ECLI:NL:TADRAMS:2026:195 Raad van Discipline Amsterdam 26-171/A/NH
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2026:195 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 31-08-2026 |
| Datum publicatie: | 11-09-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-171/A/NH |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Raadsbeslissing. Klaagster klaagt voor zichzelf en voor haar kinderen over de kwaliteit van de dienstverlening van verweerster. De kinderen zijn meerderjarig, zodat klaagster geen wettelijk vertegenwoordiger meer is van de kinderen. In zoverre is klaagster niet-ontvankelijk. De raad oordeelt dat het recht van klaagster om te klagen deels is vervallen. De klachten waarin klaagster wel ontvankelijk is, worden ongegrond verklaard. Op een advocaat rust een inspanningsverplichting, geen resultaatverplichting. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 31 augustus 2026
in de zaak 26-171/A/NH
naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
over
verweerster
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 17 januari 2025 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten
in het arrondissement Noord-Holland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.
1.2 Op 3 maart 2026 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk re/ss/25-029/2443451
van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 22 juni 2026. Daarbij
waren aanwezig klaagster met haar kinderen Q. en C. M., verweerster en mr. M. G.,
juridisch medewerkster op het kantoor van verweerster. Klaagster en verweerster hebben
spreekaantekeningen voorgedragen, de kinderen hebben een verklaring voorgelezen en
klaagster en verweerster hebben vragen van de raad beantwoord. Van de behandeling
is proces-verbaal opgemaakt.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier, van de
op de inventarislijst genoemde bijlagen A1 tot en met A6, bijlagen B8 en B9 en de
op 10 juni 2026 nagezonden verklaring met bijlagen en de verklaringen van de kinderen
van de zijde van klaagster.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier
en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Klaagster is getrouwd geweest met M. (hierna: de ex-partner). Uit hun huwelijk
zijn geboren de zoon Q. (hierna: de zoon), geboren op 18 maart 2006, en de dochter
C. (hierna: de dochter), geboren op 19 februari 2007. Gezamenlijk zullen zij hierna
de kinderen worden genoemd. De ex-partner heeft de kinderen erkend.
2.3 Tussen klaagster en de ex-partner zijn vanaf 2007 meerdere procedures gevoerd
bij de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, over onder meer een omgangsregeling,
partner- en kinderalimentatie. Tot medio augustus 2014 is klaagster bijgestaan door
mr. V, advocaat.
2.4 Bij tussenbeschikking van 5 februari 2014 heeft de rechtbank Noord-Holland,
locatie Haarlem, in een procedure tussen de ex-partner en klaagster de eerder tussen
hen overeengekomen kinderalimentatie verlaagd. Een beslissing over de omgangsregeling
heeft de rechtbank aangehouden. Op de laatste pagina van die tussenbeschikking staat
vermeld dat daartegen hoger beroep kan worden ingesteld, voor zover er definitief
is beslist. In deze procedure werd klaagster bijgestaan door mr. V.
2.5 Begin 2015 heeft klaagster zich gewend tot mr. M, kantoorgenoot van verweerster.
Verweerster heeft klaagster bijgestaan tijdens de voortzetting van de mondelinge behandeling
op 8 april 2015 in de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, in de hierboven onder
2.4. genoemde voortgezette procedure. In het proces-verbaal van die mondelinge behandeling
staat dat de rechter tijdens de mondelinge behandeling heeft gezegd: ‘Over de alimentatie
is definitief beslist; dus daarover gaan we het niet hebben.’.
2.6 Bij eindbeschikking van 29 april 2015 heeft de rechtbank Noord-Holland, locatie
Haarlem, in de hierboven genoemde procedure de omgangsregeling vastgesteld, zoals
door klaagster en de ex-partner ter zitting van 8 april 2015 overeengekomen.
2.7 Omstreeks februari 2017 heeft klaagster zich opnieuw tot verweerster gewend
met het verzoek een procedure te starten tegen de ex-partner, omdat hij de omgangsregeling
niet nakwam en de kinderalimentatie aangepast diende te worden.
2.8 Op 6 april 2017 heeft klaagster een e-mail gestuurd aan verweerster. Daarin
geeft klaagster een reactie op een door verweerster opgesteld concept verzoekschrift.
2.9 Verweerster heeft meerdere concept-verzoekschriften aan klaagster gestuurd.
Klaagster heeft daar telkens op gereageerd, maar nimmer akkoord gegeven aan verweerster
om één van de concepten bij de rechtbank in te dienen.
2.10 Bij brief van 22 december 2023 heeft verweerster aan de ex-partner geschreven
dat hij nog een bedrag van € 9.452,88 aan klaagster aan kinderalimentatie dient te
betalen. De ex-partner is in die brief verzocht om tot betaling over te gaan en tevens
om informatie te verstrekken, zodat de kinderalimentatie opnieuw kan worden berekend
bij gebreke waarvan een procedure is aangekondigd.
2.11 Omstreeks januari/februari 2024 heeft verweerster een concept-verzoekschrift
aan klaagster voorgelegd. Klaagster heeft op 5 februari 2024 een reactie gestuurd.
2.12 Bij email van 8 februari 2024 heeft verweerster aan klaagster een opdrachtbevestiging
gestuurd, die klaagster van commentaar heeft voorzien en zo op 9 februari 2024 heeft
getekend.
2.13 Bij e-mail van 22 februari 2024 heeft verweerster aan klaagster geschreven
dat, voor zover van belang, zij conform het kantoorbeleid om geen originele stukken
te bewaren niet beschikt over het origineel van een door klaagster en de ex-partner
getekende vaststellingsovereenkomst, maar wel over een kopie daarvan.
2.14 Bij e-mail van 28 februari 2024 heeft klaagster klachten geuit over de wijze
waarop verweerster haar de voorgaande jaren heeft bijgestaan. Verder stelt klaagster
dat tijdens haar laatste bezoek aan het kantoor van verweerster een collega van verweerster
de officiële vaststellingsovereenkomst aan haar heeft laten zien.
2.15 Verweerster heeft op 28 februari 2024 voor klaagster een toevoeging aangevraagd
bij de Raad voor de Rechtsbijstand (hierna: RvR). Bij brief van 4 maart 2024 heeft
de RvR aan klaagster bericht dat positief is beslist op die aanvraag.
2.16 Op 17 januari 2025 heeft klaagster mede namens haar kinderen bij de deken
een klacht ingediend over verweerster.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt
verweerster dat zij:
a) niks voor klaagster heeft gedaan;
b) de ex-partner heeft geholpen met frauderen;
c) de kinderen van klaagster emotioneel heeft mishandeld;
d) de kinderen van klaagster het recht heeft ontzegd om hun vader – de ex-partner
van klaagster – te houden aan zijn zelf verzochte omgangsregeling inclusief dwangsommen;
e) persoonlijke documenten van klaagster heeft achtergehouden;
f) heeft gelogen en bedrogen.
4 VERWEER
4.1 Verweerster heeft tegen de klachten verweer gevoerd. De raad zal hierna,
waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
Ontvankelijkheid klaagster als wettelijk vertegenwoordiger van de kinderen
5.1 Klaagster heeft de klacht voor zichzelf en voor de kinderen ingediend.
5.2 Op het moment dat klaagster de klacht indiende was de zoon meerderjarig en
de dochter nog minderjarig. De dochter is een maand en twee dagen nadat de klacht
is ingediend meerderjarig geworden.
5.3 Nu de kinderen meerderjarig zijn, is klaagster geen wettelijke vertegenwoordiger
meer van de kinderen. Klaagster heeft geen machtiging overgelegd waaruit volgt dat
zij is gemachtigd om deze procedure namens de kinderen te voeren. Klaagster is in
zoverre niet-ontvankelijk.
5.4 Daarbij wordt overwogen dat als de kinderen klaagster wel (formeel) hadden
gemachtigd, zij zelf niet-ontvankelijk waren verklaard. Een klagende partij moet een
rechtstreeks eigen belang hebben. Hoewel het voor de kinderen anders zal voelen, geldt
voor de kinderalimentatie dat de kinderen een afgeleid belang hebben. In de periode
waarop de klacht ziet, waren de kinderen minderjarig. Alimentatie voor minderjarige
kinderen is een bijdrage in geld aan de andere ouder voor de verzorging en opvoeding.
De ex-partner diende de alimentatie dus aan klaagster te betalen en alleen klaagster
heeft daarom een rechtstreeks belang bij een klacht tegen verweerster over de wijze
waarop verweerster de alimentatiekwestie heeft aangepakt. Ten aanzien van de andere
klachtonderdelen geldt dat de kinderen een (afgeleid) belang hebben bij een zo geruisloos
mogelijk verloop van de juridische procedure tussen de ouders over de zorg van de
kinderen betreft een algemeen geformuleerd belang dat geldt voor betrokken kinderen
in dergelijke procedures. Het concrete, rechtstreekse eigen belang van de kinderen
bij de tuchtklacht over het handelen van verweerster in dit verband is onvoldoende
zichtbaar. Ook om deze reden is klaagster niet-ontvankelijk als wettelijk vertegenwoordiger
van de kinderen.
Is het recht van klaagster om te klagen deels vervallen?
5.5 Op grond van artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet geldt voor het indienen
van een klacht een vervaltermijn van drie jaar. Deze termijn start op het moment dat
de klager kennis heeft genomen of redelijkerwijs kennis heeft kunnen nemen van het
handelen of nalaten van de advocaat waarop de klacht betrekking heeft. Het gaat dan
om naar objectieve maatstaven aan te nemen aanwezige kennis bij de klager van het
handelen of nalaten van de advocaat waarop de klacht betrekking heeft en niet om subjectieve
wetenschap van dat handelen of nalaten bij de klager.
5.6 Op grond van het bepaalde in artikel 46g lid 2 Advocatenwet blijft na afloop
van de vervaltermijn van drie jaar een niet-ontvankelijkverklaring achterwege indien
de gevolgen van het handelen of nalaten redelijkerwijs pas nadien (dus na die drie
jaar) bekend zijn geworden. In dat geval verloopt de termijn voor het indienen van
een klacht één jaar na de datum waarop de gevolgen redelijkerwijs als bekend geworden
zijn aan te merken.
5.7 De ratio van artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet is dat de rechtszekerheid
meebrengt dat een advocaat niet tot in lengte van dagen bedacht hoeft te zijn op tuchtklachten
over gedragingen in het verleden. Op deze regel bevat lid 2 van dat artikel een uitzondering
voor het geval de gevolgen van het handelen of nalaten van de advocaat pas later -
na afloop van de vervaltermijn van drie jaar - bekend zijn geworden. Alleen onder
(zeer) bijzondere omstandigheden kan een overschrijding van deze termijn verschoonbaar
zijn (vgl. Hof van Discipline van 7 december 2020, ECLI:NL:TAHVD:2020:256).
5.8 De klacht is ingediend op 17 januari 2025. De raad stelt vast dat de klacht
betrekking heeft op gedragingen van verweerster vanaf (ongeveer) april 2015 tot en
met (ongeveer) februari 2024. Voor zover geklaagd wordt over verweersters bijstand
voor 17 januari 2022 geldt dat die bijstand langer dan drie jaar voor indiening van
de klacht heeft plaatsgevonden. Daarmee is de klacht over verweersters bijstand in
die periode gelet op artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet te laat ingediend. Redenen
voor toepassing van de uitzonderings- of verlengingsgrond van artikel 46g lid 2 Advocatenwet
zijn niet gesteld of gebleken.
5.9 Dit betekent dat de klachten, voor zover die betrekking hebben op verweersters
bijstand voor 17 januari 2022, op grond van artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet
niet-ontvankelijk zijn.
Klachtonderdeel a) verweerster heeft niks voor klaagster gedaan
5.10 Klaagster stelt dat zij alle bewijzen bij verweerster heeft neergelegd en
verweerster meerdere keren heeft gevraagd om actie te ondernemen. Klaagster heeft
zich in 2014/2015 tot verweerster gewend en pas in 2023 is een eerste brief aan de
ex-partner gestuurd. Er is nog een andere brief, maar die is door haar collega G.
geschreven en op naam van verweerster gesteld. Hetzelfde geldt voor de verweerschriften.
Er zijn verweerschriften opgesteld, maar die werden niet goed opgebouwd door verweerster
en veel informatie miste. Verweerster beloofde van alles, maar telkens gaf ze ander
werk voorrang. Verweerster heeft geen actie ondernomen om te zorgen dat de nieuwe
partner van de ex-partner zich er niet mee mocht bemoeien. Verweerster heeft nagelaten
om IB-aangiftes bij de ex-partner en zijn nieuwe partner op te vragen. Zonder de juiste
gegevens kunnen geen goede alimentatieberekeningen worden gemaakt. Een goede advocaat
had volledige openheid afgedwongen, aldus klaagster.
5.11 Verweerster voert aan dat zij in de periode juni 2023 tot en met februari
2024 80 uur heeft gewerkt in het dossier van klaagster. Er zijn voor verweerster geen
procedures gestart, omdat geen overeenstemming is bereikt over de geschillen die aan
de rechtbank moesten worden voorgelegd. Verweerster heeft meerdere concept-verzoekschriften
aan klaagster voorgelegd, maar voor klaagster was het nooit goed.
Bespreking
5.12 Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat,
althans zo begrijpt de raad de klacht van klaagster. Er is sprake van tuchtrechtelijk
verwijtbaar handelen als de kwaliteit van de dienstverlening door de advocaat duidelijk
onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de
vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt
de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de
zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd
door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene
professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk
bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht. Deze toets geldt
omdat er binnen de beroepsgroep wat betreft de vaktechnische kwaliteit geen sprake
is van breed gedragen, schriftelijk vastgelegde professionele standaarden.
5.13 Voordat de klacht inhoudelijk wordt beoordeeld, wenst de raad twee zaken
op te merken. Klaagster is haar spreekaantekeningen geëindigd met het verzoek haar
klacht gegrond te verklaren en te bepalen dat de door klaagster gestelde schade op
verweerster en mr. M. verhaald kan worden. Dat laatste is niet mogelijk in deze procedure.
Zoals tijdens de zitting door de raad benadrukt, kan in deze procedure geen schadevergoeding
worden toegewezen. En voorts geldt dat klaagster verweerster verwijt dat zij veel
alimentatie is misgelopen, omdat verweerster geen hoger beroep heeft ingesteld tegen
de beschikking van 5 februari 2014. In die beschikking heeft de rechtbank Noord-Holland,
locatie Haarlem, de eerder tussen klaagster en de ex-partner overeenkomen kinderalimentatie
verlaagd en de beslissing over de omgang aangehouden. Tegen die beschikking heeft
de rechtbank tussentijds hoger beroep opengesteld. Dit betekent dat de hoger beroepstermijn
van drie maanden direct na het wijzen van die beschikking is gaan lopen. Klaagster
stelt zelf dat zij zich begin 2015 heeft gewend tot mr. M., kantoorgenoot van verweerster,
en vervolgens door verweerster is bijgestaan. Begin 2015 was de hoger beroepstermijn
al geruime tijd verstreken. Dit betekent dat de beslissing over de verlaging van de
kinderalimentatie in de deelbeschikking definitief was geworden en niet meer in hoger
beroep kon worden aangevochten toen klaagster zich voor het eerst tot (het kantoor
van) verweerster wendde. Klaagster verwijt verweerster dan ook ten onrechte dat zij
geen hoger beroep heeft ingesteld tegen de beschikking van 5 februari 2014.
5.14 Dat verweerster niks voor klaagster heeft gedaan, volgt niet uit de eigen
stellingen van klaagster. Zij stelt immers zelf dat verweerster haar meerdere keren
een verzoekschrift heeft voorgelegd, dat steeds door klaagster werd afgekeurd en/of
aangevuld. Ook uit een door verweerster in het geding gebracht urenoverzicht, welk
overzicht door klaagster niet is betwist, volgt dat verweerster van juni 2023 tot
en met februari 2024 80 uur aan werkzaamheden heeft verricht voor klaagster.
5.15 Voor zover de klacht van klaagster zo moet worden begrepen dat verweerster
niks voor haar heeft betekend, geldt het volgende. Op een advocaat rust een inspanningsverplichting,
geen resultaatverplichting. Als het resultaat van de werkzaamheden van verweerster
bij klaagster niet tot het gewenste resultaat heeft geleid, leidt dat niet tot de
conclusie dat verweerster dus tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Dat klaagster
niet tevreden was met de door verweerster aan haar voorgelegd verzoekschriften, maakt
niet dat de kwaliteit van de door verweerster geleverde werk in tuchtrechtelijke zin
duidelijk ondermaats was. Klaagster was het kennelijk niet eens met de inhoud van
de concept verzoekschriften, maar zij heeft geen begin van een onderbouwing gegeven
waaruit zou kunnen volgen dat de dienstverlening van verweerster van onvoldoende kwaliteit
is geweest.
5.16 De conclusie is dat klachtonderdeel a ongegrond wordt verklaard.
Klachtonderdelen b tot en met f
5.17 Deze klachtonderdelen lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
5.18 De raad overweegt dat het aan de klager is om een tuchtklacht voldoende
feitelijk en concreet te omschrijven en met bewijs te onderbouwen, zodat de tuchtrechter
de feiten die de klager aan de klacht ten grondslag legt, kan vaststellen en beoordelen.
Klaagster heeft veel stukken in het geding gebracht, maar die stukken vormen geen
onderbouwing van de verwijten die klaagster aan verweerster maakt. Tegenover het verweer
van verweerster heeft klager de klachtonderdelen b tot en met f onvoldoende onderbouwd,
terwijl in de overgelegde stukken ook geen aanknopingspunten kunnen worden gevonden
voor de juistheid van klagers verwijten. Omdat de feitelijke grondslag ontbreekt,
zijn de klachtonderdelen ongegrond.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart klaagster niet-ontvankelijk voor zover zij de klachten als wettelijke
vertegenwoordiger van de (meerderjarige) kinderen heeft ingediend;
- verklaart de klacht in alle onderdelen, voor zover deze zien op gedragingen van
voor 17 januari 2022, niet-ontvankelijk;
- verklaart de klacht voor het overige ongegrond.
Aldus beslist door mr. M.V. Ulrici, voorzitter, mr. K.C. van Hoogmoed en mr. M. Kemmers, leden, bijgestaan door mr. M.F. van Grootheest, griffier, en uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2026.
griffier voorzitter
Verzonden op 31 augustus 2026