ECLI:NL:TADRAMS:2026:201 Raad van Discipline Amsterdam 26-651/A/NH

ECLI: ECLI:NL:TADRAMS:2026:201
Datum uitspraak: 14-09-2026
Datum publicatie: 18-09-2026
Zaaknummer(s): 26-651/A/NH
Onderwerp:
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Beleidsvrijheid
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Vereiste communicatie met de cliënt
Beslissingen: Voorzittersbeslissing
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing. Klacht over eigen advocaat. Kwaliteit dienstverlening. Verweerster is verantwoordelijk voor de behandeling van de zaak en het is aan verweerster om, in het belang van de (proces)positie van klaagster, de processtrategie te bepalen en te beoordelen welke stukken nodig zijn om de standpunten van klaagster in de echtscheidingsprocedure te ondersteunen. Het stond verweerster dan ook vrij om te weigeren stukken bij de rechtbank in te dienen die klaagster voor haar zaak relevant vond, maar die naar het oordeel van verweerster onvolledig of onoverzichtelijk en daardoor niet in het belang van klaagster waren. Uit de hoeveelheid e-mails blijkt dat verweerster klaagster stap voor stap heeft meegenomen in haar aanpak van de zaak en dat verweerster elke stap in de processtrategie heeft toegelicht en aan klaagster heeft uitgelegd. Klacht is in beide onderdelen kennelijk ongegrond.

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline
in het ressort Amsterdam van 14 september 2026 
in de zaak 26-651/A/NH 

naar aanleiding van de klacht van:

klaagster

over:

verweerster

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) van 28 juli 2026 met kenmerk mr/ss/26-029/2549678, door de raad digitaal ontvangen op dezelfde datum, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 7. Daarnaast heeft de voorzitter kennisgenomen van de namens klaagster bij e-mail van 3 augustus 2026 ingediende brief met bijlagen.

1    FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1    Op 4 september 2025 heeft op het kantoor van verweerster een intakegesprek plaatsgevonden tussen klaagster en verweerster over een echtscheidingsprocedure. Tijdens het intakegesprek is onder meer gesproken over gezamenlijke schulden van klaagster en haar (ex-)echtgenoot (hierna: ex-echtgenoot), partneralimentatie en de auto van klaagster en haar ex-echtgenoot.
1.2    Op 1 oktober 2025 heeft verweerster namens klaagster een verzoekschrift tot echtscheiding bij de rechtbank ingediend. 
1.3    Op 8 oktober 2025 heeft een kantoorgenoot van verweerster klaagster gemaild met het verzoek om een overzicht aan te leveren van de bestaande schulden. 
1.4    Op 15 oktober 2025 heeft verweerster klaagster opnieuw gevraagd om een overzicht van de schulden aan te leveren. 
1.5    Op 16 oktober 2025 heeft klaagster een document aan verweerster gemaild. In deze e-mail heeft klaagster opgemerkt dat zij een aantal schulden nog moet uitzoeken. 
1.6    Op 17 oktober 2025 heeft klaagster verweerster aanvullende informatie over haar ex-echtgenoot gemaild. In haar e-mail heeft klaagster opgemerkt dat haar ex-echtgenoot weer (zwart) werkzaam zou zijn en inkomsten zou genereren. 
Dezelfde dag heeft verweerster gemaild dat eventuele niet aangegeven (zwarte) inkomsten van de ex-echtgenoot geen invloed hebben op de gezamenlijke schulden en dat dergelijke inkomsten uitsluitend relevant zouden kunnen zijn bij een eventueel verzoek om alimentatie.
1.7    Op 17 oktober 2025 heeft klaagster verweerster vervolgens nog gemaild met een vraag over de auto.
1.8    Daarna is er diverse keren telefonisch contact geweest tussen verweerster en klaagster over de auto.
1.9    Op 23 oktober 2025 heeft klaagster verweerster een e-mail gestuurd met een vraag en een e-mail met aanvullende informatie over de gezamenlijke schulden.
1.10    Op 27 oktober 2025 heeft klaagster verweerster gemaild over een schuld bij de Belastingdienst en bij bol.com.
1.11    Op 31 oktober 2025 heeft de advocaat van de ex-echtgenoot een verweerschrift bij de rechtbank ingediend. Dezelfde dag heeft verweerster het verweerschrift doorgestuurd aan klaagster.
1.12    Op 31 oktober 2025 heeft klaagster verweerster nadere informatie over de auto gemaild.
1.13    Vanaf 3 november 2025 heeft klaagster diverse e-mails aan verweerster gestuurd met informatie over de auto, bestaande uit foto’s en een toelichting op de gang van zaken.
1.14    Op 4 november 2025 heeft een kantoorgenoot van verweerster klaagster gemaild met het verzoek om stukken aan te leveren voor het opstellen van een aanvulling op het verzoekschrift. Daarop heeft klaagster een aantal stukken toegestuurd.
1.15    Op 10 november 2025 heeft klaagster verweerster een e-mail gestuurd met juridische aandachtspunten. Ook heeft klaagster verweerster gevraagd om te overwegen de rechtbank te verzoeken om een nadere financiële onderbouwing of inzage in de bankafschriften van de wederpartij te vragen. 
1.16    Op 12 november 2025 is aan klaagster een overzicht van de schulden gestuurd met het verzoek om dit te controleren.
1.17    Op 24 november 2025 heeft verweerster het concept van de aanvulling op het verzoekschrift ter goedkeuring aan klaagster gemaild. Op 25 november 2025 heeft klaagster haar goedkeuring aan verweerster gemaild, waarna verweerster het processtuk bij de rechtbank heeft ingediend.
1.18    Op 26 november 2025 heeft klaagster een e-mail aan verweerster gestuurd over de auto. Klaagster heeft verweerster gevraagd om deze aanvullende informatie mee te nemen in de boedelverdeling en om haar juridische strategie daarop aan te passen. Daarop heeft verweerster klaagster gemaild dat de door haar aangedragen punten al waren verwerkt in de aanvulling op het verzoekschrift.
1.19    Op 29 november 2025 heeft klaagster verweerster gevraagd naar de stand van zaken en of zij iets van de wederpartij heeft gehoord.
1.20    Op 30 november 2025 heeft verweerster aan klaagster doorgegeven dat de wederpartij tot 5 januari 2026 de gelegenheid heeft gekregen om op de aanvulling van het verzoekschrift tot echtscheiding te reageren.
1.21    Op 1 december 2025 heeft verweerster gereageerd op een e-mail van klaagster met daarin de vraag of een reactie van de wederpartij was ontvangen en of de verweertermijn kon worden verkort.
1.22    Op 5 januari 2026 heeft de advocaat van de ex-echtgenoot een verweerschrift met zelfstandige verzoeken bij de rechtbank ingediend. Verweerster heeft dit verweerschrift doorgestuurd aan klaagster.
1.23    Op 6 januari 2026 heeft klaagster verweerster een uitgebreide e-mail gestuurd met daarin een reactie op het verweerschrift. Dezelfde dag heeft verweerster klaagster gemaild:
‘(…)
Ik begrijp niet goed wat je met deze e-mail precies bedoelt.
De schriftelijke rondes zijn na indiening van het verweerschrift van de wederpartij volledig afgerond. Het indienen van een repliek op het verweer is in deze fase dan ook niet meer mogelijk. Wel kunnen wij nog tot uiterlijk tien dagen vóór de zitting aanvullende producties indienen.
Daarnaast is de door jou aangeleverde tekst juridisch inhoudelijk onjuist. Om die reden zal ik deze niet indienen bij de rechtbank.
Ik adviseer je om het verweerschrift van de wederpartij puntsgewijs door te nemen en vervolgens te bekijken welke aanvullende stukken (…) je nog kunt aanleveren. Deze kan ik, voor zover relevant, alsnog namens jou bij de rechtbank indienen.’ 
1.24    Op 8 januari 2026 heeft verweerster klaagster gemaild over de zitting en over de door de wederpartij gestelde lening van zijn moeder voor de aanschaf van de auto. Verder heeft verweerster klaagster, naar aanleiding van het verweerschrift, gevraagd om informatie over een aantal schulden en een aantal specifiek genoemde stukken toe te sturen, gebundeld in één e-mail.
1.25    Op 9 januari 2026 heeft klaagster diverse bijlagen aan verweerster gemaild.
1.26    Op 11 januari 2026 heeft klaagster verweerster gemaild. In deze e-mail merkt klaagster op dat de eerder door haar toegezonden stukken tot op heden nog bij de rechtbank zijn ingediend, terwijl deze stukken volgens klaagster cruciale en voor de beslissing relevante informatie bevatten.
1.27    Op 12 januari 2026 heeft verweerster klaagster gemaild met de vraag om te reageren op het door de wederpartij aangevoerde bedrag dat de ex-echtgenoot via zijn moeder op zijn bankrekening heeft ontvangen, waarna enkele dagen later een auto is gekocht. Ook heeft verweerster klaagster gevraagd of zij nog beschikt over stukken waaruit een betaling door de verzekering blijkt. Verder heeft verweerster klaagster in deze e-mail gevraagd om een duidelijk overzicht van de schulden te sturen, vergezeld van onderliggende stukken.
1.28    Op 14 januari 2026 heeft klaagster een uitgebreide e-mail aan verweerster gestuurd naar aanleiding van het verweerschrift van de wederpartij. In deze heeft e-mail heeft klaagster een juridisch betoog gehouden en opgemerkt dat zij wil dat haar uitgangspunt over een door verweerder aangevoerde geldleningsovereenkomst leidend is in de processtrategie. Verder heeft klaagster verweerster gevraagd om de bijlagen die op  
9 januari 2026 aan verweerster heeft gemaild te beoordelen.
1.29    Op 19 januari 2026 heeft verweerster klaagster gemaild dat sprake is van een vertrouwensbreuk en dat klaagster zich dient te wenden tot een andere advocaat. Verweerster heeft klaagster een termijn van zeven dagen gegeven voor overdracht van het dossier aan een opvolgend advocaat. Dezelfde dag heeft klaagster contact opgenomen met de klachtfunctionaris van het kantoor van verweerster.
1.30    Na contact met de klachtfunctionaris heeft verweerster de termijn voor het vinden van een nieuwe advocaat door klaagster verlengd met twee weken, tot en met 9 februari 2026.
1.31    Verweerster heeft de rechtbank, met instemming van de wederpartij, uitstel gevraagd voor de indiening van een verweerschrift op de zelfstandige verzoeken van de wederpartij.
1.32    Op 20 januari 2026 heeft klaagster bij de deken een klacht over verweerster ingediend.

2    KLACHT
2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerster het volgende:
a)    verweerster heeft onprofessioneel gedrag vertoond doordat zij de door klaagster opgestelde bijlagen in het kader van de echtscheidingsprocedure onvolledig en onoverzichtelijk achtte;
b)    verweerster heeft haar informatieplicht als advocaat geschonden.
2.2    De voorzitter zal bij de beoordeling ingaan op de standpunten van klaagster.

3    VERWEER
3.1    Verweerster voert verweer tegen de klacht en betwist dat zij tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. In dat verband voert verweerster aan dat het haar verantwoordelijkheid als advocaat is om de zaak zorgvuldig te behandelen, de processtrategie te bepalen en alleen die stukken in het geding te brengen die juridisch relevant, samenhangend en geschikt zijn ter onderbouwing van het ingenomen standpunt. Volgens verweerster is zij daarbij niet gehouden om ieder door een cliënt aangeleverd stuk zonder meer bij de rechtbank in te dienen. Verweerster merkt op dat het tot haar professionele verantwoordelijkheid hoort om te voorkomen dat onvolledige, irrelevante of verwarrende informatie wordt overgelegd die de positie van klaagster juist zou kunnen schaden. Een verschil van inzicht over de aanpak van een zaak betekent niet dat sprake is van tekortschieten in de dienstverlening, aldus verweerster.
Verder voert verweerster aan dat zij klaagster steeds zorgvuldig, geduldig en transparant heeft geïnformeerd over de voortgang van de zaak en over de juridische mogelijkheden en beperkingen. Volgens verweerster zijn alle ontvangen processtukken direct aan klaagster doorgestuurd, zijn e-mails binnen 24 uur beantwoord en is er geen enkel processtuk ingediend zonder voorafgaande bespreking en uitdrukkelijke goedkeuring van klaagster. 
3.2    De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4    BEOORDELING
Opmerking vooraf
4.1    De voorzitter stelt op grond van het klachtdossier vast dat klaagster en verweerster in hun stukken uitgebreid in zijn gegaan op de inhoud van de echtscheidingsprocedure tussen klaagster en haar ex-echtgenoot en dat er veel bijlagen zijn overgelegd die daarop betrekking hebben. Een oordeel daarover is voorbehouden aan de civiele rechter. De voorzitter oordeelt in het kader van deze tuchtprocedure alleen over de verwijten die klaagster verweerster maakt over haar bijstand aan klaagster.  
Toetsingskader
4.2    Bij de beoordeling van een over een advocaat ingediende klacht toetst de tuchtrechter het aan de advocaat verweten handelen of nalaten aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen, vanwege het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet, wel van belang zijn. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
4.3    Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.
Klachtonderdeel a) is kennelijk ongegrond
4.4    De voorzitter kan op grond van de overgelegde stukken niet vaststellen dat verweerster zich op enigerlei wijze onprofessioneel heeft gedragen ten opzichte van klaagster. Verweerster is verantwoordelijk voor de behandeling van de zaak en het is aan verweerster om, in het belang van de (proces)positie van klaagster, de processtrategie te bepalen en te beoordelen welke stukken nodig zijn om de standpunten van klaagster in de echtscheidingsprocedure te ondersteunen. Het stond verweerster dan ook vrij om te weigeren stukken bij de rechtbank in te dienen die klaagster voor haar zaak relevant vond, maar die naar het oordeel van verweerster onvolledig of onoverzichtelijk en daardoor niet in het belang van klaagster waren. Uit de onder de feiten vermelde contactmomenten blijkt dat verweerster dit ook diverse keren aan klaagster heeft uitgelegd. De omstandigheid dat klaagster bepaalde verzoeken had ten aanzien van de processtrategie betekent niet dat verweerster gehouden was om deze verzoeken klakkeloos uit te voeren, zeker niet als zij dit niet in het belang vond (van de procespositie) van klaagster. Klachtonderdeel a) is daarom kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel b) is kennelijk ongegrond
4.5    De voorzitter kan op grond van de overgelegde stukken niet vaststellen dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door haar informatieplicht ten opzichte van klaagster te schenden. Uit de hoeveelheid e-mails die verweerster en klaagster over en weer aan elkaar hebben gestuurd en die onder de feiten zijn vermeld, blijkt dat verweerster klaagster stap voor stap heeft meegenomen in haar aanpak van de zaak en dat verweerster elke stap in de processtrategie heeft toegelicht en aan klaagster heeft uitgelegd. De omstandigheid dat klaagster het niet met deze aanpak eens was en de eerder gekozen processtrategie wilde wijzigen, betekent niet dat verweerster haar informatieplicht heeft geschonden. Klachtonderdeel b) is kennelijk ongegrond.
Afsluitende opmerking en conclusie
4.6    De voorzitter merkt op dat de overige stellingen die klaagster in haar stukken heeft vermeld niet tot een ander oordeel leiden.
4.7    Op grond van het voorgaande zal de voorzitter de klacht, met toepassing van artikel 46j lid 1 onder c Advocatenwet, in beide onderdelen kennelijk ongegrond verklaren. 

BESLISSING
De voorzitter verklaart de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, in beide onderdelen kennelijk ongegrond.

Aldus beslist door mr. S.D. Arnold, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door  
mr. A.E. van Oost als griffier en uitgesproken in het openbaar op 14 september 2026.

Griffier                 Voorzitter

Verzonden op: 14 september 2026