ECLI:NL:TADRAMS:2026:217 Raad van Discipline Amsterdam 26-691/A/A
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2026:217 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 05-10-2026 |
| Datum publicatie: | 09-10-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-691/A/A |
| Onderwerp: | Ontvankelijkheid van de klacht, subonderwerp: Tijdverloop tussen gewraakte gedraging en indienen van de klacht |
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | voorzittersbeslissing. Verweerder heeft aanvankelijk samen met de primaire behandelaar de zaak van klager gedaan. Na overstap van de primaire behandelaar heeft deze het dossier meegenomen. Het was aan die advocaat om klager daarover te informeren. Verdere klacht is te laat ingediend en daarmee niet-ontvankelijk. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 5 oktober 2026
in de zaak 26-691/A/A
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over
verweerder
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) van 5 augustus 2026 met kenmerk 2530635/ER/JN, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten:
1.1 Tussen klager en zijn voormalige zakenpartners, de heren M en K, speelt een langdurig en complex juridisch geschil, voortvloeiend uit hun in 2003 opgerichte onderneming FM B.V. (hierna: FM). Binnen FM werden diverse muziekprojecten beheerd en geëxploiteerd.
1.2 In 2018 is een conflict ontstaan over de rechten, exploitatie en managementstructuur van deze projecten met de voormalige frontman, de heer S. Dit conflict heeft geleid tot procedures tussen FM en de heer S.
1.3 In november 2018 is verweerder overgestapt als advocaat-medewerker naar bureau B. Mr. B was toen ook werkzaam bij Bureau B en vanaf mei 2018 de primaire behandelaar/advocaat van FM. Hij werd bij het S-dossier afwisselend ondersteund door verschillende medewerkers, waaronder vanaf november 2018 door verweerder.
1.4 In de jaren daarna zijn tussen de drie zakenpartners onderling ook geschillen ontstaan. Ondanks deze spanningen bleven klager en zijn zakenpartners in het S-dossier gezamenlijk optrekken. Op verzoek van de gezamenlijke zakenpartners van FM heeft mr. B geprobeerd via mediation hun onderlinge verhoudingen te verbeteren. Verweerder was niet betrokken bij deze gesprekken.
1.5 Op 1 mei 2024 zijn verweerder en mr. B overgestapt naar advocatenkantoor [X]. Op verzoek van klager en zijn zakenpartners bleef mr. B, met bijstand van -onder andere- verweerder, FM bijstaan in hun geschil met S.
1.6 Vanaf juni 2024 stond de zaak tegen S voor arrest bij het gerechtshof Den Haag. Verweerder heeft namens klager en zijn zakenpartners op 5 september 2024 en op 4 maart 2025 stuitingsbrieven gestuurd naar aanleiding van het vonnis van 17 maart 2021 om verjaring van eventuele dwangsommen te voorkomen. In de tussentijd en in afwachting van het arrest is verweerder niet meer bij het S-dossier betrokken geweest.
1.7 Per februari 2025 is de samenwerking tussen verweerder en mr. B formeel geëindigd. Verweerder is bij [X] blijven werken, mr. B is gaan werken vanuit zijn toenmalige kantoor [Y]. Mr. B heeft het S-dossier meegenomen en verder behandeld.
1.8 In een e-mail van 2 mei 2025:
- om 10:27 uur: heeft klager aan mr. B, en aan (ook) verweerder in de cc, geschreven dat hij niets heeft gehoord over het al dan niet voortzetten van de mediation. Klager heeft mr. B daarom dringend verzocht om diezelfde dag aan de advocaten van S te bevestigen, met klager in de cc, dat mr. B en (onder meer) verweerder vanwege het ontstane belangenconflict tussen de zakenpartners niet langer voor FM kunnen optreden. Verder heeft hij geschreven:
Voor de zekerheid zet ik [voornaam verweerder] en [voornaam andere advocaat] in cc, aangezien jij momenteel met vakantie bent.
Erg jammer mannen dat ondanks mijn vele verzoeken tot mediation tussen ons 3-en dit zo allemaal moet lopen door dat jullie niet meer open staan voor communicatie/mediation.
- om 15:50 uur: heeft verweerder aan klager gemaild dat hij hem niet kan helpen omdat hij niet op de hoogte is van de stand van zaken;
- om 19:51 uur: heeft klager aan verweerder, met (onder meer) mr. B en de zakenpartners in de cc, onder andere geschreven:
Volgens de door jullie aangeboden engagement letter van [X] treed jij, evenals [voornaam mr. B], op als onze advocaat namens dat kantoor. Tot op heden heb ik geen bericht van jou of van [voornaam mr. B] ontvangen waarin wordt aangegeven dat deze samenwerking is beëindigd. Mocht ik hierover een bericht gemist hebben, dan verneem ik dat uiteraard graag.
Uit jouw bericht begrijp ik dat je niet op de hoogte bent van de laatste stand van zaken. Dat suggereert dat [voornaam mr. B] jou hierover niet heeft geïnformeerd, hetgeen bij mij de nodige zorgen oproept. Gezien het belang van de kwestie verzoek ik je dringend om vandaag nog contact op te nemen met [voornaam mr. B], en om namens mij alsnog vandaag een bericht te sturen aan de advocaten van [S]. Mijn expliciete verzoek om dit uiterlijk om 17:00 uur vandaag op te pakken is helaas niet uitgevoerd, en ik verwacht alsnog dat hier vandaag opvolging aan wordt gegeven. (…)
1.9 In een e-mail van 3 mei 2025:
- om 9:48 uur: heeft verweerder aan klager geschreven dat hij klager niet verder kan helpen omdat de samenwerking met mr. B is geëindigd en mr. B het S-dossier heeft meegenomen;
- om 13:26 uur: heeft klager aan verweerder en mr. B onder andere geschreven dat de zakenpartners van FM na zeven jaar samenwerking nooit een formele kennisgeving hebben ontvangen dat de samenwerking met [X] is geëindigd en hun S-dossier zonder overleg aan het kantoor van mr. B is overgedragen. Volgens klager is zijn rechtspositie door het optreden van verweerder en mr. B ernstig geschaad en zijn daardoor de kansen op een buitengerechtelijke oplossing vóór de uitspraak op 6 mei 2025 vrijwel verdwenen. Klager heeft verweerder en mr. B dringend verzocht om nog die dag voor 18.00 uur de advocaten van S en het gerechtshof te informeren dat zij vanwege een ernstig belangenconflict niet langer als advocaten van FM of voor een van de zakenpartners kunnen optreden, onder dreiging met een tuchtklacht;
- om 16:10 uur: heeft mr. B aan klager en verweerder, met de zakenpartners van klager in cc, inhoudelijk op de e-mail van klager gereageerd. Mr. B heeft daarin erkend dat FM een engagement letter van zijn nieuwe kantoor had moeten ontvangen. Daartoe bestond toen geen onmiddellijke noodzaak omdat het S-dossier al 1,5 jaar stil lag in afwachting van arrest. Omdat mr. B sinds zeven jaar hoofdbehandelaar was, is tussen verweerder en mr. B afgesproken dat mr. B het S-dossier zou blijven doen. Volgens mr. B heeft hij klager op 21 maart 2025 ook schriftelijk over zijn overstap geïnformeerd en heeft klager daarop gereageerd zonder zich over die overstap druk te maken.
1.10 Op 8 mei 2025 is aan de advocaat van S gemeld dat verweerder en mr. B niet langer optreden voor (de zakenpartners van) FM.
1.11 Klager heeft verweerder en mr. B op 12 mei 2025 in gebreke gesteld. Op 3 september 2025 heeft klager naar zijn e-mail van 12 mei 2025 verwezen en aangekondigd dat hij naar de rechter zal stappen en tuchtklachten zal indienen.
1.12 Op 5 oktober 2025, aangevuld op 30 oktober 2025, heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder. Ook tegen mr. B heeft klager een klacht ingediend.
2 KLACHT
De klacht houdt in, zakelijk weergegeven, dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:
- na te hebben gelaten om klager te informeren dat het S-dossier met mr. B is meegegaan bij zijn overstap naar zijn nieuwe kantoor zonder deze dossieroverdracht formeel vast te leggen. Klager wist pas in mei 2025 dat verweerder zijn betrokkenheid bij het dossier had beëindigd;
- zijn onafhankelijkheid te schenden door geen openheid van zaken te geven over zijn nauwe privéband met (de familie van) de heer M, terwijl hij (mede) juridisch betrokken bleef bij het dossier in het conflict met de heer S. Daarmee heeft verweerder nagelaten om (de schijn van) belangenverstrengeling te voorkomen.
3 VERWEER
Klachtonderdeel a)
3.1 Volgens verweerder is geen sprake geweest van een formele dossieroverdracht aan een andere advocaat. Mr. B was vanaf het begin de primaire behandelaar van FM in het S-dossier en bleef dat ook na zijn overstap. Mr. B heeft klager op 21 maart 2025 ook geïnformeerd over zijn overstap. Uit de e-mail van mr. B aan klager van 3 mei 2025 om 16:10 uur blijkt dat klager daar toen geen problemen mee had. Klager is door de gang van zaken niet in zijn belangen geschaad.
Klachtonderdeel b)
3.2 Verweerder stelt dat klager te laat heeft geklaagd en niet-ontvankelijk is in dit verwijt. Klager was sinds 2019 met de feiten bekend die hij aan klachtonderdeel b) ten grondslag legt. Voor zover klager hierin wel wordt ontvangen, betwist verweerder dat sprake is geweest van een nauwe persoonlijke band met de heer M of van een situatie van belangenverstrengeling. In het S-dossier liepen de belangen van klager en de heren M en K steeds parallel en heeft verweerder uitsluitend hun gezamenlijke belangen behartigd.
4 BEOORDELING
Toetsingsmaatstaf
4.1 Een klacht over een advocaat moet worden ingediend binnen drie jaar nadat de klager op de hoogte was of redelijkerwijs kon zijn van de feiten waarover wordt geklaagd (artikel 46g lid 1 sub a Advocatenwet). Het moet gaan om kennis die de klager uit objectieve bronnen heeft verkregen. Als deze driejaarstermijn is verlopen zonder dat klager een klacht heeft ingediend, vervalt in principe het recht om te klagen. Dit is anders als klager pas na de driejaarstermijn over informatie beschikt (en ook daar niet eerder over kon beschikken), die gaat over de gevolgen van het handelen of nalaten waar de klacht over gaat. In dat geval vervalt het recht om te klagen één jaar nadat klager van de informatie kennis heeft genomen (artikel 46g lid 2 Advocatenwet). De achterliggende gedachte van deze regel is dat een advocaat niet tot in lengte van dagen rekening hoeft te houden met tuchtklachten over zijn doen en laten uit het verleden.
4.2 De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
Klachtonderdeel a)
4.3 Naar het oordeel van de voorzitter heeft verweerder niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. Vast staat dat mr. B. vanaf 2018 de primair behandelend advocaat was en het S-dossier van klager en zijn meegenomen bij zijn overstap naar een ander advocatenkantoor. Het was aan mr. B. om zijn cliënten - klager en zijn zakenpartners bij FM - daarover te informeren. Of mr. B dat heeft gedaan, betreft verweerder niet. Verweerder speelde hierbij verder geen rol. Klachtonderdeel a) wordt dan ook kennelijk ongegrond verklaard.
Klachtonderdeel b)
4.4 Vast staat dat verweerder vanaf november 2018 bij de behandeling van het S-dossier betrokken is geweest. Klager had vanaf dat moment redelijkerwijs bekend kunnen zijn met de door hem gestelde persoonlijke band van verweerder met de (familie van) heer M. Klager had dan uiterlijk begin oktober 2022, binnen drie jaar, een klacht bij de deken over verweerder moeten indienen. In plaats daarvan heeft klager pas in oktober 2025 over verweerder geklaagd.
4.5 Nu bijzondere omstandigheden, op grond waarvan verschoonbaar zou kunnen zijn dat de klacht buiten de termijn is ingediend, niet zijn gesteld of gebleken, is klachtonderdeel b) op grond van artikel 46g lid 1 sub a Advocatenwet niet-ontvankelijk. Aan een inhoudelijke beoordeling van dit verwijt komt de voorzitter dus niet meer toe.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
klachtonderdeel a), met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond;
klachtonderdeel b), met toepassing van artikel 46g lid 1 sub a Advocatenwet, niet-ontvankelijk.
Aldus beslist door mr. C.S. Schoorl, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. M.M. Goldhoorn als griffier en uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 5 oktober 2026