen
  • Ontvankelijkheid van de klacht, subonderwerp: Tijdverloop tussen gewraakte gedraging en indienen van de klacht
Beslissingen: Voorzittersbeslissing
Inhoudsindicatie: voorzittersbeslissing. Naar het oordeel van de voorzitter mocht verweerder afgaan op de van zijn cliënte ontvangen feitelijke informatie zoals hij dat heeft gedaan. Klaagster of haar advocaat heeft tegen vermeende onjuiste feiten en standpunten verweer kunnen voeren in de verschillende procedures. Het behoort verder niet tot de taak van de tuchtrechter om over de juistheid van standpunten in een civielrechtelijk geschil een oordeel te geven. Dat is voorbehouden aan de civiele rechter, tenzij duidelijk is dat de verwerende advocaat de in de beslissing genoemde maatstaf heeft overtreden. Daarvan is de voorzitter echter niet gebleken. Deels kennelijk ongegrond, deels niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding.


Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort  Amsterdam
van 5 oktober 2026

in de zaak 26-709/A/A


naar aanleiding van de klacht van:

klaagster


over

verweerder

De voorzitter van de raad van discipline heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam van 11 augustus 2026 met kenmerk 2538679/ER/JN en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen.

1 FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.

1.1 [I] B.V. (hierna: [I]) heeft haar activa verkocht aan [M] B.V. (hierna: [M] Holding), thans [S] B.V. (klaagster). [P] B.V. (hierna: [P] Holding) stelt – als minderheidsaandeelhouder van [I]  – te zijn benadeeld doordat deze verkoop zonder haar vereiste toestemming zou zijn doorgezet.

1.2 Enig aandeelhouder van klaagster is Stichting [X], waarvan de heer [naam klager] enig bestuurder is. Vanuit die hoedanigheid was hij betrokken bij de onderhandelingen rondom de voorgenomen overname van I[I]  aan [M] en de daaropvolgende procedures.

1.3 Tussen [P] enerzijds en onder meer [S], [Y] B.V. (hierna: [Y] Holding) en de heer M. anderzijds is vervolgens een civiele procedure gevoerd. [P] heeft schadevergoeding gevorderd en gesteld dat [M] onrechtmatig heeft gehandeld. Verweerder heeft [P] bijgestaan.

1.4 Bij vonnis van 22 maart 2023 heeft de rechtbank Amsterdam de vorderingen van [P] grotendeels afgewezen. Hiertegen heeft [P] hoger beroep ingesteld.

1.5 De mondelinge behandeling in hoger beroep heeft plaatsgevonden op 20 november 2024.

1.6 Bij arrest van 15 juli 2025 heeft het Gerechtshof Amsterdam het vonnis van de rechtbank vernietigd ten aanzien van de toewijzing van de gevorderde verklaring voor recht dat [S] is tekortgeschoten in de nakoming van de aandeelhoudersovereenkomst, de proceskosten tussen [P] en [S] gecompenseerd en het vonnis voor het overige bekrachtigd.

1.7 Op 5 december 2025 heeft de gemachtigde namens klaagster bij de deken een klacht ingediend over verweerder.

2 KLACHT

De klacht houdt in, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:

  1. feitelijke informatie in de hoger beroepsprocedure in te brengen en is blijven poneren, terwijl verweerder wist, althans behoorde te weten, dat deze informatie onjuist was;

Toelichting: Volgens klaagster geldt dit in het bijzonder voor de door [P] ingenomen standpunten over de commerciële waarde en toekomstperspectieven van [I] ten tijde van de verkoop van haar activa. [P] heeft zich daarbij onder meer beroepen op een rapport van J&L waarin wordt verwezen naar een door [S] in december 2020 opgesteld commercieel plan, de zogenoemde “Sales Funnel” uit 2020. Verweerder wist, althans behoorde te weten, dat de in de Sales Funnel opgenomen omzetkansen geen reëel beeld gaven van de werkelijke commerciële positie van [I]. Een groot deel van de daarin opgenomen offertes waren reeds vervallen, afgewezen dan wel niet langer actueel. Toch heeft verweerder deze feitelijke informatie aan de standpunten van [P] ten grondslag gelegd. In ieder geval na de mondelinge behandeling in eerste aanleg was verweerder bekend met de bezwaren tegen de juistheid van de Sales Funnel, maar verweerder is deze informatie daarna in hoger beroep blijven poneren;

  1. zich mondeling onnodig grievend over de bestuurder van klaagster uit te laten;

Toelichting: Na afloop van de mondelinge behandeling in hoger beroep op 20 november 2024 heeft verweerder tegen de bestuurder van klaagster gezegd: ‘succes met je winkeltje’. Dit wordt door heer M bevestigd. Een dergelijke neerbuigende en denigrerende uitlating is onnodig grievend en dient geen redelijk doel, terwijl daarmee ook de eer en goede naam van de bestuurder van klaagster wordt aangetast;

  1. geen duidelijkheid te verschaffen over de hoedanigheid waarin hij optrad in het proces rondom de verkoop van [I]  aan ([A], onderdeel van) de [M];

Toelichting: Volgens klaagster hebben diverse gesprekken, e-mails en andere contacten in 2021 de indruk gewekt dat verweerder niet uitsluitend optrad voor [P] maar tevens betrokken was als adviseur van [I] en haar aandeelhouders. Klager verwijst onder meer naar de transcriptie van een voice memo van 17 september 2021. Verweerder heeft pas na diverse besprekingen en correspondentie inzake een activa-passiva transactie betreffende [I] expliciet kenbaar gemaakt uitsluitend voor [P] op te treden. Verweerder had dat eerder en op eigen initiatief aan klaagster kenbaar moeten maken.

3 VERWEER

3.1 Verweerder heeft tegen de klacht onder meer het volgende verweer gevoerd.

Klachtonderdeel a)

3.2 Dit verwijt ziet op inhoudelijke standpunten die door verweerder zijn ingenomen in een civiele procedure en die zijn gebaseerd op een door de wederpartij zelf aangeleverd commercieel plan uit december 2020 en daarop gebaseerde conclusies van een onafhankelijke deskundige. Volgens verweerder is de beoordeling van deze standpunten voorbehouden aan de civiele rechter en valt deze buiten het bereik van het tuchtrecht. Noch in eerste aanleg noch in hoger beroep is door [M] of [S] het standpunt ingenomen dat de door [S] opgestelde Sales Funnel feitelijk onjuist was of in strijd met de waarheid. Volgens verweerder heeft klaagster ook niet inzichtelijk gemaakt welke door verweerder verstrekte informatie feitelijk onjuist zou zijn geweest, noch dat verweerder wist of behoorde te weten dat daarvan sprake was

Klachtonderdeel b)

3.3 Verweerder kan zich niet herinneren dat hij de beweerdelijke uitlating zou hebben gedaan.

Klachtonderdeel c)

3.4 Verweerder stelt dat klaagster niet-ontvankelijk is in dit klachtonderdeel, nu het betrekking heeft op feiten uit 2021 en buiten de wettelijke termijn door klaagster is ingediend.

4 BEOORDELING

Maatstaf

4.1 Een klacht over een advocaat moet worden ingediend binnen drie jaar nadat de klager op de hoogte was of redelijkerwijs kon zijn van de feiten waarover wordt geklaagd (artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet). Het moet gaan om kennis die de klager uit objectieve bronnen heeft verkregen. Als deze driejaarstermijn is verlopen zonder dat klager een klacht heeft ingediend, vervalt in principe het recht om te klagen. Dit is anders als klager pas na de driejaarstermijn over informatie beschikt (en ook daar niet eerder over kon beschikken), die gaat over de gevolgen van het handelen of nalaten waar de klacht over gaat. In dat geval vervalt het recht om te klagen één jaar nadat klager van de informatie kennis heeft genomen (artikel 46g lid 2 Advocatenwet). De achterliggende gedachte van deze regel is dat een advocaat niet tot in lengte van dagen rekening hoeft te houden met tuchtklachten over zijn doen en laten uit het verleden.

4.2 De tuchtrechter toetst het aan de advocaat verweten handelen of nalaten aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen, gezien ook het open karakter van de norm van de in artikel 46 Advocatenwet genoemde behoorlijkheidsnorm, wel van belang zijn. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.

4.2 Deze zaak betreft een klacht tegen de advocaat van de wederpartij van klaagster. Voor alle advocaten geldt dat zij in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Niet voor niets is partijdigheid een belangrijke kernwaarde voor advocaten (artikel 10a Advocatenwet). Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is. Wel moeten zij voorkomen dat zij de belangen van de wederpartij onnodig en op ontoelaatbare wijze schaden. Advocaten mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen zij niet bewust onjuiste informatie verschaffen om daarmee de rechter te misleiden. Verder geldt dat advocaten ervan mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Tot slot hoeven zij in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken met de middelen waarvan zij zich bedienen, opweegt tegen het nadeel dat zij daarmee aan de wederpartij toebrengen.

Klachtonderdeel a)

4.4 Naar het oordeel van de voorzitter mocht verweerder afgaan op de van zijn cliënte ontvangen feitelijke informatie zoals hij dat heeft gedaan. Klaagster of haar advocaat heeft tegen vermeende onjuiste feiten en standpunten verweer kunnen voeren in de verschillende procedures. Het behoort verder niet tot de taak van de tuchtrechter om over de juistheid van standpunten in een civielrechtelijk geschil een oordeel te geven. Dat is voorbehouden aan de civiele rechter, tenzij duidelijk is dat de verwerende advocaat de hierboven in 4.2 en 4.3 genoemde maatstaf heeft overtreden. Daarvan is de voorzitter echter niet gebleken. Klachtonderdeel a) wordt daarom kennelijk ongegrond verklaard.

Klachtonderdeel b)

4.5 Voor zover verweerder de gewraakte uitlating na de mondelinge behandeling heeft gedaan, verweerder betwist dat, is die uitlating niet fraai en onnodig geweest maar daarmee overschrijdt verweerder naar het oordeel van de voorzitter de grenzen van de hem toekomende vrijheid niet. Daarom wordt klachtonderdeel b) kennelijk ongegrond verklaard.

Klachtonderdeel c)

4.6 Uit de stukken is de voorzitter gebleken dat dit verwijt betrekking heeft op het handelen van verweerder in 2021. Naar het oordeel van de voorzitter is de in artikel 46g lid 1 sub a Advocatenwet benoemde termijn in ieder geval begin 2022 aangevangen. De klacht is echter pas op 5 december 2025 door klaagster bij de deken ingediend en daarmee ruim buiten de genoemde termijn van drie jaar. Nu verder van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verschoonbaar zou kunnen zijn dat dit klachtonderdeel buiten de termijn is ingediend niet is gebleken, is klachtonderdeel c) op grond van artikel 46g lid 1 sub a Advocatenwet niet-ontvankelijk. Aan een inhoudelijke beoordeling van dit verwijt komt de voorzitter dus niet meer toe.

BESLISSING

De voorzitter verklaart:

klachtonderdelen a) en b), met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond;

klachtonderdeel c), met toepassing van artikel 46g, lid 1 onder a Advocatenwet, niet-ontvankelijk.

Aldus beslist door mr. M.V. Ulrici, voorzitter, bijgestaan door mr. M.M. Goldhoorn als griffier en uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2026.

Griffier                                                                                                                            Voorzitter

Verzonden op: 5 oktober 2026