ECLI:NL:TADRAMS:2026:197 Raad van Discipline Amsterdam 26-087/A/NH

ECLI: ECLI:NL:TADRAMS:2026:197
Datum uitspraak: 31-08-2026
Datum publicatie: 07-09-2026
Zaaknummer(s): 26-087/A/NH
Onderwerp: Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Fouten
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Raadsbeslissing. Naar het oordeel van de raad is niet gebleken dat verweerster willens en wetens de rechtbank onjuist heeft geïnformeerd. De klacht wordt daarom ongegrond verklaard.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 31 augustus 2026
in de zaak 26-087/A/NH
naar aanleiding van de klacht van:

klager 
gemachtigde: mr. F.C. Schirmeister

over

verweerster 
gemachtigde: mr. C.L. Verhoeven

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1    Op 23 mei 2025 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Noord-Holland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.
1.2    Op 2 februari 2026 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk bb/25-277/2494594 van de deken ontvangen. 
1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 6 juli 2026. Daarbij waren klager en verweerster met hun gemachtigden aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 7. Ook heeft de raad kennisgenomen van de nagezonden stukken van klager van 16 februari 2026 en van verweerster van 23 februari 2026. 

2    FEITEN
2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2    Klager was verwikkeld in een echtscheiding. De voormalig partner van klager (verder: de vrouw) werd bijgestaan door verweerster. 
2.3    Volgens klager zou de vrouw vermogensbestanddelen achter hebben gehouden, die nog verdeeld moesten worden. Deze vermogensbestanddelen betroffen niet of gedeeltelijk afgedragen opbrengsten van verkochte onroerende goederen, en het saldo van een buitenlandse bankrekening die de vrouw zich volgens klager zou hebben toegeëigend.
2.4    De gemachtigde van klager heeft op 28 juni 2023 contact opgenomen met de vrouw om tot een minnelijke verdeling van de gemeenschap te komen. Hierop is niet gereageerd. Op 26 september 2023 is de gemachtigde van klager namens klager overgegaan tot dagvaarding van de vrouw.
2.5    Op 13 oktober 2023 deed verweerster namens de vrouw een schikkingsvoorstel. Dit hield in: 
“(…) Onder de voorwaarde dat uw cliënt de aandelenoverdracht van de aandelen op zijn naam alsnog in orde maakt en hij cliënte vrijwaart voor een eventuele aanmerkelijk belang claim in dat kader, is cliënte bereid, het huidige saldo van de rekening in Hong Kong met hem te delen, na aftrek van de kosten die zien op het overbrengen van het geld naar Nederland.”
Op 16 oktober 2023 heeft de gemachtigde van klager dit voorstel afgewezen, omdat het voorstel te vaag was voor klager.
2.6    Op 6 maart 2024 werd er in de conclusie van antwoord door verweerster namens de vrouw het volgende standpunt over de verdeling ingenomen:
- de vrouw heeft in 2010 een bedrag van € 295.000,- in contanten overgemaakt aan klager;
- in 2014, 2018 en 2019 heeft de vrouw nogmaals een bedrag van € 210.000,-overgemaakt aan klager; 
- daarmee zou het saldo bij helfte zijn verdeeld;
- het saldo op de buitenlandse rekening bedroeg € 508.653,61.
2.7    Op 4 april 2024 heeft de gemachtigde van klager een tegenvoorstel gedaan, dat kort gezegd inhield dat klager ermee kon instemmen dat aan hem tegen finale kwijting een bedrag van € 600.000,- door de vrouw werd betaald. Op 8 april 2024 heeft verweerster dit voorstel namens haar cliënte verworpen omdat zij het voorstel niet realistisch vond. Verweerster schrijft daarbij als toelichting: 
“Zelfs indien de rechtbank onverhoopt tot het oordeel komt dat de vorderingen uit de dagvaarding onverkort toegewezen kunnen worden, hetgeen cliënte uiteraard betwist, zal dat bij lange na geen betaling van € 600.000,- van cliënte aan uw cliënt opleveren.”
2.8    De rechtbank heeft op 5 maart 2025 een tussenvonnis gewezen en geoordeeld dat er geen sprake was van een volledige verdeling, en dat de opbrengst van twee panden nog moet worden verdeeld. Verder oordeelde de rechtbank dat de vrouw moest aantonen dat zij aan klager bedragen in contanten had uitgekeerd betreffende de verdeling van het saldo wat op de buitenlandse rekening stond. De rechtbank heeft daarbij de kinderen van partijen als getuigen opgeroepen.
2.9    Na dit vonnis heeft de zoon van partijen bemiddeld en is er een compromis bereikt. De gemachtigde van klager vroeg verweerster om hierover duidelijkheid te geven bij e-mail van 18 maart 2025. Verweerster gaf aan dat partijen overeen waren gekomen dat de vrouw € 575.000,- aan klager zou betalen, en dat klager de aandelenoverdracht af zou wikkelen, en eventuele financiële consequenties voor zijn rekening zou nemen.
2.10    Op 27 maart 2025 heeft verweerster een conceptovereenkomst gestuurd naar de gemachtigde van klager. Bij e-mail van 9 april 2025 heeft hij een aantal wijzigingen voorgesteld.  In deze e-mail wordt verder geschreven:  
“Uw cliënte heeft de rechtbank niet naar waarheid voorgelicht; u was ervan op de hoogte, getuige uw voorstel om de helft van de buitenlandse rekening te delen, dat het saldo van de buitenlandse rekening niet was verdeeld. Het komt mij voor dat het handelen van uw cliënte onrechtmatig jegens cliënt is geweest; uw handelen is klachtwaardig aangezien u de rechtbank willens en wetens niet naar waarheid en dus in strijd met artikel 21 Rv heeft voorgelicht. Cliënt is daardoor benadeeld en heeft financiële schade geleden waarvoor uw cliënte en u verantwoordelijk zijn. U heeft nota bene een niet bestaande getuige ten tonele gevoerd. (…)”
2.11    Op 10 april 2025 liet verweerster weten dat het voorstel namens de vrouw, nu dit niet was geaccepteerd, wordt ingetrokken en komt te vervallen. Verweerster betwistte daarbij dat zij de rechtbank niet naar waarheid heeft geïnformeerd, en meldde dat zij was uitgegaan van wat haar cliënte haar heeft verteld.
2.12    De gemachtigde van klager heeft verweerster per e-mail van 10 april 2025 medegedeeld dat hij vasthoudt aan zijn bericht van 9 april 2025. Verder wees hij verweerster op de contradictie dat haar cliënte opeens rept over een “aanbod”, daar waar voorheen over “bereikte overeenstemming” werd gesproken.
2.13    Bij de akte die door verweerster is overlegd op 14 mei 2025, zit een tweetal schriftelijke verklaringen van beide kinderen van partijen. Daarin verklaren de kinderen dat zij geen wetenschap hadden van betalingen in contanten door de vrouw aan klager. 
2.14    De gemachtigde van klager heeft op 19 mei 2025 aan verweerster geschreven dat de inhoud van de akte van verweerster en de verklaringen van de kinderen eens te meer duidelijk maken dat de rechtbank niet naar waarheid is geïnformeerd. Verweerster heeft daarop verwezen naar haar eerdere reactie. 
2.15    Op 23 mei 2025 heeft klager onderhavige klacht tegen verweerster ingediend. 
2.16    Verweerster heeft op 10 december 2025 een klacht ingediend tegen de gemachtigde van klager.  

3    KLACHT
3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet, doordat zij reeds vóór het formuleren van haar conclusie van antwoord op de hoogte was van een onverdeeld deel van het saldo op de buitenlandse rekening, en dus de rechtbank willens en wetens onjuist heeft geïnformeerd.
3.2    Aan de klacht legt klager ten grondslag dat bij verweerster een belletje had moeten gaan rinkelen toen haar cliënte bereid was € 575.000,- aan klager te betalen. Dit bedrag week sterk af van het standpunt van haar cliënte in rechte dat zij helemaal niets hoefde te betalen omdat zij beweerde het aandeel van klager in de gezamenlijke buitenlandse rekening al contant aan hem te hebben voldaan. Doordat de vrouw een voorstel deed van € 575.000,- is het duidelijk dat zij niet eerder geld in contanten aan klager heeft betaald. Het door verweerster in rechte volhouden dat dit wel het geval is, is tuchtrechtelijk verwijtbaar jegens klager.

4    VERWEER 
4.1    Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. Volgens verweerster betekent het feit dat haar cliënte de zaak wilde regelen geen erkenning van schuld en kan hier ook niet uit worden opgemaakt dat zij tegen de rechtbank heeft gelogen. Verweerster heeft van de zijde van haar cliënte nooit de indruk gekregen – ook niet toen zij namens haar cliënt het aanbod deed - dat zij de stellingen van de wederpartij over het saldo als juist erkent. De cliënte van verweerster heeft aangegeven dat zij een aanbod deed, onder meer omdat zij niet opnieuw in een strijd met klager terecht wilde komen. Nergens is vastgesteld dat de vrouw onwaarheden heeft verkondigd. Het is volgens verweerster al helemaal uit de lucht gegrepen dat zij de rechtbank bewust onjuist geïnformeerd zou hebben. Verweerster betwist dat zij klachtwaardig zou hebben gehandeld. 

5    BEOORDELING
5.1    Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren.  Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.
5.2    Klager verwijt verweerster, kort gezegd, dat zij willens en wetens de rechtbank onjuist heeft geïnformeerd. 
5.3    De raad oordeelt dat niet is gebleken dat verweerster de rechtbank willens en wetens onjuist heeft geïnformeerd. Het is feitelijk juist dat er een discrepantie bestaat tussen het aan klager aangeboden schikkingsbedrag en het standpunt dat verweerster namens haar cliënte in rechte heeft ingenomen. Dat feit kan op zichzelf echter niet leiden tot de conclusie dat verweerster de rechtbank onjuist heeft geïnformeerd. Verweerster heeft toegelicht dat haar cliënte redenen had om een schikking met klager te beproeven en de raad acht die toelichting niet ongeloofwaardig, en in ieder geval niet zodanig onbegrijpelijk dat verweerster in rechte nadien niet – zonder nader onderzoek, waarover echter niet wordt geklaagd - op de verklaringen van haar cliënte had mogen afgaan dat het saldo nog niet was verdeeld. Bovendien betrof het schikkingsaanbod dat verweerster namens haar cliënte deed, zoals verweerster heeft toegelicht, meer dan enkel de afwikkeling van het banksaldo en waren daar ook andere voorwaarden aan verbonden. 
5.4    Op grond van het voorgaande wordt de klacht ongegrond verklaard.    

BESLISSING
De raad van discipline:
-    verklaart de klacht ongegrond. 

Aldus beslist door mr. K.M. van Hassel, voorzitter, mrs. D.V.A. Brouwer en J. Schulp, leden, bijgestaan door mr. K.J. Verschueren als griffier en uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2026.


Griffier    Voorzitter

Verzonden op: 31 augustus 2026