ECLI:NL:TADRAMS:2026:193 Raad van Discipline Amsterdam 26-180/A/A
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2026:193 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 31-08-2026 |
| Datum publicatie: | 11-09-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-180/A/A |
| Onderwerp: | Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening |
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Raadsbeslissing; ongegronde klacht over de eigen advocaat in een strafzaak. Hoewel het beter was geweest als verweerster een telefoonnotitie van het gesprek tussen haar en klager had gemaakt over het instellen van hoger beroep, biedt het klachtdossier in dit geval voldoende bevestiging voor het standpunt van verweerster dat klager bij zijn eerste keuze bleef om geen hoger beroep in te stellen. Verder bestaat er geen regel die advocaat-stagiaires verplicht om zonder dat daarnaar gevraagd wordt te melden dat hij of zij nog advocaat-stagiaire is en de praktijk onder toezicht van een patroon uitoefent. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 31 augustus 2026
in de zaak 26-180/A/A
naar aanleiding van de klacht van:
klagers
over
verweerster
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 19 juli 2025 hebben klagers bij de deken van de Orde van Advocaten in
het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.
1.2 Op 5 maart 2026 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2507323/ER/KV
van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 22 juni 2026. Daarbij
was klaagster ook namens klager aanwezig; verweerster was eveneens aanwezig, bijgestaan
door haar patroon mr. B en de klachtenfunctionaris van het kantoor, mr. S. Van de
behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van
de op de inventarislijst genoemde bijlagen 00 tot en met 04. Ook heeft de raad kennisgenomen
van de op 19 maart 2026 door klagers nagezonden stukken en het op 5 juni 2026 door
verweerster nagezonden stuk.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier
en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Klaagster is de levenspartner van klager. Klager is in de periode van 16
februari 2023 tot en met 16 mei 2023 vervolgd voor handel in en het bezit van cocaïne
en heroïne. Klager werd in deze zaak eerst achtereenvolgens bijgestaan door twee andere
advocaten.
2.3 Op 1 augustus 2023 ontving verweerster een overnameverzoek van klager en
vanaf augustus 2023 heeft verweerster klager bijgestaan in deze strafzaak. Verweerster
was kort daarvoor op 21 juni 2023 beëdigd als advocaat. Mr. B is haar patroon.
2.4 Op 10 augustus 2023 heeft verweerster klager bezocht in de Penitentiaire
inrichting (P.I.) waar hij op dat moment verbleef. Verweerster heeft een dossiernotitie
opgesteld, waarop klager heeft gereageerd met een opmerking in de kantlijn. In deze
notitie staat onder meer:
“E. Overleg
Primair aanvoeren dat er voldoende is voor vrijspraak. Mocht rb hier anders naar
kijken, dan verzoekt de verdediging u drie getuigen te horen (…).
Cliënt ontkent betrokken te zijn bij de overdrachten bij het raam.”
2.5 Op 23 augustus 2023 heeft in de strafzaak van klager een mondelinge behandeling
plaatsgevonden. Verweerster heeft zich op de zitting bediend van een pleitnota.
2.6 De rechtbank achtte de tenlastegelegde feiten bewezen en heeft klager bij
vonnis van 6 september 2023 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes
maanden (met aftrek van voorarrest) en een geldboete van € 425,-.
2.7 Op 11 september 2023 heeft verweerster klager bezocht in de PI. In een memo
van verweerster van die datum staat:
“Bespreken mogelijkheid tot hoger beroep Bewezenverklaring feit 1 bespreken Afwijzing
verzoek horen getuigen
Straf HB?
+ miss wel getuigen horen
- duurt lang
- kans op lagere straf klein bij bewezenverklaring
[klager]: Geen hoger beroep instellen. Had al met vriendin besproken dat dit lang
zal duren. Hij heeft nog maar 2 maanden te gaan en dan zit de strafzaak erop.”
2.8 Bij brief van 12 september 2023 heeft verweerster het volgende aan klager
geschreven:
“In the abovementioned case, I was instructed as your lawyer to represent you on
23 August 2023 before the district court of Amsterdam. On 6 September 2023 the court
delivered its judgment in your case.
On 11 September 2023, I shared my findings and conclusions with you. You have decided
not to appeal against the judgment of the district court. Thus, the judgment has now
become final. This means that my assistance to you in this matter comes to an end.
I will take the necessary steps to finalize payment for the services provided with
the Legal Aid Board (in Dutch: de Raad voor Rechtsbijstand). In exceptional circumstances,
the Legal Aid Board may contact you. Once payment has been secured I will close and
archive your file. The file will be kept in our archive for a period of ten years.
I wish you the best of luck. Should you be in need of legal assistance in future,
you can always contact me.”
2.9 Klager heeft vervolgens op 15 september 2023 telefonisch contact opgenomen
met het kantoor van verweerster en bij het secretariaat de boodschap voor verweerster
achtergelaten dat hij hoger beroep wenste in te stellen. Verweerster heeft hierop
een terugbelverzoek ingediend bij de PI. Op 19 september 2023 en 20 september 2023
heeft verweerster opnieuw terugbelverzoeken ingediend.
2.10 Op 20 september 2023 heeft klager haar teruggebeld en heeft er telefonisch
contact plaatsgevonden tussen klager en verweerster. Verweerster heeft daarna geen
hoger beroep voor klager ingesteld tegen het vonnis van 6 september 2023.
2.11 Op 22 februari 2024 heeft de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) een
negatieve beslissing genomen ten aanzien van de verblijfsstatus van klager, waarbij
de IND (kort gezegd) heeft overwogen dat klager niet voldoet aan de voorwaarde beschreven
in artikel 3.20 Vreemdelingenbesluit (Vb) vanwege de veroordeling van 6 september
2023.
2.12 In juli 2024 heeft klager verweerster verzocht zijn strafdossier met hem
te delen. Per WhatsApp heeft verweerster het procesdossier en het vonnis aan klager
gestuurd. Daarbij heeft verweerster abusievelijk niet het uitgeschreven vonnis gestuurd,
maar enkel het extract van het vonnis. Daarna heeft verweerster alsnog het volledige
vonnis met klager gedeeld.
2.13 In april 2025 heeft klager verweerster meegedeeld dat zij niet alle dossierstukken
had toegezonden. Op 15 april 2025 heeft verweerster via een downloadlink aan klager
alle bestanden uit het digitale dossier van de strafzaak verstrekt. Aangezien er geen
hoger beroep was ingesteld, is het proces-verbaal van de zitting van 23 augustus 2023
niet verstrekt. Hierover beschikte verweerster dan ook niet en zij kon dit daarom
niet met klager delen.
2.14 Op 16 juni 2025 heeft klager via een Whatsappbericht zijn onvrede geuit
over verweersters bijstand in zijn strafzaak; verweerster had zijn wens om in hoger
beroep te gaan genegeerd.
2.15 Naar aanleiding van deze uitingen van onvrede heeft op 26 juni 2025 op het
kantoor van verweerster een bespreking plaatsgevonden met klagers en de klachtenfunctionaris
van het kantoor, mr. S.
2.16 Bij e-mail van 10 juli 2025 heeft mr. S het volgende aan klager meegedeeld:
“Following our meeting on Thursday 26 June, we agreed that you or your partner would
forward the opinion of a second lawyer and/or his/her contact details. Alas no news
was received from you, so I propose to close the case file. I wish you the best of
luck.”
2.17 Op 19 juli 2025 hebben klagers bij de deken een klacht over verweerster
ingediend.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klagers verwijten
verweerster het volgende:
a) verweerster heeft de strafzaak van klager niet goed behandeld, door onder
meer het dossier niet goed te lezen, pas na twee jaar (en na vele verzoeken) het volledige
strafdossier op te sturen en de wens van klager om in hoger beroep te gaan te negeren
terwijl er kansrijke beroepsgronden waren;
b) verweerster heeft klagers niet geïnformeerd dat zij recent was beëdigd was
als advocaat, en dus nog advocaat-stagiaire was en dit bovendien de eerste strafzaak
was die zij behandelde.
4 VERWEER
4.1 Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar
nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
Ontvankelijkheid klaagster
5.1 De raad ziet zich allereerst ambtshalve voor de vraag gesteld of klaagster
een rechtstreeks belang heeft bij deze klacht. Uitgangspunt is dat alleen de persoon
of de rechtspersoon die door het handelen of nalaten van een advocaat direct in zijn
belang wordt of kan worden getroffen, het recht heeft om hierover een klacht in te
dienen. Dit staat in de Advocatenwet. Als het in het algemeen belang is dat er een
tuchtprocedure komt, dan heeft de deken het recht om te klagen.
5.2 Naar het oordeel van de raad heeft klaagster geen rechtstreeks eigen belang
bij een klacht over de dienstverlening van verweerster aan de levenspartner van klaagster
(klager). De omstandigheid dat klaagster nauw betrokken was bij de strafzaak van klager,
levert hooguit een afgeleid belang op en dat is onvoldoende om klaagster te ontvangen
in haar klacht. De klacht, voor zover ingediend door klaagster, is gelet hierop niet-ontvankelijk.
Maatstaf klacht klager
5.3 De klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van verweerster.
Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk
onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de
vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt
de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de
zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd
door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene
professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk
bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht. Deze toets geldt
omdat er binnen de beroepsgroep wat betreft de vaktechnische kwaliteit geen sprake
is van breed gedragen, schriftelijk vastgelegde professionele standaarden. Het behoort
het tot de professionele standaard van een advocaat om een inschatting te geven van
de slagingskans van de zaak.
5.4 Bij de beoordeling van een over een advocaat ingediende klacht dient de tuchtrechter
het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet
omschreven normen. Bij deze toets is de tuchtrechter niet gebonden aan de gedragsregels,
maar die regels kunnen, gezien het open karakter van de wettelijke normen, daarbij
van belang zijn. Of het niet naleven van een bepaalde gedragsregel ook tuchtrechtelijk
verwijtbaar handelen oplevert, hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt
door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
5.5 In gedragsregel 16, lid 1 is bepaald dat een advocaat zijn cliënt op de hoogte
dient te brengen van belangrijke informatie, feiten en afspraken en dat - ter voorkoming
van misverstand, onzekerheid of geschil - de advocaat belangrijke informatie en afspraken
schriftelijk aan zijn cliënt dient te bevestigen.
Klachtonderdeel a)
5.6 Klachtonderdeel a) treft geen doel. Ter toelichting geldt per onderdeel het
volgende.
Bijstand verweerster
5.7 De raad heeft in het klachtdossier geen aanknopingspunten gevonden voor de
stelling van klager dat verweerster zijn strafdossier niet goed zou hebben bestudeerd
en zijn zaak niet goed zou hebben behandeld. Verweerster heeft onderbouwd aangevoerd
dat zij bij aanvang van haar bijstand het dossier grondig heeft bestudeerd en dat
zij de inhoud daarvan met klager in persoon heeft besproken. Op basis daarvan zijn
in overleg met klager keuzes gemaakt ten aanzien van onderzoekswensen en de processtrategie.
Verweerster heeft in overleg met klager de verdedigingsstrategie bepaald en de onderwerpen
in kaart gebracht die in het pleidooi naar voren dienden te worden gebracht. Ook zijn
de punten besproken die klaagster namens klager naar voren heeft gebracht. Verweerster
heeft in overleg met klager besloten geen onderzoekswensen in te dienen, maar de rechtbank
voorwaardelijk te verzoeken om drie betrokkenen te horen als getuigen. Dat dit de
gemaakte afspraken waren blijkt de raad uit de uitgebreide notitie die verweerster
heeft overgelegd en waarop klager in de kantlijn heeft gereageerd (zie 2.4 van de
feiten). Voor zover klager betoogt dat deze notitie geen juiste weergave van het besprokene
zou bevatten, heeft hij dat onvoldoende duidelijk onderbouwd. Bovendien heeft verweerster
toegelicht dat de notitie niet beoogt een volledige weergave van het dossier te geven.
5.8 Verder heeft verweerster gemotiveerd aangevoerd dat zij voorafgaand aan de
zitting in contact met klaagster was en dat zij diverse suggesties van klaagster met
klager heeft besproken en, waar relevant, in de pleitnota heeft verwerkt. Dat de gang
van zaken anders is geweest, heeft klager niet aannemelijk gemaakt en volgt ook niet
uit het klachtdossier. Voor zover klager in de klachtprocedure nieuwe bewijsstukken
naar voren heeft gebracht, heeft verweerster terecht aangevoerd dat zij alleen rekening
heeft kunnen houden met stukken die destijds met haar zijn gedeeld tijdens de strafzaak.
De klacht is gelet op het voorgaande in zoverre ongegrond.
Geen hoger beroep
5.9 Met betrekking tot de beslissing om geen hoger beroep in te stellen, heeft
verweerster toereikend toegelicht dat zij klager tijdens haar bezoek op 11 september
2023 heeft geïnformeerd over de voor- en nadelen van het instellen van hoger beroep.
Verweerster heeft onbetwist naar voren gebracht dat zij in dat gesprek ook de (mogelijke)
gevolgen voor klagers vreemdelingenstatus heeft besproken en bovendien in dat gesprek
en bij aanvang van haar bijstand klager heeft verwezen naar een vreemdelingenrechtadvocaat.
Volgens verweerster heeft klager op basis van alle informatie vervolgens zelf besloten
om van hoger beroep af te zien omdat hij de strafzaak graag wilde afsluiten en zijn
straf bijna voorbij was. Dit besluit heeft verweerster in haar brief van 12 september
2023 (zie 2.8 van de feiten) schriftelijk aan klager bevestigd.
5.10 Klager heeft nadien op 15 september 2023 telefonisch contact opgenomen met
het kantoor van verweerster en de boodschap voor verweerster achtergelaten dat hij
wel hoger beroep wenste in te stellen. Hierover verschillen partijen niet van mening.
Verweerster heeft klager op de laatste dag van de beroepstermijn (op 20 september
2023) gesproken. Klager gaf, aldus verweerster, tijdens dit gesprek ondubbelzinnig
aan dat hij (toch) bij zijn eerdere keuze bleef om geen hoger beroep in te stellen
en zich neerlegde bij het vonnis. Klager stelt daarentegen dat hij wel in hoger beroep
had willen gaan, maar dat verweerster zijn wens heeft genegeerd.
5.11 Hoewel het beter was geweest als verweerster - desnoods voor zichzelf -
een telefoonnotitie van dit gesprek had gemaakt, overweegt de raad dat de stukken
in het klachtdossier in dit geval voldoende bevestiging bevatten voor het standpunt
van verweerster dat klager alsnog bij zijn eerste keuze bleef om geen hoger beroep
in te stellen. De raad acht in dat verband relevant dat klager de eerste maanden na
afloop van de bijstand in september 2023 geen bezwaar heeft geuit tegen het uitblijven
van hoger beroep. Dat klager pas twee jaar later een andere zienswijze hierover heeft
ingenomen, doet naar het oordeel van de raad vermoeden dat klager van mening moet
zijn veranderd nadat hij vanwege zijn veroordeling op 22 februari 2024 geconfronteerd
werd met een voor zijn verblijfsstatus negatieve beslissing van de IND. Daarna heeft
klager immers pas via een WhatsAppbericht op 16 juni 2025 zijn onvrede geuit over
verweersters bijstand en het niet instellen van hoger beroep. Op 26 juni 2025 heeft
de klachtenfunctionaris van het kantoor, mr. S, hierover met klagers een gesprek gevoerd
en (ook) ter zitting heeft hij onbetwist naar voren gebracht dat klager tijdens dit
gesprek heeft erkend dat hij destijds had aangegeven geen hoger beroep te willen instellen.
5.12 Voor zover ter zitting is gewezen op een stuk in het klachtdossier met de
titel ‘Racial Profiling’ waaruit zou blijken dat klager de wens had geuit om hoger
beroep in te stellen, geldt dat die wens daarin niet duidelijk valt te lezen. Bovendien
ontbreekt een datum op het stuk, zodat niet duidelijk is wanneer die wens zou zijn
geuit. Aan dit stuk wordt daarom niet die betekenis toegekend die klager eraan gehecht
wenst te zien. Voor zover klager verder stelt dat hij wegens gezondheidsredenen niet
in staat was om zijn wil te bepalen, heeft verweerster aangevoerd dat zij op geen
enkel moment aanwijzingen had dat klager de zaak of hun gesprekken niet begreep. Ook
de raad heeft dit op grond van het klachtdossier niet kunnen vaststellen. De brief
van de afdeling Zorg van de P.I. die klager heeft overgelegd in repliek (en waarvan
de datum is weggelakt) biedt onvoldoende steun voor deze stelling. De klacht is ook
in zoverre ongegrond.
Toezenden strafdossier
5.13 Met betrekking tot het verwijt dat verweerster het procesdossier pas na
herhaalde verzoeken van klager twee jaar later heeft verstrekt, heeft verweerster
aangevoerd dat klager haar in juli 2024 had verzocht het dossier met hem te delen.
Verweerster heeft hierop per WhatsApp het procesdossier en het vonnis met klager gedeeld.
Daarbij heeft verweerster abusievelijk het uitgeschreven vonnis niet verstuurd, maar
enkel het extract van het vonnis. Het juiste document heeft verweerster daarna alsnog
gedeeld met klager. In april 2025 gaf klager aan dat verweerster niet alle dossierstukken
had gedeeld, waarna verweerster op 15 april 2025 met een downloadlink alle bestanden
uit het digitale dossier van de strafzaak aan klager verstrekt. Dat sprake is van
meer dan een slordigheid, is de raad niet gebleken, zodat ook in zoverre de klacht
ongegrond is.
Klachtonderdeel b)
5.14 Klager stelt dat hij niet op de hoogte was van het feit dat verweerster
pas net beëdigd was als advocaat toen zij zijn strafzaak aannam. Klager is van mening
dat verweerster dit had moeten melden. Verweerster had de strafzaak nooit alleen mogen
behandelen, gelet op haar beperkte ervaring. Klager heeft niet eerder van de naam
van de patroon van verweerster - mr. B - gehoord en zij was ook niet op de zitting
aanwezig.
5.15 Ook dit klachtonderdeel faalt. Artikel 9b Advocatenwet bepaalt dat elke advocaat verplicht is gedurende de eerste drie jaar waarin hij als advocaat is ingeschreven de praktijk uit te oefenen als stagiaire onder toezicht van een andere advocaat, de patroon, en bij deze kantoor te houden. Verweerster voldeed aan deze verplichting en zij was inderdaad nog advocaat-stagiaire toen zij de zaak van klager in behandeling nam.
5.16 Anders dan klager stelt, bestaat er geen regel die advocaat-stagiaires verplicht
om zonder dat daarnaar gevraagd wordt door een (potentiële) cliënt aan deze te melden
dat hij of zij nog advocaat-stagiaire is en de praktijk onder toezicht van een patroon
uitoefent. Dat verweerster klager niet heeft verteld dat zij nog advocaat-stagiaire
was in de periode dat zij klager bijstond levert dan ook geen tuchtrechtelijk verwijt
op.
5.17 Voor zover klager betwijfelt of sprake is geweest van begeleiding door kantoorgenoten
in de strafzaak, althans stelt dat hier geen fysieke bewijzen van zijn getoond en
haar patroon niet vermeld staat in het proces-verbaal van de inhoudelijke behandeling,
geldt dat verweerster onderbouwd heeft aangevoerd dat zij de strafzaak van klager
heeft voorbereid onder begeleiding van kantoorgenoten, met name haar patroon (mr.
B) en dat haar patroon in de zittingszaal zat. Omdat zij zonder toga was stond zij
echter niet vermeld in het proces-verbaal. Dit heeft de patroon in een verklaring
bevestigd. Verder heeft verweerster toegelicht dat zij voorafgaand aan, tijdens een
onderbreking van en na de zitting contact heeft gehad met haar patroon. En ook aan
klaagster en een kennis van klager heeft toegelicht dat haar patroon ter begeleiding
ter zitting aanwezig was.
Slotsom
5.18 De raad komt op grond van het vorenstaande tot de slotsom dat verweersters
bijstand zoals geschetst, voldoet aan hetgeen van een redelijk handelend en redelijk
bekwaam advocaat mag worden verwacht. De klacht is derhalve ongegrond. Al hetgeen
klager verder nog naar voren heeft gebracht, leidt niet tot een ander oordeel.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart de klacht voor zover ingediend door klaagster niet-ontvankelijk;
- verklaart de klacht voor zover ingediend door klager ongegrond.
Aldus beslist door mr. M.V. Ulrici, voorzitter, mrs. K.C. van Hoogmoed en M. Kemmers, leden, bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh als griffier en uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 31 augustus 2026