ECLI:NL:TADRAMS:2026:196 Raad van Discipline Amsterdam 26-075/A/A 26-099/A/A

ECLI: ECLI:NL:TADRAMS:2026:196
Datum uitspraak: 31-08-2026
Datum publicatie: 11-09-2026
Zaaknummer(s):
  • 26-075/A/A
  • 26-099/A/A
Onderwerp: Grenzen van het tuchtrecht, subonderwerp: Advocaat in hoedanigheid van faillissementscurator
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Raadsbeslissing. Het betreft een klacht over de curator (verweerder sub 1) en over de advocaat van de curator (verweerder sub 2). Er wordt geklaagd over verschillende handelingen die verweerders hebben verricht in het faillissementstraject. Verder wordt de curator ernstige belangenverstrengeling verweten. De raad heeft alle klachtonderdelen ongegrond verklaard. Klagers hebben onvoldoende toegelicht waarom zich in dit geval een onaanvaardbare belangenverstrengeling heeft voorgedaan en evenmin dat en in welke zin de gedragingen van de curator het vertrouwen in de advocatuur hebben geschaad.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 31 augustus 2026
in de zaken 26-075/A/A en 26-099/A/A
naar aanleiding van de klacht van:

klagers 
gemachtigde: mr. V.H.B. Kruit

over

verweerders 


1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1    Op 8 mei 2025 hebben klager en klaagsters 2, 3 en 5 bij het Hof van Discipline een klacht ingediend over verweerder sub 1. Bij beslissing van 28 mei 2025 heeft de voorzitter van het Hof van Discipline de klacht voor onderzoek en afhandeling verwezen naar de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken).
1.2    Eveneens op 8 mei 2025 hebben klager en klaagsters 2, 3 en 5 bij de deken een klacht ingediend over verweerder sub 2.
1.3    Bij brief van 8 juli 2025 heeft klager meegedeeld dat de onderhavige klacht ook is ingediend namens klaagster 4.
1.4    Op 28 januari 2026 heeft de raad de (gelijkluidende) klachtdossiers met de kenmerken 2495900 en 2493066/ER/JN van de deken ontvangen. 
1.5    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 6 juli 2026. Daarbij waren klager met de gemachtigde en verweerders aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
1.6    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 4. Ook heeft de raad kennisgenomen van de nagezonden stukken van klagers van 22 juni 2026.

2    FEITEN
2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2    Klager is enig bestuurder en aandeelhouder van klaagsters sub 3 (VPN Holding) en 4 (AVO). VPN Holding is enig bestuurder en aandeelhouder van klaagsters sub 2 (VPN) en sub 5 (GON).  
2.3    GON is op 5 oktober 2021 failliet verklaard. Verweerder sub 1 treedt op als curator in het faillissement van GON. Verweerder sub 2 staat verweerder sub 1 in zijn hoedanigheid van curator van GON als advocaat bij. Verweerders zijn kantoorgenoten.  
2.4    Tussen verweerder sub 1 in zijn hoedanigheid als curator enerzijds en klager, VPN Holding en VPN anderzijds, is een procedure gevoerd bij de rechtbank Noord-Holland. Klager, VPN Holding en VPN zijn – kort gezegd – aansprakelijk gesteld voor het boedeltekort van GON. Op 13 november 2024 heeft de rechtbank Noord-Holland vonnis gewezen in de procedure. De rechtbank heeft ten aanzien van klager en VPN Holding geoordeeld dat zij als bestuurders hun taak kennelijk onbehoorlijk hebben vervuld, dat aannemelijk is dat dit een belangrijke oorzaak is geweest van het faillissement van GON en dat klager en VPN Holding daarom aansprakelijk zijn voor het boedeltekort. Ten aanzien van VPN heeft de rechtbank geoordeeld dat sprake is van onrechtmatig handelen en dat het aannemelijk is dat GON daardoor schade heeft geleden. Omdat de schade zich nog niet laat vaststellen, heeft de rechtbank de zaak ten aanzien van VPN naar de schadestaatprocedure verwezen. Het gevorderde voorschot van € 500.000,- staat volgens de rechtbank al voldoende vast en wordt door de rechtbank ten aanzien van alle gedaagden toegewezen.
2.5    Op 18 november 2024 heeft de advocaat van klager en de aan hem gelieerde vennootschappen (mr. W.), per e-mail het volgende bericht aan verweerder sub 1, met verweerder sub 2 in de cc:
“Zojuist hadden wij telefonisch contact i.v.m. het voorstel van cliënten tot een schikking. U gaf aan dat u het voorstel van cliënten in ieder geval onvoldoende vindt, maar dat u evenwel wilt nadenken over een tegenvoorstel. Cliënten zien uw tegenvoorstel met belangstelling tegemoet. Wat wij nog niet bespraken, is dat ik – nu er sprake is van schikkingsonderhandelingen – ervan uitga dat u hangende die onderhandelingen geen executiemaatregelen zult treffen jegens cliënten. Graag ontvang ik uw bevestiging in dat kader.”
2.6    Op 19 november 2024 heeft mr. W. per e-mail het volgende aan verweerders bericht:
“(…) Als ik het goed heb, dan dienen cliënten vandaag het voorschot ad € 500.000 te voldoen. Cliënten zullen het bedrag voldoen op de derdengeldenrekening van [het advocatenkantoor van verweerders] (…). Graag ontvang ik per ommegaande even uw bevestiging dat dit rekeningnummer correct is.”
Diezelfde dag heeft verweerder sub 1 de juistheid van het rekeningnummer bevestigd. 
2.7    Op 21 november 2024 heeft verweerder sub 2, voor zover relevant, het volgende aan mr. W. bericht:
“Ik refereer aan ons telefoongesprek van zojuist. Er lijkt wat ruis op de lijn te zijn ontstaan. Met deze e-mail poog ik die ruis weg te nemen. 
Kort samengevat heb ik daarin aangegeven:
1.    De curator kan pas een tegenvoorstel doen nadat de rechter-commissaris zijn standpunt kenbaar heeft gemaakt m.b.t. de nagekomen vorderingen. (…)
2.    (…)
3.    De curator is niet bereid om executiemaatregelen te staken hangende schikkingsonderhandelingen. U gaf dat u in de veronderstelling verkeerde dat uw cliënten al uitvoering hadden gegeven aan het vonnis. Dat is nog steeds niet het geval, er is nog geen betaling ontvangen. U zou dit nagaan bij uw cliënten en hier bij mij op terugkomen.”
2.8    Op 26 november 2024 is het bedrag van € 500.000,- door AVO overgeboekt naar de rekening van het advocatenkantoor van verweerders.
2.9    Na 26 november 2024 heeft verweerder sub 1 executoriaal beslag gelegd op verschillende percelen grond in eigendom van VPN.
2.10    Op 2 december 2024 heeft verweerder sub 2, voor zover relevant, het volgende aan mr. W. bericht:
“Betaling rente en kosten m.b.t. voorschot
De boedel heeft inmiddels betaling ontvangen van de hoofdsom van het voorschot, zijnde € 500.000,-.
In de tussentijd had de curator reeds beslag gelegd op onroerende zaken van [VPN]. De aangezegde wettelijke rente en kosten m.b.t. het voorschot zijn niet betaald en nog steeds verschuldigd. In totaal bedraagt dit per heden € 60.681,25 (…)
De curator zal de genoemde beslagen opheffen nadat ook deze kosten zijn betaald c.q. een finale regeling is overeengekomen en uitgevoerd.”
2.11    Op 4 december 2024 is het bedrag van € 60.681,25 door AVO overgeboekt naar de rekening van het advocatenkantoor van verweerders.
2.12    Diezelfde dag heeft mr. K., eveneens advocaat van klager en de aan hem gelieerde vennootschappen, verweerder sub 2, voor zover relevant, per e-mail als volgt bericht:
“Kort en goed stellen cliënten vast dat zij niets aan de boedel hebben voldaan. Zij hebben louter een bedrag ad € 500.000,00 op de derdengeldenrekening van [het advocatenkantoor van verweerders] gestort – met instemming van de curator, zie bijgaande e-mail van de curator d.d. 19 november 2024 – terzake beheer en in afwachting van een uitspraak die in kracht van gewijsde is gegaan én derhalve onherroepelijk vaststaat dat dit bedrag definitief aan de boedel verschuldigd is. Hetzelfde geldt voor de door de curator gevorderde rente ad € 60.681,25 in het emailbericht hieronder welke eveneens op de derdengeldenrekening is gestort. Het staat voornoemde stichting geenszins vrij om dit bedrag zonder uitspraak welke in kracht van gewijsde is gegaan over te maken naar de boedelrekening van gefailleerde waarvan [verweerder sub 1] (naast bestuurder van de stichting en eigenaar van [het advocatenkantoor]) tevens curator is. (…) Cliënten verzoeken u dan ook expliciet te bevestigen dat voornoemd bedrag nog steeds op de derdengeldenrekening geparkeerd staat en dat er niet met dit bedrag ‘gebankierd’ wordt, (…)”
2.13    Op 5 december 2024 heeft verweerder sub 2 de advocaten van klager per e-mail als volgt bericht:
“De gelden zijn op verzoek betaald om te voldoen aan een vonnis dat uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. Er is door u noch uw collega enig voorbehoud gemaakt bij het overmaken van deze gelden. Deze zijn dus al overgemaakt naar de faillissementsrekening.
Overigens is uw verzoek om de beslagen door te halen tegenstrijdig met uw standpunt t.a.v. deze betalingen. Als uw cliënten daadwerkelijk menen dat de gelden op de derdengeldenrekening geparkeerd hadden moeten blijven, dan hebben uw cliënten niet aan het vonnis voldaan en is dat dus geen reden om de beslagen door te halen.”
2.14    Diezelfde dag heeft mr. W. verweerders per e-mail als volgt bericht:
“Bij e-mail d.d. 19 oktober 2024 heeft [verweerder sub 1] expliciet ingestemd met betaling op de derdengelden rekening van [het advocatenkantoor] in plaats van op de boedelrekening. Het moge duidelijk zijn dat [verweerder sub 1] niet ineens terug kan komen op deze afspraak. Hadden partijen bedoeld dat het voorschot direct aan de boedel zou toekomen, dan waren zij wel overeengekomen dat het voorschot op de boedelrekening zou worden betaald, hetgeen niet is overeengekomen. 
Door de op de derdengeldenrekening gestorte gelden - zonder instemming - over te maken naar de boedelrekening, handelt [verweerder sub 1] in strijd met artikel 6.19 en 6.22 Voda en voorts met artikel 46 Advocatenwet. Voorts kwalificeert dit als bankieren met de derdengeldenrekening, waarvoor een verbod geldt. Het is uitdrukkelijk niet toegestaan om de derdengeldenrekening te gebruiken voor betalingsverkeer aan een cliënt. 
Los daarvan is het - in het licht van de schikkingsonderhandelingen en het feit dat cliënten voornemens zijn appel en een incidentele vordering tot schorsing van de uitvoerbaar bij voorraad verklaring in te stellen - geenszins betamelijk om de gelden over te maken naar de boedelrekening, in de wetenschap dat dit tot een enorm restitutierisico leidt.
Cliënten bieden [verweerder sub 1] de gelegenheid om zijn handelen te herstellen en de gelden terug te boeken naar de derdengeldenrekening. Graag ontvang ik uiterlijk morgen de bevestiging dat de gelden zijn teruggeboekt.”
2.15    In reactie daarop heeft verweerder sub 1 de advocaten van klager, voor zover relevant, per e-mail als volgt bericht:
“[Verweerder sub 2] zal nog wel een nadere reactie sturen. Maar vooruitlopend daarop, uw client is ermee bekend dat de derdenrekening wordt gebruikt om gelden in faillissementen te incasseren. Eerdere betalingen vanuit uw client zijn ook via de derdenrekening gelopen, en die waren ook niet bestemd om daarop te blijven staan. De derdenrekening is juist bedoeld om gelden mee te incasseren en dat is ook in faillissementen toegestaan. 
Kortom, uw cliënte heeft bevrijdend betaald op de door mij aangegeven bankrekening en dat geld is doorbetaald aan de boedel. Als uw client niet wilde betalen maar ergens in depot had willen stellen, dan had hij dat moeten aangeven en dan had een depotovereenkomst moeten worden gesloten. Dat heeft uw client evenwel niet aangegeven. 
Het geld gaat dus niet terug naar de derdenrekening. Indien in hoger beroep anders wordt geoordeeld, wat ik niet verwacht, dan heeft uw client een boedelvordering. (…)”
2.16    Op 6 december 2024 heeft mr. K. verweerders per e-mail als volgt bericht:
“Met verbazing neem ik kennis van onderstaande correspondentie. Het ligt namelijk op de weg van de bestuurders van Stichting Beheer Derdengelden [het advocatenkantoor] om in overleg te treden met cliënten ter zake de allocatie van gelden nu de stichting in beginsel de gestorte gelden houdt voor cliënten. Dit is ook in lijn met hetgeen [verweerder sub 2] verklaart namelijk dat cliënten bevrijdend hebben betaald op basis van de met u gemaakte afspraken en dat het om die reden ook gereserveerd had moet blijven staan op de derdengeldenrekening. Dit is wat aldus is overlegd met [mr. W.] en hetgeen reeds ook door mij is benadrukt in mijn eerdere correspondentie. Het staat de stichting dan ook geenszins vrij om zomaar deze gelden over te boeken op de faillissementsrekening van gefailleerde zonder expliciet akkoord van cliënten, want in dat geval hadden wij als advocaten cliënten wel geadviseerd om de betaling rechtstreeks op de boedelrekening van gefailleerde over te maken. Dit is uitdrukkelijk niet gedaan en evenmin is mij bekend dat cliënten eerder wel bevrijdend op de derdengeldenrekening van de stichting hebben betaald ten behoeve van de boedel. Heeft de partij die de gelden had gestort dit al eerder gedaan dan?
Zoals u zult begrijpen wensen cliënten niet met een boedelvordering geconfronteerd te worden in het faillissement en zij willen enkel dat de stichting de gelden onder zich houdt tot het moment er ofwel een minnelijke regeling is bereikt ofwel een gerechtelijke uitspraak ligt die in kracht van gewijsde is gegaan. Het gestorte bedrag is immers louter betaald als zekerheid voor een uiteindelijk in kracht van gewijsde gegane uitspraak. (…) En volledigheidshalve zij vermeld dit in appèl ook in de incidentele vordering zal worden betoogd. Het op een dergelijke wijze van bankieren met gelden van derden is ook geenszins toegestaan, waarbij u nota bene zelf hebt ingestemd om de gelden op de derdengeldenrekening van de stichting te parkeren gedurende de schikkingsonderhandelingen en het hoger beroep. Zoals reeds eerder betoogd staat ook Bureau Financieel Toezicht afwijzend tegenover een dergelijke wijze van bankieren met de derdengeldenrekening, hetgeen reden voor diverse advocatenkantoren is geweest om derdengeldenrekeningen op te heffen. De bewijslast ligt namelijk bij het bestuur van de derdengeldenstichting. 
Kortom de wijze waarop de gelden op de derdengeldenrekening door de stichting zijn aangewend is oneigenlijk, sterker nog de stichting is geenszins in staat aan te tonen op welke wijze executie uit hoofde van het vonnis op de opbrengst van de derdengeldenrekening krachtens de regels van Rechtsvordering heeft plaatsgevonden, omdat zij dat bedrag direct heeft doorgeleid én partijen nog in overleg waren over een schikking. Bovendien houdt het geen pas om gedurende schikkingsonderhandelingen op een derdengeldenrekening gestorte gelden aan te wenden voor de boedel waarvan u tevens curator bent, terwijl de partij waarvoor u de gelden houdt hiervan niet eerst om instemming is verzocht. Het moge duidelijk zijn dat Stichting Beheer Derdengelden [het advocatenkantoor] en diens bestuur voor dit onrechtmatige handelen aansprakelijk wordt gehouden door cliënten en de reeds door cliënten gestorte bedragen thans van de stichting zullen worden gevorderd op het moment dat de stichting erin persisteert dat de derdengeldenrekening niet voor het bedrag van de storting zijdens cliënten wordt aangezuiverd.”
2.17    Op 7 februari 2025 hebben klager, VPN Holding en VPN hoger beroep ingesteld van het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 13 november 2024. De appeldagvaarding bevatte tevens een incidentele vordering.
2.18    Op 13 februari 2025 heeft verweerder sub 2 de advocaten van klager, voor zover relevant, per e-mail as volgt bericht: 
“Ik heb kennisgenomen van de appeldagvaarding die u namens uw cliënten heeft ingediend. U verzoekt daarin incidenteel (onder meer) om opheffing van de gelegde beslagen en een verbod om verdere executiemaatregelen te nemen. Ik reageer bij deze specifiek op dit punt, de overige stellingen kom ik bij memorie van antwoord op terug. Ik begrijp uw stelling zo dat de curator geen belang meer bij de beslagen zou hebben, omdat u cliënten het voorschot reeds hebben voldaan. 
Echter, de beslagen zijn tevens gelegd voor hoofdveroordeling tot (kort gezegd) betaling van het volledige boedeltekort. Dit tekort zal, zeker nu uw cliënten hoger beroep hebben ingesteld en weer (klacht)procedures aankondigen, verder oplopen. Een en ander is conform artikel 504a Rv (…).
De curator is vanzelfsprekend bereid om de beslagen op te heffen indien door uw cliënten adequate vervangende zekerheid wordt verstrekt voor het boedeltekort. Een voorstel daartoe ziet de curator graag tegemoet. Indien uw cliënten menen dat de hoogte van het boedeltekort t.o.v. de waarde van de beslagen zaken, deze beslagen onrechtmatig maken, kunnen uw cliënten dit onderbouwd aangeven. Dit lees ik overigens niet met zoveel woorden terug in de appeldagvaarding. De curator zal zich alsdan beraden over het opheffen van de beslagen.
Bij de huidige stand van zaken ziet de curator geen aanleiding om de beslagen op te heffen en acht hij dit niet in het belang van de gezamenlijke schuldeisers.”
2.19    Bij brief van 11 juni 2025 heeft verweerder sub 2, voor zover relevant, het volgende bericht aan de advocaat van klager:
“Namens [verweerder sub 1] q.q. en pro se, de Stichting Derdengelden van [het advocatenkantoor] en ondergetekende reageer ik op uw brief gedateerd 27 mei jl. die op 3 juni jl. werd ontvangen.
U stelt dat uw cliënte is veroordeeld tot betaling van een voorschot van € 500.000. Uw cliënte zou aan die veroordeling hebben voldaan door betaling van dit bedrag op de derdenrekening van [het advocatenkantoor] en daarmee zou de grondslag voor het beslag zijn komen te vervallen. Dit is onjuist. Uw cliënten zijn tevens veroordeeld tot betaling van (samengevat) het boedeltekort. Dat is tot op heden niet betaald. Voorts is uw stelling dat uw cliënte heeft voldaan aan de veroordeling ook niet te rijmen met het standpunt dat uw cliënte nog steeds inneemt dat zij het bedrag als zekerheidsstelling heeft overgemaakt. Zekerheid stellen is immers geen betalen. 
U stelt verder dat de curator geen schadestaatprocedure is aangevangen. Dat is ook niet zo gek. Uw cliënten zijn immers veroordeeld tot betaling van het boedeltekort en hebben tegen dat veroordelende vonnis hoger beroep ingesteld. Zo lang die procedure nog loopt, is nog niet duidelijk wat het boedeltekort zal bedragen en heeft het geen zin om de schadestaatprocedure aan te vangen. Die procedure zal immers (meteen) geschorst moeten worden om de uitkomst af te wachten van – in elk geval – het hoger beroep. (…) 
Uw stelling dat het volstrekt onduidelijk is wat de curator te vorderen heeft, klopt ook niet. Ik verwijs u naar de raming van het boedeltekort in de memorie van antwoord in incident. Het boedeltekort werd ten tijde van die memorie van antwoord geraamd op € 390.119,31.
U insinueert dat de curator niet bereid zou zijn om de beslagen op te heffen. Ook dit is onjuist. De curator heeft aangegeven dat hij bereid is om de beslagen op te heffen indien uw cliënten adequate vervangende zekerheid stellen voor het boedeltekort. Ik verwijs naar mijn e-mail d.d. 13 februari 2025 en memorie van antwoord zijdens de curator in het incident d.d. 5 maart 2025. Uw cliënten hebben hier tot op heden niet op gereageerd.
De curator is nog steeds bereid om de beslagen op te heffen tegen het stellen van vervangende zekerheid. (…)
De curator herhaalt nogmaals dat hij bereid is om de beslagen op te heffen als uw cliënten bereid zijn zekerheid te stellen voor het geraamde boedeltekort. Ik verneem gaarne indien uw cliënten hier alsnog gebruik van willen maken. Indien uw cliënten menen dat de beslagen disproportioneel zijn, ligt het op hun weg om concreet en onderbouwd aan te geven welke beslagen op welke percelen volgens uw cliënten opgeheven dienen te worden (zie ook mijn e-mail van 13 februari jl.). De curator acht het niet in het belang van de gezamenlijke schuldeisers om gehoor te geven aan uw ongeclausuleerde verzoek om alle beslagen op te heffen.”
2.20    Op 30 juni 2025 heeft de mondelinge behandeling van het incidentele appel bij het gerechtshof Amsterdam plaatsgevonden.
2.21    Op 1 juli 2025 heeft verweerder sub 1 opnieuw executoriaal beslag laten leggen onder VPN voor een bedrag van € 390.000,-.
2.22    Op 12 augustus 2025 heeft het gerechtshof Amsterdam ter zake de incidentele vordering van klager, VPN Holding en VPN verweerder sub 1 gelast de gelegde beslagen door te halen en hem verboden verdere executiemaatregelen te treffen totdat er door het gerechtshof een eindarrest is gewezen. In het arrest is, voor zover relevant, het volgende opgenomen:
“3.4. De curator heeft een aanvang gemaakt met de tenuitvoerlegging van het vonnis door het leggen van executoriaal beslag. VPN c.s. menen dat hij daartoe niet had mogen overgaan omdat voor de toegewezen bedragen (het voorschot en de rente) volledige zekerheid was gesteld.
3.5. Dat standpunt is onjuist. De overmakingen op de derdengeldrekening konden door de curator in redelijkheid worden beschouwd zoals hij heeft gedaan, te weten als een betaling. Dat deze mogelijk waren bedoeld om zekerheid te stellen was voor de curator niet kenbaar; bij de overmakingen was dat niet vermeld. Anders dan VPN c.s. stellen was in de daaraan voorafgaande correspondentie waarop VPN c.s. zich beroepen ook niet afgesproken dat de overmaking zou worden aangemerkt als zekerheidsstelling. (…)
3.8. Nu vast staat dat zowel de hoofdsom van het voorschot als de daarover verschuldigde rente is overgemaakt en dus, gelet op het voorgaande, in zoverre geheel aan het vonnis is voldaan kon de curator geen executoriaal beslag leggen voor dat voorschot met rente, respectievelijk moest hij het daarvoor gelegde beslag opheffen. (…)
3.9. (…) Uit dat beslagexploot blijkt ondubbelzinnig dat het beslag alleen is gelegd voor het bij het vonnis toegewezen voorschot van € 500.000 met rente. (…)”

3    KLACHT
3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerders tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klagers verwijten verweerders het volgende: 
a)    Verweerder sub 1 heeft in het faillissement van GON in verschillende hoedanigheden opgetreden, namelijk als curator van GON, maar tegelijkertijd ook als advocaat, advocaat-partner van [het advocatenkantoor], bestuurder van de Stichting Beheer Derdengelden [advocatenkantoor] en als procespartij tegenover klager. Deze combinatie heeft geleid tot ernstige belangenverstrengeling en onduidelijkheid over de hoedanigheid van verweerder sub 1, hetgeen in strijd is met gedragsregel 9. Gelet op hun gezamenlijke en elkaar overlappende hoedanigheden in het dossier raakt dit klachtonderdeel ook verweerder sub 2.
b)    Verweerder sub 1 heeft in strijd met de gemaakte afspraken en zonder dat het vonnis van 13 november 2024 in kracht van gewijsde was gegaan, het voorschot van € 500.000,- plus rente van de derdengeldenrekening van de Stichting Beheer Derdengelden [advocatenkantoor] overgeboekt naar de boedelrekening van GON, ondanks dat klager expliciet had laten weten dat de betaling onder voorbehoud van hoger beroep was gedaan en slechts als zekerheid diende. Deze handelwijze vormt een schending van de kernwaarde integriteit en van de financiële zorgplicht van een advocaat. 
c)    Verweerder sub 1 heeft geweigerd medewerking te verlenen aan de opheffing van het executoriale beslag gelegd op het volledige onroerend goed van VPN, hetgeen het bedrijfsmodel volledig heeft verlamd en aanzienlijke schade heeft veroorzaakt. Deze weigering is disproportioneel en bedoeld geweest als pressiemiddel. Daarmee is sprake van misbruik van executiebevoegdheid en schending van gedragsregel 17, alsmede artikel 3:13 BW.
d)    Verweerder sub 1 heeft in afwijking van het vonnis van 13 november 2024 het voorschot behandeld als definitieve betaling en daarmee zijn positie als advocaat misbruikt door de derdengeldenrekening in te zetten voor een niet-gerechtvaardigde eindafrekening.
e)    Verweerders hebben een onredelijke aanvullende voorwaarde gesteld aan de opheffing van het beslag, te weten een tweede betaling van € 500.000,-.
f)    Verweerder sub 1 heeft met zijn optreden zoals hierboven omschreven het gezag van de tuchtrechtelijke structuur ondermijnd, hetgeen onverenigbaar is met zijn functie als deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Noord-Holland.
g)    Verweerders hebben op 1 juli 2025, zonder schadestaatprocedure of aanvullende titel, opnieuw executoriaal beslag gelegd voor € 100.000,- meer dan het door het hof vastgestelde boedeltekort. Dit vormt een ernstige schending van het beginsel van zorgvuldige executie. 
3.2    De raad zal hierna op de klachtonderdelen ingaan. 

4    VERWEER 
4.1    Verweerders hebben tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

5    BEOORDELING
Maatstaf
5.1    De klacht voor zover deze is gericht tegen verweerder sub 1 heeft betrekking op zijn handelen in de hoedanigheid van curator. Het in de Advocatenwet geregelde tuchtrecht heeft betrekking op het handelen en nalaten van advocaten en beoogt een behoorlijke beroepsuitoefening te waarborgen. Wanneer een advocaat optreedt in een andere hoedanigheid dan die van advocaat blijft het advocatentuchtrecht in die zin voor hem gelden, dat indien die advocaat zich bij de vervulling van diens andere hoedanigheid zodanig gedraagt dat daardoor het vertrouwen in de advocatuur wordt geschaad, sprake kan zijn van een handelen of nalaten in strijd met hetgeen een behoorlijke advocaat betaamt, waarvan hem een tuchtrechtelijk verwijt gemaakt kan worden.
5.2    Voor het handelen van een advocaat als curator brengt de hierboven genoemde maatstaf met zich mee dat niet snel van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen sprake zal zijn. Dit komt onder meer omdat een curator bij de uitoefening van zijn taak uiteenlopende en soms tegenstrijdige belangen moet behartigen en hij bij het nemen van zijn beslissingen, die vaak geen uitstel kunnen lijden, ook rekening behoort te houden met belangen van maatschappelijke aard. Verder speelt een rol dat de curator zijn taak uitoefent onder toezicht van de rechter-commissaris en dat het in de eerste plaats aan de rechter-commissaris is om te beslissen of het handelen van de curator zich binnen de wettelijke kaders afspeelt.
5.3    De raad zal hierna de klachtonderdelen beoordelen. Daarbij wordt aanleiding gezien de klachtonderdelen b) en d) gezamenlijk te boordelen. Ook is er aanleiding om klachtonderdeel f) als laatste te beoordelen. 
Klachtonderdeel a)
5.4    Klagers maken verweerder sub 1 het verwijt dat hij zich, door de veelheid aan verschillende rollen die hij innam, schuldig heeft gemaakt aan ernstige belangenverstrengeling en  onduidelijkheid over zijn rollen heeft gecreëerd. Hij had een externe advocaat moeten inschakelen in de procedure tegen, onder meer, klager om de onafhankelijkheid te bewaken. Het feit dat hij zich heeft laten bijstaan door een kantoorgenoot (verweerder sub 2) is volgens klagers ongebruikelijk en onwenselijk. Verweerder sub 1 heeft als advocaat-partner belang bij een zo groot mogelijke omzet van zijn kantoor, zodat de keuze voor een advocaat van zijn eigen kantoor uitsluitend daardoor is ingegeven. Dit alles heeft geleid tot strijd met gedragsregel 9. De Toetsingscommissie van INSOLAD bevestigde reeds in haar beslissing van 4 april 2023 dat verweerder sub 1 geen duidelijke scheiding aanbracht tussen zijn rollen en zich niet onthield van communicatie met klager buiten hun advocaat om. Deze werkwijze is tuchtrechtelijk verwijtbaar volgens klagers. 
5.5    Verweerders stellen zich op het standpunt nooit onduidelijkheid te hebben gecreëerd over de hoedanigheid waarin door verweerders is opgetreden. Van ongeoorloofde belangenverstrengeling is geen sprake geweest. Wanneer verweerder sub 1 als curator optrad heeft hij zich ook steeds als zodanig gepresenteerd. Verweerder sub 2 heeft steeds als advocaat van de curator opgetreden en zich als zodanig gepresenteerd. Door klager is geen enkel concreet voorbeeld genoemd waarin sprake zou zijn geweest van het optreden in verschillende hoedanigheden op een wijze die ongeoorloofd is. Reeds hierom dient de klacht te falen. Verweerders merken verder nog op dat dezelfde klacht eerder door Raad van Discipline ongegrond is verklaard op 29 april 2024.
5.6    De raad zal eerst ingaan op dit laatste punt. De uitspraak van de raad van 29 april 2024 maakt deel uit van de stukken. Hoewel het onderhavige klachtonderdeel a) enige overlap vertoont met de klacht die destijds aan de orde was, is de raad van oordeel dat het, anders dan verweerders betogen, niet gaat om dezelfde klacht. De klacht in deze onderhavige procedure ziet immers op het handelen van verweerder sub 1 in de hoedanigheid van curator, terwijl de eerdere klacht diens aanvankelijke optreden als advocaat van een andere partij, en daarmee een ander feitencomplex, betrof. Dit klachtonderdeel stuit daarom niet af op het ne-bis-in-idem beginsel en klagers zijn ontvankelijk in dit klachtonderdeel. 
5.7    Het klachtonderdeel kan evenwel niet slagen. Daartoe wordt het volgende overwogen. 
5.8    Verweerder sub 1 heeft opgetreden als curator. Zoals ook onder 5.2 is overwogen moet verweerder sub 1 bij de uitoefening van zijn taak als curator rekening houden met verschillende belangen, die ook strijdig kunnen zijn. Bovendien verricht hij zijn werkzaamheden ingebed in een kantoororganisatie, en ook nog eens onder toezicht van een rechter-commissaris. Om een procedure te entameren, heeft de curator een machtiging van de rechter-commissaris nodig. Klagers hebben, tegen deze achtergrond, onvoldoende toegelicht waarom zich in dit geval een onaanvaardbare belangenverstrengeling heeft voorgedaan en evenmin dat en in welke zin de gedragingen van verweerder sub 1 het vertrouwen in de advocatuur hebben geschaad. Daar komt bij dat klagers onvoldoende hebben toegelicht waarom elk van hen steeds een rechtstreeks eigen belang heeft bij dit klachtonderdeel.
5.9    Daarbij overweegt de raad nog het volgende.  Zoals ook de gemachtigde van klagers zelf op de zitting heeft erkend, is het, zeker in kleinere faillissementen of in faillissementen met geringe boedels, niet ongebruikelijk dat een curator zich in een procedure laat vertegenwoordigen door een kantoorgenoot, om de kosten binnen de perken te houden. Verweerders hebben toegelicht dat de faillissementsboedel in dit geval gering was  en dat deze bij aanvang van het faillissement zelfs helemaal leeg leek. De procedure werd bovendien met machtiging van de rechter-commissaris gevoerd. In dat kader is ook ten aanzien van (de betrokkenheid van) verweerder sub 2 niet gebleken dat sprake is van enig tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen. 
5.10    Dit klachtonderdeel wordt daarom in het geheel ongegrond verklaard.     
Klachtonderdelen b) en d)
5.11    Klager stelt ten aanzien van klachtonderdeel b) dat hij op verzoek van verweerder sub 1 en met diens instemming, het in het vonnis van 13 november 2024 toegekende voorschot van € 500.000,- plus rente heeft laten storten op de derdengeldenrekening van het advocatenkantoor. In strijd met de gemaakte afspraken en zonder dat het vonnis in kracht van gewijsde was gegaan, heeft verweerder sub 1 dit bedrag overgeboekt naar de boedelrekening van GON. Dit terwijl klager expliciet had laten weten dat de betaling onder voorbehoud van hoger beroep was gedaan en slechts als zekerheid diende. Deze handelwijze vormt volgens klagers een schending van de kernwaarde integriteit en van de financiële zorgplicht van een advocaat.
5.12    Klagers wijzen er ten aanzien van klachtonderdeel d) op dat in het in het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 13 november 2024 is opgenomen dat het bedrag van € 500.000,- slechts als voorschot is toegewezen, vooruitlopend op een schadestaatprocedure. Desondanks heeft verweerder sub 1 het volledige bedrag geïncasseerd en overgeboekt naar de boedelrekening, zonder dat de schadestaatprocedure is opgestart of afgerond. Klager stelt dat hij hierin is genegeerd. Door het voorschot als definitieve betaling te behandelen en het beslag in stand te houden, handelt verweerder sub 1 in strijd met het vonnis en de beginselen van behoorlijke procesvoering. Hij heeft zijn positie als advocaat misbruikt door de derdengeldenrekening in te zetten voor een niet-gerechtvaardigde eindafrekening, aldus klagers.
5.13    Volgens verweerder sub 1 dienen ook deze klachten te worden afgewezen. Ten aanzien van klachtonderdeel b) heeft verweerder toegelicht dat er geen afspraak is gemaakt dat de betaling als zekerheid zou dienen, en waarom hij er evenmin op bedacht hoefde te zijn dat de betaling als zekerheidsstelling was bedoeld. Het feit dat het vonnis niet in kracht van gewijsde was gegaan, was irrelevant aangezien het vonnis uitvoerbaar bij voorraad was verklaard. Verweerder sub 1 wijst erop dat door (de advocaten van) klager geen enkel voorbehoud gemaakt was bij het doen van de betalingen. Het gerechtshof Amsterdam heeft in het arrest van 12 augustus 2025 bevestigd dat van zekerheidsstelling geen sprake was en dat evenmin sprake was van een afspraak om zekerheid te stellen.
5.14    Volgens verweerder sub 1 berust klachtonderdeel d) op een onjuiste interpretatie van het vonnis van de rechtbank. Verweerder sub 1 heeft wel degelijk gehandeld in overeenstemming met het vonnis van de rechtbank. Daarbij waren klagers veroordeeld tot betaling van het voorschotbedrag. Bovendien heeft de rechtbank geoordeeld dat het belang van de curator zwaarder woog dan dat van klagers, en het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
5.15    De raad overweegt als volgt.
5.16    De raad volgt verweerders in de stelling dat door klagers geen enkel voorbehoud is gemaakt bij het doen van de betalingen. Verweerder sub 1 heeft, mede aan de hand van overgelegde e-mails, voldoende toegelicht waarom hij heeft mogen aannemen dat het overmaken van de gelden bedoeld was als betaling van het voorschot, en niet als zekerheidsstelling. Dat van een zekerheidsstelling geen sprake was, is bevestigd in het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 12 augustus 2025. Dat verweerder sub 1 de gelden heeft beschouwd en verwerkt als een betaling en niet als een zekerheidsstelling, is daarom in geen enkel opzicht tuchtrechtelijk verwijtbaar. Dit leidt tot de conclusie dat ook de klachtonderdelen b) en d) ongegrond zijn.    
Klachtonderdeel c)
5.17    In dit klachtonderdeel verwijten klagers verweerder sub 1 dat hij, ondanks dat de betalingen waren verricht, executoriaal beslag liet rusten op al het onroerend goed van VPN. Na ontvangst van het volledige bedrag op de derdengeldenrekening, en ondanks herhaalde verzoeken van klager, heeft verweerder sub 1 volgens klagers bewust geweigerd zijn medewerking te verlenen aan de opheffing van het beslag. Hierdoor kon VPN geen  grondbezit meer verhandelen, hetgeen het bedrijfsmodel heeft verlamd en aanzienlijke schade heeft veroorzaakt. De weigering is disproportioneel en bedoeld als pressiemiddel. Daarmee heeft verweerder sub 1 volgens klagers misbruik van executiebevoegdheid gemaakt en gedragsregel 17, alsmede artikel 3:13 BW geschonden.
5.18    Verweerder sub 1 heeft toegelicht dat hij, gezien de stand van zaken, geen aanleiding zag de gelegde beslagen op te heffen. Klagers waren veroordeeld tot betaling van het volledige boedeltekort. Zijn afweging valt volgens verweerder sub 1 ruim binnen de beoordelingsruimte die de curator toekomt. De stelling van klager dat de curator geweigerd heeft om medewerking te verlenen aan opheffing van de beslagen is bovendien niet helemaal juist. Verweerder sub 1 heeft zich meerdere malen bereid verklaard om de beslagen op te heffen indien klager adequate vervangende zekerheid zou verstrekken voor het boedeltekort, tot betaling waarvan klagers immers veroordeeld waren. Het feit dat het gerechtshof Amsterdam uiteindelijk heeft geoordeeld dat verweerder sub 1 de gelegde beslagen diende op te heffen, wil niet zeggen dat het voordien handhaven ervan tuchtrechtelijk verwijtbaar is. Verweerder sub 1 had – gelet op de stellingname van klager dat slechts zekerheid was gesteld – als curator voldoende belang bij het handhaven van de beslagen. Gedragsregel 17 is volgens verweerder sub 1 niet van toepassing en ziet op de manier waarop een advocaat dient om te gaan met zijn cliënt bij het afspreken en incasseren van een honorarium.
5.19    De raad acht de verwijten in dit klachtonderdeel ongegrond. Dat verweerder sub 1 het vertrouwen in de advocatuur heeft geschonden, is niet gebleken. Uit het procesdossier blijkt dat de curator zich wel degelijk bereid heeft verklaard beslagen op te heffen als klagers adequate vervangende zekerheid zouden stellen. Daartoe bleken klagers echter niet bereid. Evenmin hebben klagers, zo heeft verweerder sub 1 toegelicht, op zijn verzoek destijds inzicht willen geven in de waarde van de percelen waarop het beslag was gelegd om te kunnen beoordelen of het beslag disproportioneel was. Pas achteraf hebben klagers bovendien met de curator gedeeld dat het perceel dat volgens hen verhandeld moest worden ter voorkoming van het verbeuren van een contractuele boete, een perceel betrof van 8 m2 met een waarde van ongeveer € 10.000. Dit klachtonderdeel is daarom ongegrond.   
Klachtonderdeel e)
5.20    Klager verwijt verweerders dat zij een onredelijke aanvullende voorwaarde stelden aan de opheffing van het beslag; van verweerder sub 1 kreeg klager te horen dat het beslag alleen opgeheven zou worden als nogmaals € 500.000,- werd betaald, bovenop het reeds gestorte voorschot. Die aanvullende voorwaarde had geen juridische grondslag en vormde slechts een pressiemiddel. Verweerder sub 1 overschreed hiermee zijn bevoegdheden als curator en advocaat en handelde in strijd met artikel 10a Advocatenwet, gedragsregel 17 en artikel 3:13 BW. Ter onderbouwing van dit klachtonderdeel verwijst klager naar de brief van 11 juni 2025 van verweerder sub 2 namens verweerder sub 1.
5.21    Verweerders stellen zich op het standpunt dat deze bewering onjuist is en geven aan dat klager ook niet onderbouwd heeft hoe en wanneer de curator deze extra betaling van € 500.000,- zou hebben geëist. Wel heeft de curator zich bereid verklaard om de beslagen op te heffen als adequate zekerheid zou worden gesteld voor het de betaling van boedeltekort overeenkomstig het vonnis van de rechtbank, welk boedeltekort destijds werd geraamd op circa € 390.000,-. 
5.22    Naar het oordeel van de raad ontbeert deze klacht feitelijke grondslag. Onder 2.19 is de brief van 11 juni 2025 van verweerder sub 2 geciteerd. In die brief leest de raad niet dat verweerder sub 1 gezegd zou hebben dat het bestaande beslag alleen opgeheven zou worden als nogmaals € 500.000,- werd betaald. In de brief staat dat de curator (verweerder sub 1) zich bereid verklaart de beslagen op te heffen als adequate zekerheid wordt gesteld voor het boedeltekort, dat destijds werd geraamd op circa € 390.000,-. Dat verweerder sub 1 gezegd zou hebben dat het bestaande beslag alleen opgeheven zou worden als nogmaals € 500.000,- werd betaald, is niet komen vast te staan. Dit klachtonderdeel wordt daarom ongegrond verklaard.  
Klachtonderdeel g)
5.23    Ter ondersteuning van dit klachtonderdeel hebben klagers het volgende aangevoerd. Eind juni 2025 is ter zitting door het hof vastgesteld dat het resterende boedeltekort in het faillissement € 290.000,- bedraagt. Desalniettemin is binnen 24 uur na deze zitting door de curator opnieuw executoriaal beslag gelegd, ditmaal voor € 390.000 en dus € 100.000 meer dan het door het hof vastgestelde boedeltekort. Dit vormt volgens klagers een ernstige schending van het beginsel van zorgvuldige executie. De beslaglegging was niet gebaseerd op enige gerechtelijke titel, disproportioneel en uitgevoerd zonder toelichting, aankondiging of herziening van de gestelde waarde.
5.24    Ook dit klachtonderdeel slaagt niet. Verweerders hebben voldoende gemotiveerd toegelicht dat de curator wel degelijk over een titel beschikte voor het leggen van aanvullend beslag en dat dit evenmin onverhoeds heeft plaatsgevonden. Verweerder hebben toegelicht dat ter zitting van het gerechtshof een discussie was ontstaan over de formulering van het beslagexploot waarbij de vraag opkwam of het beslagexploot ook de veroordeling tot betaling van het boedeltekort dekte, waar de curator wel van uit was gegaan. Zoals ter zitting al door één raadsheer werd voorspeld, heeft de curator na de twijfel die ter zitting was ontstaan, andermaal beslag gelegd om in het belang van de schuldeisers iedere onzekerheid hierover te voorkomen. De curator beschikte immers over een executoriale titel tot betaling van het boedeltekort in de vorm van een vonnis. Het boedeltekort wordt door de curator redelijk nauwkeurig – een verificatievergadering heeft al plaatsgevonden - geraamd op € 390.000, waarvan € 100.000 ziet op - aangezien de werkzaamheden van de curator nog altijd niet zijn voltooid: deels nog te maken - faillissementskosten. Niet valt in te zien hoe de gedragingen van verweerder sub 1 het vertrouwen in de advocatuur hebben geschaad. Dit klachtonderdeel wordt daarom ongegrond verklaard.  
Klachtonderdeel f)
5.25    Klagers hebben erop gewezen dat verweerder sub 1 ten tijde van de verweten gedragingen ook deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Noord-Holland was. De deken is belast met toezicht en bescherming van kernwaarden van de advocatuur. Het negeren van een schadestaatprocedure, misbruik van de derdengeldenrekening, het in stand houden van beslag na betaling en het eisen van een tweede betaling zonder rechtsgrond, zijn volgens klagers onverenigbaar met de dekenfunctie. Door zich hieraan schuldig te maken heeft verweerder sub 1 volgens klagers het vertrouwen in de advocatuur geschonden.
5.26    Ook dit klachtonderdeel faalt naar het oordeel van de raad. Alle klachtonderdelen die hiervoor zijn beoordeeld, zijn ongegrond verklaard. Ook overigens is de raad niet gebleken van enige ondermijning van de tuchtrechtelijke structuur. Ook klachtonderdeel f) wordt daarom ongegrond verklaard. 

BESLISSING
De raad van discipline:
-    verklaart de klacht ongegrond. 

Aldus beslist door mr. K.M. van Hassel, voorzitter, mrs. D.V.A. Brouwer en J. Schulp, leden, bijgestaan door mr. K.J. Verschueren als griffier en uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2026.


Griffier    Voorzitter

Verzonden op: 31 augustus 2026