ECLI:NL:TADRAMS:2026:200 Raad van Discipline Amsterdam 26-639/A/A 26-641/A/A
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2026:200 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 14-09-2026 |
| Datum publicatie: | 18-09-2026 |
| Zaaknummer(s): |
|
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. Klacht over advocaten van de wederpartij. Klachten zijn voor een groot deel niet-ontvankelijk vanwege tijdsverloop dan wel gebrek aan rechtstreeks eigen belang. Voor het overige zijn de klachten kennelijk ongegrond. Verweerders zijn partijdig, zij behartigen uitsluitend de belangen van hun cliënte en zij hebben veel vrijheid om de standpunten van hun cliënte naar voren te brengen, verweer te voeren tegen de vorderingen van een wederpartij en om informatie en feiten te interpreteren op een wijze die in het belang van hun cliënte is. De omstandigheid dat klagers andere standpunten innemen en een andere interpretatie hebben van de beschikbare informatie en feiten betekent niet dat verweerders de grenzen van de hen toekomende vrijheid als advocaten van de wederpartij van klagers hebben overschreden. Verder zijn de uitlatingen van verweerders binnen de context van een langlopend arbeidsrechtelijk geschil met bijbehorende emoties functioneel en naar objectieve maatstaven niet onnodig kwetsend. Verweerders kunnen niet verantwoordelijk worden gehouden voor de keuzes die hun cliënte heeft gemaakt ten aanzien van klagers en de acties waartoe zij heeft besloten. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline
in het ressort Amsterdam van 14 september 2026
in de zaken 26-639/A/A en 26-641/A/A
naar aanleiding van de klachten van:
1. klager
2. klaagster
hierna samen te noemen: klagers
gemachtigde van klagers: klager
over:
1. verweerder
2. verweerster
beiden advocaat te Amsterdam
hierna samen te noemen: verweerders
gemachtigden van verweerders: mrs. B.D.W. Martens en S.A.A. Hendrickx, advocaten
te Den Haag.
De voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) van 22 juli 2026 met kenmerk 2530571 en 2530574/JS/FS, door de raad digitaal ontvangen op dezelfde datum, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 00 tot en met 04.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klachten gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier,
uit van de volgende feiten.
1.1 Klagers, in dienst van Vattenfall N.V. (voorheen Nuon N.V.), hebben in 2013
en 2014 een interne melding gedaan van misstanden bij hun werkgever ten aanzien van
de gang van zaken bij openbare aanbestedingsprocedures in het PanHam-project.
1.2 Op 18 augustus 2014 hebben klagers een klacht ingediend bij de ombudsman van Vattenfall, omdat zij vonden dat de eerder door hen ingediende klachten niet naar behoren waren afgehandeld.
1.3 In januari 2016 heeft Vattenfall klagers geïnformeerd over stopzetting van het PanHam-project en op 29 maart 2016 zijn klagers boventallig verklaard.
1.4 Verweerster staat Vattenfall sinds eind juni 2016 bij en verweerder sinds augustus 2016.
1.5 Op 27 januari 2017 hebben verweerders namens Vattenfall een ontslagaanvraag bij het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (hierna: UWV) ingediend op grond van boventalligheid. In het kader van deze ontslagaanvraag heeft verweerder namens Vattenfall op 13 maart 2017 een bericht aan het UWV gestuurd.
1.6 Op 26 april 2017 heeft het UWV de ontslagaanvraag afgewezen.
1.7 Op 12 juli 2018 is namens Vattenfall een brief aan klager gemaild. In deze brief is onder meer vermeld:
‘Voor de goede orde merk ik ten aanzien van de UWV beschikking het volgende op:
• Het feit dat het UWV (…) onvoldoende bedrijfseconomische grondslag zag voor beëindiging
van het dienstverband, houdt niet in dat Nuon een niet-bestaande functie moet aanbieden
in een ander land, op een ander project en bij een Vattenfall entiteit waar zij geen
controle of zeggenschap over heeft. Het houdt wel in dat jij nog in dienst bent, en
werkgever en werknemer gezamenlijk moeten zoeken naar een passende functie.
• De UWV beschikking is gebaseerd op een Duits vonnis, dat in hoger beroep (en ná
de beschikking) is vernietigd.
• Nuon heeft aangegeven dat zij zich niet kan verenigen met de UWV-beschikking.
Deze is (…) feitelijk onjuist. Het feit dat we tegen de uitspraak van het UWV niet
in beroep zijn gegaan doet niets af aan deze stellingname.
(…)’
1.8 Op 18 februari 2020 heeft het Huis voor Klokkenluiders (hierna: HvK) vastgesteld dat sprake is van (1) een naar behoren gedane melding van een misstand met een maatschappelijk belang, (2) benadeling van klagers door hun werkgever, en (3) een causaal verband tussen de benadeling en de melding.
1.9 Op 19 oktober 2022 hebben klagers Vattenfall gedagvaard. In reactie op de dagvaarding hebben verweerders namens hun cliënte Vattenfall een conclusie van antwoord ingediend. Daarin hebben verweerders het volgende opgenomen:
‘4.11 Het inmiddels diepgewortelde wantrouwen bij Eisers heeft, verbaal en op papier, tot een sterk negatieve, verwijtende en soms intimiderende en agressieve houding van Eisers jegens Vattenfall en haar werknemers geleid. (…) Echter, Eisers bedienen zich van kwalificaties die moedwillig handelen in strijd met goed werkgeverschap van Vattenfall impliceren. Deze zijn niet gebaseerd op feiten, maar op de beleving van Eisers. (…)’
1.10 Op 16 mei 2023 heeft de kantonrechter te Amsterdam de vorderingen van klagers mondeling behandeld op zitting. Verweerders hebben tijdens deze zitting spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen. Daarin is het volgende vermeld:
‘2.7
(…)
(c) Eisers laten zich negatief uit over iedereen die van of namens Vattenfall betrokken
is bij deze kwestie.
(…)
2.11 (…) en het diepgewortelde wantrouwen van Eisers (…)
2.12 (…) het wantrouwen van Eisers in de organisatie (…)’
1.11 Op 29 juni 2023 heeft de kantonrechter in een tussenvonnis geoordeeld dat klagers klokkenluiders zijn aan wie bescherming toekomt en dat Vattenfall onrechtmatig ten opzichte van klagers heeft gehandeld.
1.12 Op 6 maart 2025 heeft de kantonrechter in een eindvonnis geoordeeld over de hoogte van de door klagers geleden schade. Tegen dit vonnis is geen hoger beroep ingesteld.
1.13 Op 16 juni 2025 hebben klagers verweerster gevraagd hun klacht over de onrechtmatige klokkenluidersvergelding door Vattenfall en de rol van de CEO hierin aan de voorzitter van de Raad van Commissarissen van Vattenfall (hierna: RvC) te doen toekomen.
1.14 Op 22 juli 2025 heeft verweerder namens Vattenfall op de klacht van 16 juni 2025 gereageerd. Hierin heeft verweerder geschreven:
‘We respond to your clients’ letter dated 16 Juni 2025 on behalf of our client, Vattenfall N.V., noting that the contents of this letter have been aligned with Vattenfall AB. As counsel to Vattenfall (partijdig advocaat), I represent its interests and in that capacity respond to your clients’ allegations accordingly.’
en
‘Vattenfall N.V. will decline your clients’ requests.’
1.15 Op 14 augustus 2025 hebben klagers op de reactie van verweerder gereageerd.
1.16 Op 30 september 2025 heeft verweerder aan de advocaat van klagers gemaild:
‘Maar aanleiding van de brief van uw cliënten […] van 14 augustus 2025, gericht aan ons kantoor, alsmede hun brief van 15 augustus 2025 gericht aan cliënte Vattenfall N.V., reageren wij voor zover het ons kantoor/ons als advocaat betreft als volgt.
Brief van 14 augustus 2025
Vattenfall N.V. is in dezen onze cliënte. Ik verwijs u in dier voege naar onze eerdere brief aan u van 22 juli 2025. Uw cliënten geven aan dat hun brief van 16 juni 2025 niet bestemd was voor onze cliënte, maar voor de Board of Directors van Vattenfall AB (de BoD). Uw cliënten kunnen ons in die zin dan ook niet instrueren om stukken aan de BoD te verzenden.
Voor de goede orde vermelden wij echter dat wij […] de e-mail van uw cliënten van 16 juni 2025 (met hun brief aan de BoD als bijlage) aan onze cliënte hebben doorgeleid. Daarbij hebben wij cliënte verzocht de brief door te sturen aan de daartoe aangewezen personen.
Cliënte heeft ons destijds geïnformeerd dat de BoD zich kon vinden in de wijze van beantwoording in onze brief van 22 juli 2025. Dat betekent niet dat wij de BoD als advocaten vertegenwoordigen.
Zoals ook aangegeven in onze brief van 22 juli 2025 treden wij op voor de wederpartij van uw cliënten (Vattenfall N.V.). Als zij een brief aan de advocaat van die wederpartij richten, ligt het in de rede dat zij een reactie van die advocaat en in die capaciteit ontvangen. Het staat uw cliënten vrij de brief rechtstreeks aan de geadresseerde te verzenden. (…)’
1.17 Op 14 oktober 2025 hebben klagers bij de deken een klacht ingediend over verweerders.
2 KLACHTEN
2.1 De klachten houden, zakelijk weergegeven, in dat verweerders tuchtrechtelijk
verwijtbaar hebben gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klagers verwijten
verweerders dat zij negen jaar lang bewust onrechtmatige vergelding jegens klagers
als klokkenluiders actief hebben gefaciliteerd en vorm hebben gegeven, waarmee zij
de levens van klagers in de vernieling hebben geholpen. Daarmee hebben verweerders
de kernwaarde integriteit geschonden en gedragsregels 1 (beroepsplichten), 6 (doelmatigheid),
7 (geen ongepaste uitlatingen) en 8 (geen onjuiste informatie). Meer concreet luiden
de verwijten van klagers als volgt:
a) verweerders zijn puur ter intimidatie en afdwinging van een vaststellingsovereenkomst
met finale kwijting procedures gestart (boventalligheidsverklaring en ontslagaanvraag)
die bij voorbaat al kansloos waren;
b) verweerders hebben Vattenfall ondersteund in het volledig negeren van een
wettelijk bindend oordeel over die procedures;
c) verweerders hebben zich continu zeer grievend uitgelaten over klagers. Uit
de onherroepelijke uitspraak van de rechtbank blijkt dat dit onterecht was;
d) verweerders hebben geprobeerd de rechter te misleiden met aantoonbaar feitelijke
onjuistheden. Volgens klagers volgt dat uit deze voorbeelden:
− Het [klagers] ten onrechte afschilderen als dwarsliggers met een ziekelijk wantrouwen.
− Het [klaagster] verwijten om niet mee te werken met medische verwijzingen, ondanks
dat al duidelijk was aangevoerd dat dit in strijd was met Artikel 19 van de Richtlijn.
− Het ten onrechte aanvoeren dat [klagers] geen enkel bewijs hebben en dat [klagers]
zelfs bewijs meer dan 10 jaar achterhouden.
− Het doelbewust aanvoeren van ondeugdelijke onderzoeken als bewijs.
− Het verdraaien van de feitelijke melding en deze met irrelevante redenen ongegrond
verklaren.
− Valse informatie verstrekken over beëindiging van het project.
− Het ontkennen van harde uitspraken van Vattenfall zelf – en zelfs officiële verklaringen
in de jaarverslagen – over het causaal verband.
− Het vals aanvoeren van door [klagers] geleverde prestaties.
− Het [klaagster] verwijten van het voeren van een valse functietitel op haar visitekaart.
− Het bewust aanvoeren van feitelijke onjuistheden over het onderzoek door het HvK;
e) verweerders hebben geprobeerd een formele integriteitsklacht bij de voorzitter
van de RvC voor gesloten te verklaren, terwijl zij daar het mandaat niet voor hadden;
f) verweerders hebben klagers uitermate ernstig benadeeld en zij hebben ook de
positie van hun eigen cliënte over de jaren heen alleen maar verslechterd, wat de
verhouding tussen partijen meer en meer op scherp heeft gezet.
2.2 De voorzitter zal bij de beoordeling ingaan op de klachtonderdelen van klagers.
3 VERWEER
3.1 Verweerders voeren verweer tegen de klachten en merken op dat sprake is van
een langslepend conflict tussen klagers en hun werkgever Vattenfall en dat klagers
zijn erkend als klokkenluiders, maar dat daaruit niet volgt dat de advocaten mogen
worden vereenzelvigd met de partij zij vertegenwoordigen. Verder doen verweerders
een beroep op niet-ontvankelijkheid, omdat een deel van de klachtonderdelen te laat
is ingediend en klagers bij het andere deel van de klachtonderdelen geen rechtstreeks
eigen belang hebben.
3.2 Voor wat betreft hun inhoudelijke verweer tegen de klachten betwisten verweerders,
samengevat, dat zij tuchtrechtelijk verwijtbaar hebben gehandeld. In dat kader merken
verweerders op dat uit het feit dat klagers zijn erkend als klokkenluiders niet volgt
dat verweerders mogen worden vereenzelvigd met hun cliënte. Volgens verweerders miskennen
klagers dat zij een grote vrijheid hebben om hun cliënte vertegenwoordigen en dat
zij steeds de kernwaarde onafhankelijkheid in het oog hebben gehouden.
3.3 De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
Ontvankelijkheid – algemeen
4.1 Voordat de voorzitter toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van de klachten
moet de voorzitter, gelet op het verweer maar ook ambtshalve, eerst beoordelen of
klagers in alle onderdelen van hun klachten over verweerders kunnen worden ontvangen.
4.2 De voorzitter stelt vast dat verweerders hun cliënte Vattenfall sinds eind
juni 2016 dan wel sinds augustus 2016 bijstaan in het arbeidsrechtelijke geschil met
klagers. Dit betekent dat de voorzitter alleen kan oordelen over de verwijten die
klagers verweerders maken over de periode vanaf eind juni 2016 dan wel vanaf augustus
2016, voor zover het tijdsverloop zich hier niet tegen verzet.
Ontvankelijkheid – tijdsverloop
4.3 Een klacht over een advocaat moet worden ingediend binnen drie jaar nadat
de klager op de hoogte was of redelijkerwijs kon zijn van de feiten waarover wordt
geklaagd (artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet). Het moet gaan om kennis die de
klager uit objectieve bronnen heeft verkregen. Als deze driejaarstermijn is verlopen
zonder dat klager een klacht heeft ingediend, vervalt in principe het recht om te
klagen. Dit is anders als klager pas na de driejaarstermijn over informatie beschikt
(en ook daar niet eerder over kon beschikken), die gaat over de gevolgen van het handelen
of nalaten waar de klacht over gaat. In dat geval vervalt het recht om te klagen één
jaar nadat klager van de informatie kennis heeft genomen (artikel 46g lid 2 Advocatenwet).
Alleen onder (zeer) bijzondere omstandigheden kan een overschrijding van de vervaltermijn
verschoonbaar zijn.
De achterliggende gedachte van deze regel is dat een advocaat niet tot in lengte
van dagen rekening hoeft te houden met tuchtklachten over zijn doen en laten uit het
verleden.
Klachtonderdeel a) – boventalligheidsverklaring en ontslagprocedure bij het UWV
Klachtonderdeel f) – boventalligheidsverklaring
4.4 De voorzitter stelt op grond van de stukken vast dat klagers verweerders
een verwijt maken ten aanzien van de boventalligheidsverklaring (klachtonderdelen
a) en f) en de ontslagaanvraag bij het UWV (klachtonderdeel a)) en dat deze procedures
in maart 2016 en januari 2017 hebben plaatsgevonden (zie 1.3 en 1.5). Gelet op de
vervaltermijn van drie jaar hadden klagers uiterlijk in januari 2020 bij de deken
over verweerders moeten klagen. Door hierover pas op 14 oktober 2025 een klacht bij
de deken in te dienen, hebben klagers de driejaarstermijn ruimschoots overschreden.
4.5 Het beroep van klagers op de uitzonderingssituatie als bedoeld in artikel
46g lid 2 Advocatenwet slaagt niet. Klagers waren vanaf de boventalligheidsverklaring
en de ontslagaanvraag redelijkerwijs voldoende op de hoogte van de gevolgen van de
betrokkenheid bij en het optreden van verweerders om een klacht te formuleren en bij
de deken in te dienen. Het gaat daarbij dan ook niet om informatie waarover klagers
pas na afloop van de driejaarstermijn konden beschikken. Met het indienen van een
klacht hadden klagers niet hoeven te wachten totdat de onrechtmatigheid van de gedragingen
van Vattenfall in rechte was vastgesteld, in dit geval na afloop van de hoger beroepstermijn
van de uitspraak van de kantonrechter van 6 maart 2025, ruim acht jaar na de ontslagaanvraagprocedure
bij het UWV. Verder is de voorzitter niet gebleken van bijzondere omstandigheden op
grond waarvan de termijnoverschrijding verschoonbaar (toelaatbaar) is. Klachtonderdeel
a) en klachtonderdeel f) zijn niet-ontvankelijk.
Klachtonderdeel b)
4.6 De voorzitter stelt op grond van de overgelegde stukken vast dat klagers
verweerders verwijten dat zij het oordeel van het UWV over de boventalligheidsverklaring
en de ontslagaanvraag hebben genegeerd. Het oordeel van het UWV dateert van 26 april
2017 en op 12 juli 2018 is aan klager bericht dat Vattenfall/Nuon zich, ondanks het
niet in hoger beroep gaan, niet kan verenigen met de UWV-beschikking (zie 1.7). Klagers
waren dus al vanaf 12 juli 2018 bekend met de stellingname van Vattenfall ten aanzien
van het oordeel van het UWV. Door pas op 14 oktober 2025 een klacht over verweerders
in te dienen ten aanzien van het standpunt van hun cliënte over het UWV-oordeel hebben
klagers de driejaarstermijn ruimschoots overschreden.
4.7 Het beroep van klagers op de situatie als bedoeld in artikel 46g lid 2 Advocatenwet
slaagt niet. Klagers hadden vanaf het moment van het bericht van 12 juli 2018 redelijkerwijs
voldoende informatie over de gevolgen van het standpunt van de cliënte van verweerders
over de UWV-beschikking om hun klacht over verweerders te kunnen formuleren en deze
bij de deken in te dienen. Het gaat daarbij dus niet om informatie waarover klagers
pas na afloop van de driejaarstermijn konden beschikken. Met het indienen van een
klacht hadden klagers niet hoeven te wachten totdat de onrechtmatigheid van de gedragingen
van Vattenfall in rechte was vastgesteld, in dit geval na afloop van de hoger beroepstermijn
van de uitspraak van de rechtbank van
6 maart 2025. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de termijnoverschrijding
verschoonbaar (toelaatbaar) kan zijn, is de voorzitter niet gebleken. Klachtonderdeel
b) is eveneens niet-ontvankelijk.
Klachtonderdeel c) – uitlatingen in brief 13 maart 2017
4.8 De voorzitter stelt op grond van het klachtdossier vast dat klagers verweerder
in hun klacht over zeer grievende uitlatingen verwijten dat hij hen op 13 maart 2017
in een brief aan het UWV op grievende wijze heeft weggezet. Klagers hebben hierover
te laat bij de deken geklaagd. Gelet op de vervaltermijn van drie jaar hadden klagers
uiterlijk op
13 maart 2020 bij de deken over verweerder moeten klagen. Door hierover pas op
14 oktober 2025 een klacht bij de deken in te dienen, hebben klagers de driejaarstermijn
ruimschoots overschreden.
4.9 Een beroep op de uitzondering van artikel 46g lid 2 Advocatenwet slaagt niet.
Klagers waren vanaf de ontslagaanvraag redelijkerwijs voldoende op de hoogte van de
gevolgen van de betrokkenheid bij en het optreden van verweerders om een klacht te
formuleren en bij de deken in te dienen. Het gaat daarbij dus niet om informatie waarover
klagers pas na afloop van de driejaarstermijn konden beschikken. Met het indienen
van een klacht hadden klagers niet hoeven te wachten totdat de onrechtmatigheid van
de gedragingen van Vattenfall in rechte was vastgesteld. Van bijzondere omstandigheden
op grond waarvan de termijnoverschrijding verschoonbaar (toelaatbaar) kan zijn, is
de voorzitter niet gebleken. In zoverre is klachtonderdeel c) dan ook niet-ontvankelijk.
Klachtonderdeel f) – het niet naar behoren afhandelen van de interne melding
4.10 Uit de klachtbrief leidt de voorzitter af dat het klagers hierbij niet alleen
gaat om het inhoudelijk negeren van de door hen gedane interne meldingen, maar ook
om het systematisch negeren van het oordeel van de eigen Vattenfall Ombudsman en om
het laten uitvoeren van meerdere onderzoeken. Het is de voorzitter uit het klachtdossier
niet gebleken dat verweerders hier op enigerlei wijze bij betrokken zijn geweest,
aangezien zij Vattenfall pas in juni 2016 en augustus 2016 zijn gaan bijstaan. Bovendien
klagen klagers hier te laat over. De interne meldingen dateren van 2013 en 2014 en
de klacht bij de Ombudsman van Vattenfall dateert van 2014, dus klagers hadden hier
uiterlijk in 2016 en 2017 over moeten klagen. Door pas op 14 oktober 2025 een klacht
bij de deken in te dienen, hebben klagers de driejaarstermijn ruimschoots overschreden.
4.11 Een beroep op de uitzondering van artikel 46g lid 2 Advocatenwet slaagt
niet. Klagers waren vanaf dan wel kort na de interne meldingen en het oordeel van
de Ombudsman redelijkerwijs voldoende op de hoogte van de gevolgen daarvan om een
klacht te formuleren en bij de deken in te dienen. Het gaat daarbij dus niet om informatie
waarover klagers pas na afloop van de driejaarstermijn konden beschikken. Met het
indienen van een klacht hadden klagers niet hoeven te wachten totdat de onrechtmatigheid
van de gedragingen van Vattenfall in rechte was vastgesteld. Van bijzondere omstandigheden
op grond waarvan de termijnoverschrijding verschoonbaar (toelaatbaar) kan zijn, is
de voorzitter niet gebleken. Klachtonderdeel f) is op dit onderdeel in zoverre eveneens
niet-ontvankelijk.
Ontvankelijkheid – rechtstreeks eigen belang
4.12 Alleen de persoon of de rechtspersoon die door het handelen of nalaten van
een advocaat direct in zijn belang wordt of kan worden getroffen, heeft het recht
om hierover een klacht in te dienen. Dit staat in de Advocatenwet. Als het in het
algemeen belang is dat er een tuchtprocedure komt, dan heeft de deken het recht om
te klagen.
Klachtonderdeel f) – verslechteren positie Vattenfall
4.13 Het verwijt dat verweerders de positie van hun eigen cliënte over de jaren
heen alleen maar hebben verslechterd in het arbeidsrechtelijke geschil met klagers
is kennelijk niet-ontvankelijk. Klagers hebben bij dit verwijt geen rechtstreeks eigen
belang. Het is de cliënte van verweerders die er een direct persoonlijk belang bij
heeft dat verweerders haar (proces)positie beschermen en in het belang daarvan handelen
en niet de wederpartij. In zoverre is klachtonderdeel f) kennelijk niet-ontvankelijk.
4.14 Concluderend geldt dat de voorzitter het verwijt over de andere uitlatingen
in klachtonderdeel c), het verwijt over de benadeling van klagers in klachtonderdeel
f) en klachtonderdelen d) en e) hierna inhoudelijk zal kunnen beoordelen.
Toetsingskader
4.15 Bij de beoordeling van een over een advocaat ingediende klacht toetst de
tuchtrechter het aan de advocaat verweten handelen of nalaten aan de in artikel 46
Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel
10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die
regels kunnen, vanwege het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46
Advocatenwet, wel van belang zijn. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen
hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval
beoordeeld.
4.16 Deze zaak betreft een klacht over de advocaten van de wederpartij. Voor
alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van
hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in
het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen
de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden.
Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook
mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten
er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen
juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van
die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af
te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het
nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.
Klachtonderdeel c) is wat betreft uitlatingen in conclusie van antwoord kennelijk
ongegrond
4.17 Klagers verwijten verweerders dat zij zich in de conclusie van antwoord
van
29 december 2022 en in de pleitnotities van 16 mei 2023 zeer grievend over hen hebben
uitgelaten. Klagers hebben daarbij opgemerkt dat zij al vele jaren door het advocatenkantoor
waar verweerders werkzaam zijn worden weggezet als personen met een ziekelijk wantrouwen
en dat uit het onherroepelijk geworden vonnis van de kantonrechter van 6 maart 2025
blijkt dat dit volkomen onterecht is.
4.18 De voorzitter oordeelt dat van onnodig grievende uitlatingen in de conclusie
van antwoord en de spreekaantekeningen van verweerders geen sprake is. De voorzitter
leest in de overgelegde stukken niet dat verweerders de woorden ‘ziekelijk wantrouwen’
hebben gebruikt of dat zij klagers ‘paranoia patiënten’ hebben genoemd en verweerders
hebben ook betwist dat zij dergelijke kwalificaties ten aanzien van klagers hebben
gebezigd. Verder mochten verweerders de door klagers bedoelde uitlatingen in de conclusie
van antwoord en spreekaantekeningen (zie 1.9 en 1.10) doen in het belang van hun cliënte
en het gevoerde verweer tegen de vorderingen van klagers. Deze uitlatingen zijn binnen
de context – een langlopend arbeidsrechtelijk geschil met bijbehorende emoties – functioneel
en naar objectieve maatstaven niet onnodig kwetsend. De omstandigheid dat klagers
dit wel zo hebben ervaren, betekent niet dat de uitlatingen van verweerders klachtwaardig
zijn. Ook de omstandigheid dat de kantonrechter in het tussenvonnis van 29 juni 2023
heeft overwogen: ‘Inmiddels waren werknemers wel het vertrouwen kwijt in bepaalde
leidinggevenden. Dit kan hen niet worden tegengeworpen.’ en ‘Hun frustratie, boosheid
en verbetenheid is eerder het gevolg van de benadeling door Vattenfall dan van hun
eigen onredelijkheid, die onvoldoende aannemelijk is geworden.’ kan niet tot de conclusie
leiden dat verweerders door het doen van de bedoelde uitlatingen tuchtrechtelijk verwijtbaar
hebben gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klachtonderdeel c) is ten
aanzien van de verweten grievende uitlatingen dan ook kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel d) is kennelijk ongegrond
4.19 De voorzitter kan op grond van het klachtdossier niet vaststellen dat verweerders
de kantonrechter hebben geprobeerd te misleiden met aantoonbaar feitelijke onjuistheden.
Een oordeel over de voorbeelden die klagers in dit kader hebben opgesomd hoort thuis
in een civiele procedure. De tuchtrechter heeft in deze klachtprocedure geen ruimte
om hierover inhoudelijk te oordelen. Verweerders zijn partijdig, zij behartigen uitsluitend
de belangen van hun cliënte en zij hebben veel vrijheid om de standpunten van hun
cliënte naar voren te brengen, verweer te voeren tegen de vorderingen van een wederpartij
en om informatie en feiten te interpreteren op een wijze die in het belang van hun
cliënte is. De omstandigheid dat klagers andere standpunten innemen en een andere
interpretatie hebben van de beschikbare informatie en feiten betekent niet dat verweerders
de grenzen van de hen toekomende vrijheid als advocaten van de wederpartij van klagers
hebben overschreden. Klachtonderdeel d) is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel e) is kennelijk ongegrond
4.20 De voorzitter kan op grond van het klachtdossier niet vaststellen dat verweerders
ten aanzien van de integriteitsklacht tuchtrechtelijk verwijtbaar hebben gehandeld.
Verweerder heeft op 22 juli 2025 namens Vattenfall op de klacht van klagers gereageerd,
waarbij verweerder heeft opgemerkt dat de inhoud van zijn reactie is afgestemd met
Vattenfall AB (zie 1.14). Daarnaast hebben verweerders op
30 september 2025 aan de advocaat van klagers gemaild dat zij de brief van klagers
van 16 juni 2025 aan hun cliënte hebben doorgeleid en dat zij van hun cliënte hebben
vernomen dat de BoD zich kon vinden in de wijze van beantwoording van de brief van
klagers van 16 juni 2026. Van een poging om de klacht van klagers over de voorzitter
van de RvC voor gesloten te verklaren of op andere wijze te blokkeren is de voorzitter
uit de overgelegde correspondentie niet gebleken. Klachtonderdeel e) is bij gebrek
aan een feitelijke onderbouwing kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel f) is voor het overige kennelijk ongegrond
4.21 Klagers verwijten verweerders dat zij hen als klokkenluiders uitermate ernstig
hebben benadeeld door het starten van valse (juridische) procedures, het niet naar
behoren afhandelen van de gedane interne melding over misstanden, gaslighting en door
karaktermoord.
Het starten van valse (juridische) procedures
4.22 Uit de klachtbrief blijkt dat het klagers gaat om de afwijking van het sociaal
plan, het indienen van een vals verzoek om een ontslagvergunning, de verwijzing naar
de bedrijfsarts en psychiater en het negeren van de eigen gedragsregels door Vattenfall,
ondersteund door de advocaat.
4.23 Voor wat betreft de afwijking van het sociaal plan, de ontslagvergunning,
de verwijzing naar bedrijfsarts en psychiater en het negeren van de gedragsregels
door Vattenfall is het de voorzitter niet gebleken dat verweerders klachtwaardig hebben
gehandeld. Het is Vattenfall die er als werkgever van klagers voor heeft gekozen om
van het sociaal plan af te wijken, om een ontslagvergunning bij het UWV in te dienen
en om verweerders de opdracht te geven om haar daarin bij te staan. Ook is het Vattenfall,
althans leidinggevenden binnen Vattenfall, die klagers heeft verwezen naar bedrijfsarts/psychiater
en die de eigen gedragsregels al dan niet heeft genegeerd. Verweerders hebben op deze
keuzes en acties van Vattenfall geen invloed en zij staan daar verder ook buiten.
Klachtonderdeel f) is in zoverre kennelijk ongegrond.
Gaslighting
4.24 Klagers wijzen er in hun klachtbrief op dat ‘institutionele gaslighting’
van klokkenluiders een vorm van psychologische manipulatie is waarbij iemand het doelwit
laat twijfelen aan diens eigen geheugen en verstand. Volgens klagers is de consistente,
gedurende tien jaar, en zeer stellige boodschap van vooral het kantoor van verweerders
dat er geen begin van bewijs is voor de melding van klagers daar een goed voorbeeld
van.
4.25 De voorzitter oordeelt dat zij geen inhoudelijk oordeel kan geven over het
arbeidsrechtelijk geschil tussen partijen dat, ook na het eindvonnis van de kantonrechter
van 6 maart 2025 nog altijd voortduurt. De vraag of sprake is van gaslighting kan
de voorzitter in het kader van deze tuchtprocedure dan ook niet beantwoorden. Daarbij
komt dat verweerders niet verantwoordelijk kunnen worden gehouden voor de keuzes die
hun cliënte Vattenfall heeft gemaakt ten aanzien van klagers en de acties waartoe
Vattenfall heeft besloten, ook niet naar aanleiding van de vonnissen van de kantonrechter
van 29 juni 2023 en 6 maart 2025. Klachtonderdeel f) is in zoverre dan ook kennelijk
ongegrond.
Karaktermoord
4.26 Klagers hebben in hun klachtbrief gesteld dat Vattenfall karaktermoord heeft
gepleegd op klagers als klokkenluiders door klagers af te schilderen als personen
met een ziekelijk wantrouwen, dwarsliggers, complotdenkers en recalcitranten. Ook
is volgens klagers een poging gedaan om een valse #metoo-beschuldiging uit te lokken.
4.27 De voorzitter kan op grond van het klachtdossier niet vaststellen dat verweerders
als advocaten van Vattenfall op enigerlei wijze betrokken zijn geweest bij de door
klagers gestelde karaktermoord, voor zover daar al sprake van is geweest hetgeen door
verweerders wordt betwist. In de overgelegde stukken leest de voorzitter de door klagers
gestelde kwalificaties niet terug. Bij gebrek aan een feitelijke onderbouwing is klachtonderdeel
f) in zoverre kennelijk ongegrond.
Verdere overweging en conclusie
4.28 De voorzitter merkt op dat alle overige stellingen die klagers in hun stukken
naar voren hebben gebracht niet tot een ander oordeel leiden.
4.29 Uit het bovenstaande volgt dat de voorzitter klachtonderdelen a) en b),
met toepassing van artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet, niet-ontvankelijk zal verklaren.
Ook klachtonderdeel c) zal de voorzitter ten aanzien van het verwijt over de uitlatingen
in de brief van 13 maart 2017, met toepassing van artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet,
niet-ontvankelijk verklaren, en voor het overige, met toepassing van artikel 46j lid
1 onder c Advocatenwet, kennelijk ongegrond.
De voorzitter zal klachtonderdelen d) en e), met toepassing van artikel 46j lid
1 onder c Advocatenwet, kennelijk ongegrond verklaren.
Tot slot zal de voorzitter klachtonderdeel f) ten aanzien van de verwijten over
de boventalligheidsverklaring en over de afhandeling van de interne meldingen, met
toepassing van artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet niet-ontvankelijk verklaren.
Ten aanzien van het verwijt over het verslechteren van de positie van hun cliënte
door verweerders zal de voorzitter klachtonderdeel f), met toepassing van artikel
46j lid 1 onder b Advocatenwet, kennelijk niet-ontvankelijk verklaren. Voor het overige
zal de voorzitter klachtonderdeel f), met toepassing van artikel 46j lid 1 onder c
Advocatenwet, kennelijk ongegrond verklaren.
BESLISSING
De voorzitter:
- verklaart de klacht, voor zover die gaat over de periode vóór eind juni 2016 dan
wel augustus 2016, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk niet-ontvankelijk;
- verklaart klachtonderdelen a) en b), met toepassing van artikel 46g Advocatenwet,
niet-ontvankelijk;
- verklaart klachtonderdeel c) ten aanzien van de uitlatingen in de brief van 13
maart 2017, met toepassing van artikel 46g Advocatenwet, niet-ontvankelijk en voor
het overige, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond;
- verklaart klachtonderdelen d) en e), met toepassing van artikel 46j Advocatenwet,
kennelijk ongegrond;
- verklaart klachtonderdeel f) ten aanzien van de verwijten over de boventalligheidsverklaring
en het niet naar behoren afhandelen van de interne melding, met toepassing van artikel
46g Advocatenwet, niet-ontvankelijk, ten aanzien van het verwijt over het verslechteren
van de positie van Vattenfall, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet kennelijk
niet-ontvankelijk, en voor het overige kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. M.V. Ulrici, voorzitter, bijgestaan door mr. A.E. van Oost als griffier en uitgesproken in het openbaar op 14 september 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 14 september 2026