ECLI:NL:TADRAMS:2026:199 Raad van Discipline Amsterdam 26-637/A/A

ECLI: ECLI:NL:TADRAMS:2026:199
Datum uitspraak: 14-09-2026
Datum publicatie: 18-09-2026
Zaaknummer(s): 26-637/A/A
Onderwerp: Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen
Beslissingen: Voorzittersbeslissing
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing. Klacht over advocaat van de wederpartij in familierechtkwestie. Het stond verweerder vrij om het convenant zoals door partijen ondertekend in Turkije over te leggen. Verweerder mocht van dat convenant, de vertaling daarvan en van de informatie die hij daarover van zijn cliënt kreeg uitgaan. Klacht in alle onderdelen kennelijk ongegrond.

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline
in het ressort Amsterdam van 14 september 2026 
in de zaak 26-637/A/A

naar aanleiding van de klacht van:

klaagster

over:

verweerder

De voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) van 21 juli 2026 met kenmerk 2498866/ER/AP, door de raad digitaal ontvangen op dezelfde datum, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 00 tot en met 04. 

1    FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1    Klaagster is sinds 2023 met haar (ex-)echtgenoot (verder de ex-echtgenoot) verwikkeld in een echtscheiding. Klaagster, haar ex-echtgenoot en hun kinderen wonen in Nederland. Verweerder staat de ex-echtgenoot van klaagster hierin bij.

1.2    In Turkije loopt ook een echtscheidingsprocedure en partijen worden daarin bijgestaan door lokale advocaten. Op 11 juni 2024 hebben klaagster en haar ex-echtgenoot een echtscheidingsconvenant (hierna: het convenant) ondertekend waarin afspraken zijn gemaakt over de gevolgen van de echtscheiding. 

1.3    Op 21 februari 2025 is namens klaagster in Nederland een verzoekschrift tot echtscheiding met nevenvorderingen bij de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) ingediend en op 16 april 2025 een verzoekschrift tot het treffen van voorlopige voorzieningen, waaronder het verzoek tot vaststelling van kinder- en partneralimentatie. 

1.4    Op 22 mei 2025 heeft verweerder namens zijn cliënt een verweerschrift in de voorlopige voorzieningen en een zelfstandig verzoek bij de rechtbank ingediend. Bij dit verweerschrift heeft verweerder het convenant als bijlage overgelegd.

1.5    Op 26 mei 2025 is namens klaagster een aanvullend verzoek bij de rechtbank ingediend en heeft verweerder namens zijn cliënt nadere stukken ingediend.
1.6    Op 27 mei 2025 heeft de rechtbank het namens klaagster ingediende verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen mondeling op zitting (hierna ook: de zitting) behandeld. Klaagster was daar telefonisch bij aanwezig, de advocaat van klaagster was fysiek op de zitting aanwezig. Van deze mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt. Tijdens deze mondelinge behandeling heeft klaagster verklaard dat zij het convenant niet heeft ondertekend.

1.7    Op 28 mei 2025 heeft de huisarts van klaagster een verklaring opgesteld dat klaagster vanwege spanningen van het juridisch conflict fysieke klachten ervaart.

1.8    Op 2 juni 2025 heeft de advocaat van klaagster een spoedbrief naar de rechtbank gestuurd. Bij deze brief is een verklaring gevoegd van de Turkse advocaat van klaagster van 30 mei 2025 waarin is vermeld:

‘(…) Aangezien er afstand is gedaan van de echtscheiding op wederzijdse instemming, is het betreffende convenant volgens de Turkse wet nietig. Het genoemde convenant heeft geen juridische waarde en geen mogelijkheid tot uitvoering. (…)’

De advocaat van klaagster heeft de rechtbank gevraagd deze verklaring aan het dossier te voegen.

1.9    Op 5 juni 2025 heeft verweerder de rechtbank bericht:

‘(…) Daarbij komt dat uit de overgelegde verklaring blijkt, voor zover uit kan worden gegaan van de juistheid daarvan, de advocaat van vrouw in Turkije erkent dat de vrouw het convenant heeft ondertekend op 11 juni 2024, terwijl de vrouw tijdens de mondelinge behandeling van de voorlopige voorziening, ook nadat uw rechtbank daarnaar vroeg, stellig ontkende dat zij het convenant heeft ondertekend. De vrouw heeft ter zitting dan ook bewust onjuist verklaard.’ 

1.10    Op 12 juni 2025 heeft de rechtbank op de verzochte voorlopige voorzieningen beslist. 

1.11    Op 18 juni 2025 heeft klaagster bij de deken een klacht over verweerder ingediend.

1.12    Op 19 juni 2025 heeft klaagster het echtscheidingsverzoek ingetrokken met de mededeling dat in Turkije zal worden doorgeprocedeerd. 

2    KLACHT
2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerder het volgende:
a)    verweerder heeft tijdens de zitting van 27 mei 2025 het Turkse echtscheidingsconvenant als bewijs overgelegd, terwijl verweerder wist dat dit document nietig verklaard was;
b)    verweerder heeft klaagster tijdens de zitting van 27 mei 2025 ten onrechte beschuldigd en zich respectloos jegens klaagster gedragen;
c)    verweerder heeft klaagster na de zitting van 27 mei 2025 in zijn spoedbrief van 5 juni 2025 aan de rechtbank beschuldigd van liegen. 
2.2    De voorzitter zal bij de beoordeling ingaan op de standpunten van klaagster.

3    VERWEER
3.1    Verweerder voert verweer tegen de klacht en betwist dat hij tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. In dat verband voert verweerder aan dat hij voor wat betreft het convenant is uitgegaan van de juistheid van de informatie die hij van zijn cliënt  heeft gekregen. Volgens verweerder is het niet zo dat het convenant nietig is omdat klaagster niet meer achter de daarin gemaakte afspraken staat en stelt dat deze nietig zijn. Daarbij merkt verweerder op dat klaagster tijdens de zitting op vragen van de rechter heeft verklaard dat zij het convenant in Turkije niet heeft ondertekend, terwijl uit de spoedbrief van haar advocaat van 2 juni 2025 juist blijkt dat klaagster het convenant wel heeft ondertekend.
Verder voert verweerder aan dat hij tijdens de zitting namens zijn cliënt de standpunten van klaagster heeft betwist en dat hij heeft opgemerkt dat klaagster moet ophouden met het maken van onjuiste en ongefundeerde verwijten. Volgens verweerder was het niet zijn bedoeling dat klaagster het kennelijk als onprettig heeft ervaren dat hij inconsistenties in haar verklaring heeft benoemd, maar dat maakt niet dat hij klaagster ten onrechte zou hebben beschuldigd of dat hij zich respectloos zou hebben gedragen.
Tot slot voert verweerder aan dat het ging om een convenant dat door partijen op 11 juni 2024 is getekend en dat klaagster ter zitting ontkende dat zij het convenant heeft ondertekend, terwijl uit de spoedbrief van 2 juni 2025 blijkt dat zij het wel heeft ondertekend. Hieruit volgt dat klaagster ter zitting niet conform de waarheid heeft verklaard, aldus verweerder.
3.2    De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4    BEOORDELING
Toetsingskader
4.1    Bij de beoordeling van een over een advocaat ingediende klacht toetst de tuchtrechter het aan de advocaat verweten handelen of nalaten aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen, vanwege het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet, wel van belang zijn. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
4.2    Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren.  Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen. 
Verder geldt dat in familierechtkwesties de advocaat ervoor moet waken dat de verhoudingen tussen partijen niet escaleren. Van de advocaat mag een zekere terughoudendheid worden verwacht in het doen van uitlatingen over de wederpartij die deze naar verwachting als kwetsend zal ervaren, en in het starten van procedures. De advocaat moet daarbij in iedere zaak afwegen:
–   het belang van zijn cliënt bij het voeren van de procedure,
–   het belang van de wederpartij én dat van de kinderen bij het voorkomen daarvan,
–   het verloop van het geschil tot dan toe en
–   de kans op succes van de procedure.
Klachtonderdeel a) is kennelijk ongegrond
4.3    De voorzitter oordeelt dat verweerder niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door het convenant over te leggen in het kader van de zitting op 27 mei 2025. Het stond verweerder in het belang van zijn cliënt vrij om dat te doen. Uit de overgelegde beëdigde vertaling van het convenant blijkt dat klaagster en haar ex-echtgenoot het convenant beiden hebben ondertekend. Verweerder mocht van dat convenant, de vertaling daarvan en van de informatie die hij daarover van zijn cliënt kreeg uitgaan. Van omstandigheden op grond waarvan verweerder redelijkerwijs aan de geldigheid van het convenant had kunnen twijfelen, is niet gebleken. Ook is de voorzitter niet gebleken van bijzonderheden op grond waarvan verweerder de informatie van zijn cliënt had moeten verifiëren. Klachtonderdeel a) is daarom kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel b) is kennelijk ongegrond
4.4    De voorzitter kan op grond van het klachtdossier niet vaststellen dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door klaagster tijdens de zitting van 27 mei 2025 onterecht te beschuldigen of zich respectloos ten opzichte van klaagster te gedragen. Verweerder trad tijdens deze zitting op namens zijn cliënt en hij mocht de standpunten van zijn cliënt naar voren brengen op een wijze die hij nodig vond voor het verweer tegen de door klaagster verzochte voorlopige voorzieningen. In dat kader stond het verweerder vrij om klaagster vragen te stellen over het convenant en haar handtekening en om daar opmerkingen over te maken, waaronder de door klaagster gestelde opmerking dat als klaagster op de zitting aanwezig was geweest haar handtekening gecheckt had kunnen worden. De omstandigheid dat klaagster de vragen en opmerkingen van verweerder als beschuldigend en respectloos heeft ervaren, betekent niet dat verweerder klachtwaardig heeft gehandeld door vragen te stellen en opmerkingen te maken. Klachtonderdeel b) is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel c) is kennelijk ongegrond
4.5    De voorzitter kan op grond van het klachtdossier niet vaststellen dat verweerder met de inhoud van zijn brief van 5 juni 2025 aan de rechtbank de grenzen van de hem toekomende vrijheid als advocaat van de wederpartij van klaagster heeft overschreden. Het stond verweerder in het belang van zijn cliënt vrij om er in zijn brief van  
5 juni 2025 op te wijzen dat klaagster tijdens de zitting van 27 mei 2025 heeft ontkend dat zij het convenant heeft getekend, terwijl uit de spoedbrief van 2 juni 2025 van de advocaat van klaagster lijkt te volgen dat klaagster het convenant wel heeft getekend. In deze context is de opmerking van verweerder ‘de vrouw heeft ter zitting dan ook bewust onjuist verklaard’ functioneel en niet onnodig kwetsend. De omstandigheid dat klaagster deze opmerking als naar en respectloos heeft ervaren, betekent niet dat verweerder met deze opmerking klachtwaardig heeft gehandeld. Klachtonderdeel c) is dan ook kennelijk ongegrond.
Conclusie
4.6    Op grond van het voorgaande zal de voorzitter de klacht, met toepassing van artikel 46j lid 1 onder c Advocatenwet, in alle onderdelen kennelijk ongegrond verklaren.

BESLISSING
De voorzitter verklaart de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, in alle onderdelen kennelijk ongegrond.

Aldus beslist door mr. M.V. Ulrici, voorzitter, bijgestaan door mr. A.E. van Oost als griffier en uitgesproken in het openbaar op 14 september 2026.

Griffier                               Voorzitter

Verzonden: 14 september 2026