ECLI:NL:TADRAMS:2026:194 Raad van Discipline Amsterdam 26-160/A/A
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2026:194 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 31-08-2026 |
| Datum publicatie: | 11-09-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-160/A/A |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Raadsbeslissing. Klaagster vindt dat verweerder niets voor haar heeft gedaan, hij haar nergens over heeft geïnformeerd, haar onheus heeft bejegend en onaangekondigd aan haar huis stond. De raad oordeelt dat het klachtonderdeel met betrekking tot de informatieplicht gedeeltelijk gegrond. Het klachtonderdeel met betrekking tot het onaangekondigde bezoek aan huis is gegrond omdat verweerder de gedraging erkent. De overige klachtonderdelen zijn ongegrond. De raad oordeelt dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld en legt daarvoor de maatregel waarschuwing op. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 31 augustus 2026
in de zaak 26-160/A/A
naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
gemachtigde: mr. H.C. Egger-van Oppen
over
verweerder
gemachtigde: mr. M.A.C. de Bruijn
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 3 april 2025 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in
het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 2 maart 2026 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2484787/ER/AS
van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 22 juni 2026. Daarbij
waren klaagster met haar gemachtigde en zoon, alsmede verweerder met zijn gemachtigde
aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van
de op de inventarislijst genoemde bijlagen 00 tot en met 04. Ook heeft de raad kennisgenomen
van de namens klaagster op 12 maart 2026 nagezonden stukken.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier
en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Op 23 januari 2024 heeft klaagster een beslissing gehad van de Uitvoeringsorganisatie
Herstel Toeslagen (hierna: UHT). Op 5 maart 2024 heeft mr. E namens klaagster een
bezwaarschrift ingediend tegen deze beslissing, waar uiterlijk op 9 juli 2024 een
beslissing over moest worden genomen.
2.3 Eind februari, begin maart 2024 heeft klaagster besloten over te stappen
naar een nieuwe advocaat. Een medewerker van het Sociaal Wijkteam, mevrouw J, heeft
op 11 maart 2024 contact opgenomen met verweerder met de vraag of hij het dossier
van klaagster kon overnemen. Op 11 maart 2024 heeft mevrouw J namens klaagster een
bericht gestuurd aan verweerder waarin zij hem bedankte dat hij de zaak van klaagster
wilde oppakken en dat klaagster akkoord ging met een intakegesprek. Op 18 maart 2024
heeft mr. E het dossier van klaagster gesloten.
2.4 Omstreeks 15 januari 2025 heeft een gesprek plaatsgevonden met klaagster
op het kantoor van verweerder. Na dit gesprek is er WhatsApp-contact geweest tussen
klaagster en verweerder over bepaalde stukken.
2.5 Op 25 februari 2025 heeft de UHT een schikkingsvoorstel gestuurd aan de vorige
advocaat van klaagster, mr. E. Mr. E heeft het schikkingsvoorstel op diezelfde dag
doorgestuurd aan klaagster.
2.6 Begint maart 2025 heeft klaagster telefonisch contact opgenomen met het kantoor
van verweerder om te informeren naar de stand van zaken.
2.7 Bij e-mail van 4 maart 2025 heeft de secretaresse van verweerder aan klaagster
het volgende bericht:
“Geachte [klaagster],
Naar aanleiding van uw telefoongesprek met ons secretariaat, heb ik geprobeerd u
te bellen, maar u was niet in de gelegenheid de telefoon te beantwoorden. Het bezwaar
en de ingebrekestelling heb ik ontvangen van u. Verder is er geen nieuws te melden.
Mocht u nog vragen hebben, dan kunt u mij rechtstreeks bellen op (…).
Met vriendelijke groet,”
2.8 Bij e-mail van 28 maart 2025 heeft klaagster aan de secretaresse van verweerder
het volgende bericht:
“Geachte mevrouw van D(…),
Even het volgende; kunt u mij vertellen, of er een Beroep niet tijdig is ingediend
bij de rechtbank en als daar stukken van zijn?
In afwachting van uw berichten
Met vriendelijke groet,
[klaagster]”
2.9 Bij e-mail van 1 april 2025 om 15.11 uur heeft de secretaresse van verweerder
gereageerd op het bericht van klaagster:
“Geachte [klaagster],
Het spijt me, maar ik heb geen idee wat u bedoelt met een “beroep niet tijdig”.
Heeft u het wellicht over een ingebrekestelling?
Met vriendelijke groet (…) ”
2.10 Daarop heeft klaagster bij e-mail van 1 april 2025 om 15.55 uur het volgende
gestuurd:
“Geachte mevrouw van D(…),
Allereerst dank voor uw bericht. Echter vind ik dit enorm vermoeiend worden want
er wordt nu van mij verwacht dat nu moet uitleggen wat de gang van zaken is. Ik heb
een advocaat die betaald wordt door het Rijk om mij in de toeslagenaffaire te helpen
en dingen uit te zoeken. Echter ervaar ik, dat ik steeds zelf achter zaken moet rennen.
Ik ben geen jurist.
Hieronder een bericht van mijn vorige advocate [mr. E] (dit is een citaat van haar
mail en ga ervanuit dat u uit deze e-mail kunt opmaken waar mijn vraag overgaat.
(…)
Hallo [klaagster],
Ik heb inderdaad namens jou bezwaar ingediend op 5 maart 2024 tegen een beschikking
van 23 januari 2024. Op 18 maart 2024 is het dossier gesloten omdat je naar een andere
advocaat ging. Ik heb geen beroep wegens niet tijdig beslissen ingediend. Dat kon
ook niet, want de UHT had een beslissing moeten nemen op 9 juli 2024. Vanaf dat moment
kon je een ingebrekestelling indienen en vervolgens een beroep wegens niet tijdig
beslissen. Ik was toen (al lang) jouw advocaat niet meer.
Vriendelijke groet, (…)”
2.11 Bij e-mail van 1 april 2025 om 16.03 uur heeft de secretaresse van verweerder
als volgt gereageerd:
“Geachte [klaagster],
U vraagt om “een beroep niet tijdig”. Hoewel ik een universitaire opleiding heb
gehad, is dat een term die ik niet ken en die op niet bestaat. Ik heb u alleen om
verduidelijking gevraagd. Verder ben ik in het geheel niet bekend met de inhoud van
uw zaak, behalve dan de afhandeling van de vaststellingsovereenkomst.
Ik zal uw boodschap doorgeven aan [verweerder], meer kan ik helaas niet voor u doen.
Met vriendelijke groet (…)”
2.12 Daarop heeft klaagster bij e-mail van 1 april 2025 als volgt gereageerd:
“Geachte mevrouw van D(…),
Goed te horen dat u een universitaire opleiding rechten heeft genoten en ben van
mening dat deze mededeling niet in bericht van toepassing is maar nogmaals dank voor
deze informatie. Echter heb ik deze term niet verzonnen. Het gaat hierom een term
die mijn vorige advocate heeft gebruikt ook binnen diverse instanties, met name de
Belastingdienst. Daarnaast snap ik dat u mij alleen maar om verduidelijking hebt gevraagd
welke ik niet kan geven omdat ik geen Juriste ben.
Verder stel ik het op prijs dat u zich bezig houdt met de afhandeling van mijn “vaststellingsovereenkomst”
dank daarvoor.
In afwachting van de berichten van [verweerder].
Met vriendelijke groet (…)”
2.13 Op 2 april 2025 heeft klaagster per e-mail de opdracht aan verweerder beëindigd.
Op 3 april 2025 heeft klaagster over verweerder een klacht bij de deken ingediend.
2.14 Op 3 april 2025 is verweerder naar de woning van klaagster gegaan, waarbij
hij klaagster meerdere keren heeft geprobeerd te bellen.
2.15 Op 7 april 2025 heeft de vorige advocaat (mr. E) aan klaagster bericht dat
zij nog steeds post ontvangt van de UHT en aan klaagster gevraagd of verweerder aan
het UHT kan laten weten dat hij haar bijstaat.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt
verweerder het volgende:
a) dat hij nalatig is geweest in de belangenbehartiging van klaagster door ruim
een jaar lang niets te doen in haar dossier en haar ook niet te informeren;
b) dat hij zich niet heeft gemeld als opvolgend advocaat bij de UHT;
c) dat hij een onaangekondigd bezoek aan huis heeft gebracht, wat klaagster als
intimiderend ervaarde;
d) dat hij ongepaste opmerkingen heeft gemaakt, waaronder klaagster “wijfie”
noemen en opmerkingen maken over haar uiterlijk.
3.2 Klaagster legt aan de klacht het volgende ten grondslag.
3.3 Op of omstreeks 11 maart 2024 is verweerder benaderd of hij het toeslagendossier
van klaagster wilde oppakken. Hij verklaarde zich akkoord, waarna het dossier aan
hem is overgedragen. Klaagster heeft pas in januari 2025 – ruim een jaar na aanvaarding
van de opdracht – voor het eerst contact met verweerder gehad. In de tussenliggende
periode is er niets gebeurd in de zaak van klaagster. Al die tijd verkeerde zij in
onzekerheid over haar dossier.
3.4 Onderdeel van het dossier van klaagster was de ontvangstbevestiging van de
belastingdienst van de ingebrekestelling d.d. 28 november 2023 en het door de vorige
advocaat (mr. E) op 5 maart 2024 ingediende bezwaarschrift tegen de beslissing d.d.
23 januari 2024 van de belastingdienst, die op de ingebrekestelling van 28 november
2023 was gevolgd. Op dit bezwaarschrift diende de UHT te beslissen vóór 9 juli 2024.
Er is geen beslissing gevolgd. Verweerder had na 9 juli 2024 meteen een ingebrekestelling
moeten indienen en vervolgens een beroep wegens niet tijdig beslissen moeten starten.
Dat heeft hij niet gedaan. Had hij dat wel gedaan, dan waren er dwangsommen gaan lopen
tot een maximum van € 15.000,-- te betalen door de UHT aan klaagster. Door de nalatigheid
van verweerder is klaagster deze dwangsommen misgelopen.
3.5 De vorige advocaat van klaagster kreeg in februari 2025 een vaststellingsovereenkomst
toegestuurd van de UHT. Op dat moment had verweerder zich blijkbaar nog steeds niet
bij de UHT gemeld als opvolgend advocaat.
3.6 Klaagster wilde advies over de vaststellingsovereenkomst, die zij doorgestuurd
had gekregen van haar vorige advocaat, maar dat kreeg zij niet van verweerder. Om
die reden heeft klaagster de opdrachtovereenkomst met verweerder op 2 april 2025 opgezegd.
Vervolgens stond verweerder op 3 april 2025 onverwacht bij klaagster op de stoep.
Hij heeft haar geprobeerd te bellen en is 10 minuten lang voor de deur blijven staan.
Klaagster voelde zich hierdoor enorm geïntimideerd.
3.7 Naar aanleiding van het (na te melden) verweer heeft klaagster nog gesteld
dat verweerder kennelijk de inhoud en omvang van de opdracht van klaagster bestrijdt.
Het verbaast klaagster dan ook dat verweerder geen opdrachtbevestiging of toevoeging
heeft gestuurd. Klaagster was in ieder geval in de veronderstelling dat verweerder
het dossier overnam van de vorige advocaat en dat dus de inhoud van de opdracht minimaal
hetzelfde zou zijn als de opdracht aan de vorige advocaat. De opdracht aan verweerder
was echter ruimer, omdat er vragen waren over het door de bewindvoerder van klaagster
gevoerde bewind in relatie tot de van de belastingdienst ontvangen schadevergoeding.
Dat was de reden voor klaagster om een andere toeslagenadvocaat in te schakelen, namelijk
een die zowel toeslagenzaken als bewindszaken deed.
3.8 Verweerder voert aan dat hij door klaagster was ingeschakeld om te ondersteunen
bij schikkingsonderhandelingen. In de beleving van klaagster was de opdracht ruimer
en ging het in ieder geval over de gehele toeslagenaffaire en het bewind in relatie
tot de schadevergoeding. Dat blijkt ook uit het feit dat toen verweerder het dossier
overnam er nog helemaal geen vaststellingsovereenkomst in beeld was. Dat is pas veel
later aan de orde gekomen.
3.9 Doordat klaagster geen voorlichting heeft gekregen van verweerder over de
ingebrekestelling en de eventueel bijkomende kosten daarvan, heeft zij nooit een onderbouwde
keuze kunnen maken voor het wel of niet starten van een ingebrekestellingsprocedure.
4 VERWEER
4.1 Verweerder heeft tegen de klachten de volgende verweren gevoerd.
4.2 Verweerder voert aan dat zijn secretaresse contact heeft onderhouden met
de relevante instanties, zoals de UHT. Bij de UHT bestaat, zoals bekend, een forse
vertraging in de afhandeling van zaken. Dat in het geheel geen actie is ondernomen,
betwist verweerder. Buiten het indienen van een ingebrekestelling waren er geen acties
te ondernemen. Verweerder erkent dat namens klaagster geen ingebrekestelling is verzonden
aan de UHT.
4.3 Het versturen van een ingebrekestelling valt echter buiten de werkzaamheden
van de gefinancierde rechtsbijstand. Dat is door de RvR bevestigd. Voor een beroep
niet tijdig beslissen moet volgens verweerder een reguliere toevoeging worden aangevraagd.
Dit valt niet onder de kosteloze subsidieregeling.
4.4 Verweerder begreep dat klaagster gebruik wilde maken van kosteloze rechtsbijstand
en zij geen extra kosten wilde maken. Klaagster was op de hoogte van de mogelijkheid
van en wijze waarop een ingebrekestelling kan worden ingediend. Dat blijkt uit de
ontvangstbevestigingsbrief van 23 november 2023 naar aanleiding van haar verzonden
ingebrekestelling. Pas na ontvangst van het schikkingsvoorstel heeft klaagster voor
het eerst kenbaar gemaakt dat zij nadere informatie had gewenst en een ingebrekestelling,
maar daarvoor is geen verzoek gekomen.
4.5 De gevolgen van het wel of niet sturen van een ingebrekestelling zijn volgens
verweerder niet in te schatten. De verzekeraar van verweerder heeft aangegeven dat
de ‘misgelopen’ dwangsom niet als schade te kwalificeren is. Niet kan worden vastgesteld
of een ingebrekestelling tot een andere uitkomst zou hebben geleid. Het behoort immers
tot de mogelijkheden dat er door het indienen van een ingebrekestelling nooit een
vaststellingsovereenkomst zou zijn gekomen, maar een besluit dat minder voordelig
was voor klaagster.
4.6 Verweerder betwist dat hij klaagster niet heeft geïnformeerd over haar dossier
of dat er geen contact zou zijn geweest. Verweerder heeft een driegesprek gehad met
zowel klaagster als mevrouw J. Toen is besproken dat klaagster alleen juridische bijstand
wilde bij de schikking. Verweerder heeft klaagster voorafgaand aan het schikkingsvoorstel
in januari 2025 op kantoor gesproken. In dit gesprek is de ingebrekestelling niet
aan de orde geweest. Verweerder zou klaagster slechts bijstaan bij het schikkingsvoorstel
en die werkzaamheden zouden pas aanvangen nadat het schikkingsvoorstel was ontvangen.
4.7 Verweerder erkent dat hij de woning van klaagster onaangekondigd heeft bezocht.
Verweerder meende dat hij goed contact had klaagster.
4.8 Verweerder herkent zich niet in ongepast gedrag.
5 BEOORDELING
5.1 De klacht gaat voor wat betreft klachtonderdelen a) en b) over de kwaliteit
van de dienstverlening van de advocaat. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar
handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt
bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop
hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een
advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid
is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de
advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat
te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot
mag worden verwacht.
5.2 Die professionele standaard veronderstelt een handelen met de zorgvuldigheid
die van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden
mag worden verwacht. Bovendien is de advocaat gehouden de aan hem toevertrouwde belangen
met de nodige voortvarendheid te behartigen. Van een advocaat mag verwacht worden
dat hij reageert op berichten van zijn cliënt.
5.3 Tot die professionele standaard behoort het inschatten van de slagingskans
van een aanhangig te maken procedure en de cliënt daarover te informeren. De cliënt
dient door de advocaat erop gewezen te worden wat in zijn zaak de proceskansen zijn
en het kostenrisico is. Voorts dienen procestukken te voldoen aan de redelijkerwijs
daaraan te stellen eisen.
5.4 Bij de beoordeling van de klacht betrekt de raad de gedragsregels. De tuchtrechter
is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen als invulling van de
in artikel 46 Advocatenwet genoemde behoorlijkheidsnorm wel van belang zijn. Of sprake
is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden
en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
Klachtonderdeel a
5.5 In klachtonderdeel a) verwijt klaagster verweerder dat hij tussen de aanvaarding
van de opdracht in maart 2024 en januari 2025 niets voor haar heeft gedaan en haar
ook nergens over heeft geïnformeerd. Verweerder had volgens klaagster, nadat op 9
juli 2024 geen beslissing volgde, een ingebrekestelling moeten sturen en een beroep
niet tijdig beslissen moeten starten, althans haar moeten informeren over de mogelijkheid
daartoe. Klaagster is hierdoor mogelijk dwangsommen misgelopen.
5.6 Volgens verweerder was er tot januari 2025 niets te doen in het dossier van
klaagster. Verweerder erkent dat na 9 juli 2024 een ingebrekestelling kon worden ingediend
en een beroep wegens niet tijdig beslissen kon worden gestart, waardoor klaagster
mogelijk aanspraak had kunnen maken op dwangsommen. Verweerder erkent ook dat hij
klaagster daarover niet heeft geïnformeerd. Deze werkzaamheden vielen volgens verweerder
echter buiten de werkzaamheden van de gefinancierde rechtsbijstand.
5.7 De raad is van oordeel dat verweerder zijn informatieplicht heeft geschonden
door klaagster niet te informeren over de door haar te benutten mogelijkheden op het
moment dat er op 9 juli 2024 geen beslissing werd genomen. In dat opzicht is verweerder
nalatig geweest. In zoverre is klachtonderdeel a) gegrond. Niet gebleken is echter
dat verweerder, afgezien daarvan, in het dossier van klaagster verder nog iets voor
haar had kunnen doen, zodat verweerder in dat opzicht niet nalatig is geweest. Klachtonderdeel
a) is daarmee voor het overige ongegrond.
Klachtonderdeel b
5.8 Klaagster verwijt verweerder dat hij zich niet heeft gemeld als opvolgend
advocaat bij de UHT. Verweerder erkent dat hij dit heeft nagelaten.
5.9 Weliswaar had het op de weg van verweerder gelegen om zich bij de instantie
te melden als opvolgend advocaat, maar door dit niet te doen heeft hij niet klachtwaardig
gehandeld. De raad is van oordeel dat dit louter een administratieve nalatigheid betreft
en het te ver voert om dit nalaten tuchtrechtelijk verwijtbaar te achten.
5.10 Dit klachtonderdeel wordt vanwege het geringe belang ongegrond verklaard.
Klachtonderdeel c
5.11 Klaagster verwijt verweerder dat hij onaangekondigd bij het huis van klaagster
is langs geweest, vlak nadat zij de samenwerking beëindigde. Dat heeft klaagster als
zeer intimiderend ervaren.
5.12 Verweerder erkent dat hij de woning van klaagster onaangekondigd heeft bezocht.
Verweerder heeft dit niet vaker of bij andere cliënten gedaan. Verweerder meende dat
hij goed contact had klaagster, herkent zich niet in ongepast gedrag en heeft ter
zitting zijn excuses aangeboden indien hij klaagster een naar gevoel heeft gegeven.
5.13 De raad is van oordeel dat er geen enkel redelijk doel was gediend bij het
onaangekondigde huisbezoek. De combinatie van omstandigheden (het onaangekondigde
huisbezoek vlak na beëindiging van de samenwerking en het telefonisch contact zoeken
op dat moment) maakt dat verweerder weinig zelfinzicht heeft getoond. De raad acht
het begrijpelijk dat klaagster het onaangekondigde bezoek aan huis als intimiderend
kan hebben ervaren, zeker gelet op de tijdslijn. Van een advocaat mag worden verlangd
dat hij zich onthoudt van dergelijke gedragingen.
5.14 Dit klachtonderdeel is gegrond.
Klachtonderdeel d
5.15 Klaagster verwijt verweerder ongepaste opmerkingen te hebben gemaakt, waaronder
haar “wijfie” noemen en opmerkingen te maken over haar uiterlijk.
5.16 Verweerder heeft laten weten zich niet te herkennen in dit klachtonderdeel
en heeft het verwijt dat hem terzake wordt gemaakt betwist.
5.17 Tegenover de stellingen van klaagster staat de ontkenning door verweerder.
In dergelijke gevallen, waarin de lezingen van partijen omtrent de inhoud van de klacht
uiteen lopen en niet goed kan worden vastgesteld welke van beide lezingen het meest
aannemelijk is, kan die klacht c.q. dat klachtonderdeel in beginsel niet gegrond worden
verklaard. Dit berust er niet op dat het woord van klaagster minder geloof verdient
dan het woord van verweerder, maar op de omstandigheid dat voor het oordeel dat verweerder
tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld, voldoende aannemelijk moet zijn dat het
verweten handelen feitelijk heeft plaatsgevonden. Dat is in deze zaak niet het geval.
Naar het oordeel van de raad heeft klaagster onvoldoende (objectieve) feiten en omstandigheden
naar voren gebracht om dit klachtonderdeel tegenover de betwisting door verweerder
nader te onderbouwen en voldoende aannemelijk te maken.
5.18 Dit klachtonderdeel is ongegrond.
6 MAATREGEL
6.1 De klacht is gegrond voor wat betreft het onvoldoende informeren van klaagster
over de door haar te benutten mogelijkheden op het moment dat er op 9 juli 2024 geen
beslissing werd genomen. De klacht is ook gegrond voor wat betreft het onaangekondigde
bezoek aan de woning van klaagster. Deze laatste gedraging rekent de raad verweerder
zwaar aan. Voor het overige is de klacht ongegrond.
6.2 De raad is van oordeel dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.
6.3 Gelet op het blanco tuchtrechtelijke verleden van verweerder op soortgelijke
klachten, zal de raad in dit geval volstaan met het opleggen van een waarschuwing.
Daarbij weegt de raad mee dat verweerder zelf ook inziet dat hij nalatig is geweest
c.q. anders had moeten handelen, beterschap belooft en zijn handelswijze heeft aangepast.
7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING
7.1 Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerder op
grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klaagster betaalde griffierecht
van € 50,- aan haar vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk
is geworden. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar
rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.
7.2 Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond
van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
a) € 25,- reiskosten van klaagster,
b) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
c) € 500,- kosten van de Staat.
7.3 Verweerder moet het bedrag van € 25,- aan reiskosten binnen vier weken nadat
deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klaagster. Klaagster geeft
binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk
aan verweerder door.
7.4 Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder
b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is
geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A,
Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling
raad van discipline" en het zaaknummer.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart klachtonderdeel a) gedeeltelijk gegrond en klachtonderdeel c) gegrond;
- verklaart klachtonderdelen a) overigens, b) en d) ongegrond;
- legt aan verweerder de maatregel van waarschuwing op;
- veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klaagster;
- veroordeelt verweerder tot betaling van de reiskosten van € 25,- aan klaagster,
op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3;
- veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de
Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald
in 7.4.
Aldus beslist door mr. M.V. Ulrici, voorzitter, mrs. K.C. van Hoogmoed en M. Kemmers, leden, bijgestaan door mr. S. Homringhausen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 31 augustus 2026