ECLI:NL:TADRAMS:2026:198 Raad van Discipline Amsterdam 25-877/A/A 25-879/A/A
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2026:198 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 31-08-2026 |
| Datum publicatie: | 11-09-2026 |
| Zaaknummer(s): |
|
| Onderwerp: | Tuchtprocesrecht, subonderwerp: Hoger beroep niet mogelijk |
| Beslissingen: | Beslissing op verzet |
| Inhoudsindicatie: | Raadsbeslissing; verzet ongegrond. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 31 augustus 2026
in de zaken 25-877/A/A en 25-879/A/A
naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter
van de raad van discipline van 2 februari 2026 op de klacht van:
klagers
gemachtigde: mr. K.S. Guldemond
over
verweerders
gemachtigde: mr. W. Knoester
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 31 maart 2025 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in
het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerders.
1.2 Op 18 december 2025 heeft de raad het klachtdossier met de kenmerken 2483219
en 2485948/EvR/AP van de deken ontvangen.
1.3 Bij beslissing van 2 februari 2026 heeft de plaatsvervangend voorzitter van
de raad (hierna ook: de voorzitter) klachtonderdeel a) kennelijk niet-ontvankelijk
verklaard. Klachtonderdeel b) en c) zijn kennelijk ongegrond verklaard. Deze beslissing
is op 2 februari 2026 verzonden aan partijen.
1.4 Op 1 maart 2026 hebben klagers verzet ingesteld tegen de beslissing van de
voorzitter. De raad heeft het verzetschrift op diezelfde datum ontvangen.
1.5 Het verzet is behandeld op de zitting van de raad van 6 juli 2026. Daarbij
waren klaagster en hun gemachtigde en verweerders met hun gemachtigde aanwezig.
1.6 De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen
het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd
en van het verzetschrift. Klagers hebben op 19 juni 2026 stukken nagezonden.
2 VERZET
2.1 De gronden van het verzet houden, voorzover de raad uit het omvangrijke –
en vermoedelijk met behulp van AI gegenereerde - verzetschrift heeft kunnen destilleren,
zakelijk weergegeven, het volgende in.
2.2 In de eerste plaats is een onjuiste partij-aanduiding gebruikt. Klager is
aangemerkt als natuurlijk persoon die voor zichzelf optreedt, terwijl hij – als vertegenwoordiger
van SLW GmbH (SLW) – ook optreedt en klaagt namens deze vennootschap. Had de voorzitter
onderkend dat SLW zelf de klagende partij is, dan had de ontvankelijkheidstoets een
wezenlijk andere uitkomst gehad.
2.3 De voorzitter heeft verder de maatstaf "kennelijk" te ruim toegepast door
te stellen dat de klacht zonder nader feitenonderzoek afgehandeld kon worden. In werkelijkheid
gaat het om substantiële feitelijke en juridische geschilpunten die nader onderzoek
vergden (waaronder of instructies golden voor de bestemming van het bedrag van € 900.000,-,
de kwalificatie van de betaling, de tijdlijn, communicatie en administratie rond ontvangst,
doorgeleiding en doorbetaling, de besluitvorming en rol van de Stichting Derdengelden
MAAK Advocaten, de reikwijdte van de zorgvuldigheids- en verificatieplichten van een
advocaat bij ontvangst van een groot bedrag van een derde, de toerekening van betalingen).
2.4 De voorzitter heeft onterecht geoordeeld dat klagers geen rechtstreeks belang
hebben bij het onderdeel van de klacht dat betrekking heeft op de € 900.000,-. Ten
onrechte heeft de voorzitter het belang van klager als privépersoon getoetst in plaats
van dat van SLW als rechtspersoon, terwijl SLW de betaler is van het geld en direct
geraakt wordt door de wijze waarop het advocatenkantoor van verweerders met deze gelden
is omgegaan. Het gebrek aan zorgvuldigheid, verificatie en transparantie bij de verwerking
van de gelden vormt de kern van de klacht en is los te zien van eventuele civielrechtelijke
verhaalsrelaties. Ook klaagster heeft een rechtstreeks tuchtrechtelijk belang, omdat
zij als mede-eigenaar van het onroerend goed waarop beslag ligt en als bestuurder
betrokken is bij de executieprocedures, en omdat zij in het conflict rechtstreeks
geraakt wordt.
2.5 De voorzitter miskent verder de reikwijdte van het klachtrecht door te stellen
dat klachten over Wwft- en VODA-naleving uitsluitend onder het toezicht van de deken
vallen en klagers geen klachtrecht hebben. Het klachtrecht hangt niet af van de aard
van de geschonden norm, maar van het directe belang van de klager.
2.6 De voorzitter heeft ten onrechte het zwaartepunt van de klacht gelegd bij
een inhoudelijke beoordeling van het onderliggende Duitse civielrechtelijke geschil,
terwijl het tuchtrecht zich juist richt op de naleving van Nederlandse beroepsnormen.
2.7 De voorzitter verklaart klachtonderdeel b) kennelijk ongegrond, en heeft
miskend dat het hier gaat om een patroon van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen
dat inhoudelijk moet worden beoordeeld. Verweerders hebben betalingen met duidelijke
betalingskenmerken genegeerd, willekeurig toegerekend aan andere vorderingen dan door
de betaler bedoeld of laten ‘verdwijnen’, en tegelijkertijd executiemaatregelen voortgezet
alsof niet was betaald.
2.8 Ook klachtonderdeel c) is ten onrechte kennelijk ongegrond verklaard. Verweerders
hebben zware executiemaatregelen genomen op basis van een abstracte schuldbekentenis
zonder onderliggende, geconcretiseerde schadeberekening. Dit is onzorgvuldig, zeker
gezien het vonnis in kort geding dat bevestigde dat de vordering niet zonder meer
vaststond. Omdat verweerders zich profileren als experts op het gebied van de tenuitvoerlegging
van Duitse titels in Nederland, geldt een verhoogde zorgplicht.
2.9 De voorzitter heeft de drie klachtonderdelen ten onrechte los van elkaar
beoordeeld, terwijl ze samen een patroon vormen: verweerders maakten steeds zelfstandig
keuzes over kwalificatie, toerekening en bestemming van geldstromen, steeds in het
voordeel van hun cliënte en zonder verificatie, transparantie of verantwoording jegens
de wederpartij of derden. Dit patroon is tuchtrechtelijk toetsbaar en had niet per
klachtonderdeel als ‘kennelijk’ mogen worden afgedaan.
2.10 Ten slotte heeft de deken verzuimd inzage te vragen in het betalingsverkeer
tussen de betrokken partijen, terwijl die informatie cruciaal is voor een juiste beoordeling
van de klacht.
3 FEITEN EN KLACHT
3.1 Voor de vaststaande feiten en de omschrijving van de klacht verwijst de raad
naar de beslissing van de voorzitter.
4 BEOORDELING
4.1 De raad stelt vast dat de nagezonden stukken van klagers 16 dagen vóór de zitting,
en daarmee (zie artikel 2.4.2 van het procesreglement) tijdig zijn overgelegd. Het
bezwaar van verweerders tegen indiening daarvan wordt daarom verworpen en de stukken
worden meegewogen in de hiernavolgende beslissing.
4.2 Voordat de raad de klacht inhoudelijk kan beoordelen moet sprake zijn van
een gegrond verzet. Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld
of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als
de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing
heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.
4.3 De raad is van oordeel dat de door klagers aangevoerde verzetgronden niet
slagen; de voorzitter heeft bij de beoordeling de juiste maatstaf toegepast en heeft
rekening gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval. Daarmee
hoeft in redelijkheid niet te worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter
juist is.
4.4 De raad ziet aanleiding ten overvloede het volgende te overwegen met betrekking
tot de vraag welke partij(en) als klagers hebben te gelden.
4.5 Waar de klachten aanvankelijk alleen door klaagster sub 1 waren ingediend,
heeft klaagster - na ontvangst van het verweerschrift van verweerders - bij brief
van 17 juli 2025 aan de deken het volgende geschreven: “Bovendien laat ik u hierbij
weten dat de heer [klager onder 2], directeur [SLW], zich als rechtsreeks belanghebbende
formeel aansluit bij klacht 2, met volmacht (zie BIJLAGE 1).” Dat de deken op basis
van voormelde mededeling in deze brief, voor het vervolg van de klachtprocedure slechts
klager onder 2 (deels) als mede-klager heeft aangemerkt, kan de raad goed volgen.
De strekking van de mededeling is immers dat klager onder 2 zich als klager aansluit
(en dan ook alleen ten aanzien van klacht 2). Ook verweerders hebben deze mededeling,
blijkens hun reactie in dupliek, klaarblijkelijk zo begrepen. Voor zover klagers aanvoeren
dat ten onrechte SLW niet als mede-klager is aangemerkt, volgt de raad – waarbij in
het midden wordt gelaten of dit wel de juiste instantie is om daarover te klagen -
hen daarin niet. Dat ergens in de tekst van de bij de brief gevoegde volmacht een
zinsnede is opgenomen die inhoudt dat klager onder 2 “verklaart volmacht te verlenen
(…) teneinde in zijn naam en namens [SLW] (cursivering raad) klacht nr. 2” te ondersteunen,
maakt dit niet anders.
4.6 Omdat het verzet tegen de beslissing van de voorzitter ook verder geen nieuwe
gezichtspunten oplevert, is er geen plaats voor nader onderzoek naar de klacht. De
raad zal het verzet daarom ongegrond verklaren.
BESLISSING
De raad van discipline verklaart het verzet ongegrond.
Aldus beslist door mr. K.M. van Hassel, voorzitter, mrs. D.V.A. Brouwer en J. Schulp, leden, bijgestaan door mr. K.J. Verschueren als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 31 augustus 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 31 augustus 2026