ECLI:NL:TADRAMS:2026:190 Raad van Discipline Amsterdam 26-554/A/A

ECLI: ECLI:NL:TADRAMS:2026:190
Datum uitspraak: 31-08-2026
Datum publicatie: 07-09-2026
Zaaknummer(s): 26-554/A/A
Onderwerp: Ontvankelijkheid van de klacht, subonderwerp: Tijdverloop tussen gewraakte gedraging en indienen van de klacht
Beslissingen: Voorzittersbeslissing
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing. Klacht over eigen advocaat. Klacht in alle onderdelen niet-ontvankelijk vanwege overschrijding klachttermijn van drie jaar. Van informatie waarvan klager pas na klachttermijn kennis heeft genomen, waardoor hij zijn klacht niet eerder heeft kunnen indienen, is niet gebleken. Ook is niet gebleken dat sprake is van (zeer) bijzondere omstandigheden op grond waarvan de termijnoverschrijding toelaatbaar (verschoonbaar) zou kunnen worden geacht. 

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline
in het ressort Amsterdam

van 31 augustus 2026 
in de zaak 26-554/A/A

naar aanleiding van de klacht van:

klager

over:

verweerder

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) van 30 juni 2026 met kenmerk 2520313/EvR/BF, door de raad digitaal ontvangen op dezelfde datum, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 00 tot en met 06. 

1    FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.

Voornaamwijzigingszaak
1.1    In 2018 heeft klager verweerder benaderd in verband met een door klager gewenste wijziging van zijn voornaam. Verweerder heeft daartoe namens klager een verzoek bij de rechtbank ingediend.
1.2    Op 22 november 2019 heeft de rechtbank het verzoek van klager tot voornaamswijziging toegewezen.
1.3    Op 4 augustus 2020 heeft het kantoor van verweerder klager gemaild dat het dossier is gesloten.
1.4    Op 14 augustus 2020 heeft de secretaresse van verweerder klager gemaild met het verzoek om te bellen voor het maken van een afspraak om zijn stukken op te halen.
Op 17 november 2020 heeft klager verweerder gemaild met de vraag om een afspraak te maken voor het ophalen van zijn geboorteakte. Dezelfde dag heeft de secretaresse van verweerder klager gemaild dat de originele geboorteakte van klager naar de rechtbank is gestuurd en dat zij dit daarom niet in het dossier van klager hebben, zodat klager dat niet kan komen ophalen.
    Nationale Postcode Loterij-zaak
1.5    In 2019 heeft klager verweerder benaderd in verband met een door klager in 2001 gewonnen geldprijs in de Nationale Postcode Loterij (hierna: de NPL). 
1.6    In augustus 2020 heeft verweerder klager bericht dat hij geen dagvaarding namens klager gaat uitbrengen. 
1.7    Op 18 januari 2021 heeft het kantoor van verweerder klager gemaild dat het dossier is gesloten.

Geschillencommissie
1.8    In 2025 heeft klager bij de Geschillencommissie Advocatuur (hierna: de Geschillencommissie) een klacht ingediend over de kwaliteit van dienstverlening van verweerder in de voornaamswijzigingszaak en de NPL-zaak en over de door verweerder in de voornaamswijzigingszaak in rekening gebrachte kosten. In de NPL-zaak verweet klager verweerder dat hij een dagvaarding niet aan de NPL heeft uitgebracht terwijl verweerder die wel bij klager in rekening heeft gebracht.
1.9    Op 30 juni 2025 heeft de Geschillencommissie klager niet-ontvankelijk verklaard in zijn klacht over verweerder. De Geschillencommissie heeft overwogen:
‘De commissie stelt allereerst vast dat de advocaat cliënt heeft bijgestaan in een procedure tot voornaamswijziging, welke procedure op 22 november 2019 is afgerond door een toewijzing overeenkomstig het door cliënt gedane verzoek. (…) Naar aanleiding heeft cliënt zich echter pas in juli 2024 tot de advocaat gewend, waarbij hij heeft aangegeven een andere wijziging van zijn voornaam/voornamen te wensen. De commissie is van oordeel dat cliënt gelet op het gestelde in artikel 7 lid 1 onder a van het reglement niet-ontvankelijk is in zijn klacht met betrekking tot de voornaamswijziging. (…) Voorts stelt de commissie vast dat cliënt zich in verband met een door hem gestelde vordering tegen de Nationale Postcode Loterij heeft gewend tot de advocaat. In augustus 2020 heeft cliënt bericht van advocaat gehad dat geen dagvaarding zou worden uitgebracht. Op dat moment had cliënt in elk geval dus kennis van het vermeende handelen of nalaten dat tot de klacht aanleiding heeft gegeven. Naar aanleiding daarvan heeft cliënt zich echter pas in juli 2024 tot de advocaat gewend, waarbij hij heeft aangegeven dat alsnog een dagvaarding dient te worden uitgebracht. De commissie is van oordeel dat cliënt gelet op het gestelde in artikel 7 lid 1 onder a van het reglement niet-ontvankelijk is in zijn klacht (…).’

1.10    Op 4 september 2025 heeft klager bij de deken een klacht over verweerder ingediend.


2    KLACHT
2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder het volgende:
a)    verweerder is niet, conform de opdracht van klager, direct gestart met een procedure over de gewonnen geldprijs in de NPL. Verweerder heeft eerst de NPL aangeschreven, terwijl klager dat al met een andere advocaat had gedaan en de gegevens daarvan aan verweerder had verstrekt;
b)    verweerder heeft in de NPL-zaak een dagvaarding opgesteld en in rekening gebracht, maar hij heeft deze niet uitgebracht;
c)    verweerder heeft klager in de voornaamswijzigingszaak niet op de hoogte gehouden van de hoge kosten die na een vaste prijsafspraak zijn ontstaan. Ook heeft verweerder niet maandelijks een factuur gestuurd;
d)    verweerder heeft documenten en het fysieke dossier niet retour gestuurd na het eerste verzoek daartoe van klager van 27 maart 2020. 
2.2    De voorzitter zal bij de beoordeling, waar nodig, ingaan op de standpunten van klager.

3    VERWEER
3.1    Verweerder voert verweer tegen de klacht en doet allereerst een beroep op de niet-ontvankelijkheid van de klacht, omdat de klachttermijn van drie jaar ruimschoots is overschreden en de klacht bovendien gedeeltelijk over declaraties gaat. Daarbij wijst verweerder ook op de beslissing van de Geschillencommissie. Van bijzondere omstandigheden die een uitzondering op de klachttermijn zouden rechtvaardigen, is volgens verweerder geen sprake.
3.2    Voor wat betreft zijn inhoudelijke verweer tegen de klacht heeft verweerder betwist dat hij tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. In dat verband voert verweerder aan dat in de NPL-zaak nimmer sprake is geweest van een opdracht tot het uitbrengen van een dagvaarding. Volgens verweerder is na de aansprakelijkstelling een concept-dagvaarding opgesteld maar is deze niet uitgebracht, omdat klager daarin ook een vordering wilde opnemen die geen kans van slagen had. Omdat klager bleef aandringen op opname van deze vordering zonder daar serieus bewijs voor te leveren, was voortzetting van de rechtsbijstand niet langer verantwoord.
3.3    Tot slot voert verweerder aan dat in de voornaamswijzigingszaak klager gedurende een lange periode en op meerdere momenten is geïnformeerd over de voortgang van het dossier en de daarmee samenhangende werkzaamheden. Daarbij merkt verweerder op dat de originele geboorteakte van klager bij de rechtbank is ingediend, zodat hij die niet aan klager kan retourneren. Volgens verweerder is het overige dossier per e-mail aan klager verstrekt en is klager uitgenodigd om het dossier op kantoor in ontvangst te nemen.
3.4    De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4    BEOORDELING
Ontvankelijkheid
4.1    Voordat de voorzitter toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van de klacht moet de raad, gelet op het verweer maar ook ambtshalve, eerst beoordelen of klager in zijn klacht kan worden ontvangen. 
Een klacht over een advocaat moet worden ingediend binnen drie jaar nadat de klager op de hoogte was of redelijkerwijs kon zijn van de feiten waarover wordt geklaagd (artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet). Het moet gaan om kennis die de klager uit objectieve bronnen heeft verkregen. Als deze driejaarstermijn is verlopen zonder dat klager een klacht heeft ingediend, vervalt in principe het recht om te klagen. Dit is anders als klager pas na de driejaarstermijn over informatie beschikt (en ook daar niet eerder over kon beschikken), die gaat over de gevolgen van het handelen of nalaten waar de klacht over gaat. In dat geval vervalt het recht om te klagen één jaar nadat klager van de informatie kennis heeft genomen (artikel 46g lid 2 Advocatenwet). Alleen onder (zeer) bijzondere omstandigheden kan een overschrijding van de vervaltermijn verschoonbaar zijn. De achterliggende gedachte van deze regel is dat een advocaat niet tot in lengte van dagen rekening hoeft te houden met tuchtklachten over zijn doen en laten uit het verleden.
4.2    De voorzitter stelt vast dat verweerder klager in de voornaamswijzigingszaak heeft bijgestaan in de periode van 2018 tot en met 2020: klager is in 2018 bij verweerder gekomen met het verzoek om zijn voornaam te wijzigen, in 2019 heeft de rechtbank het verzoek van klager toegewezen, in 2020 heeft verweerder het dossier gesloten en is met klager gecorrespondeerd over het ophalen van het dossier. Vanwege de klachttermijn van drie jaar had klager uiterlijk in de periode 2021 tot en met 2023 een klacht bij de deken in kunnen dienen over de kosten, het gebrek aan maandelijkse facturen en het niet retourneren van documenten en het fysieke dossier. Klager heeft dat echter pas op  
4 september 2025 gedaan. Op dat moment was de klachttermijn van drie jaar al ruimschoots overschreden. Van informatie waarvan klager pas na klachttermijn kennis heeft genomen, waardoor hij zijn klacht niet eerder heeft kunnen indienen, is de voorzitter uit het klachtdossier niet gebleken. Ook is niet gebleken dat sprake is van (zeer) bijzondere omstandigheden op grond waarvan de termijnoverschrijding toelaatbaar (verschoonbaar) zou kunnen worden geacht. 
4.3    In de NPL-zaak heeft verweerder klager bijgestaan in de periode 2019 tot en met half januari 2021: klager heeft verweerder in 2019 benaderd met het verzoek een vordering tegen de NPL in te stellen, in 2020 heeft verweerder klager laten weten geen dagvaarding te zullen uitbrengen en in 2021 heeft verweerder het dossier gesloten. Vanwege de klachttermijn van drie jaar had klager uiterlijk in de periode 2022 tot en met 2024 een klacht bij de deken kunnen indienen over het niet starten van een procedure tegen de NPL en het niet uitbrengen van een dagvaarding. Door dit pas op  
4 september 2025 te doen, heeft klager te laat bij de deken over verweerder geklaagd. De klachttermijn van drie jaar was op 4 september 2025 al ruimschoots overschreden. De voorzitter kan uit het klachtdossier niet afleiden dat klager pas na de klachttermijn kennis heeft genomen van informatie waardoor hij zijn klacht niet eerder heeft kunnen indienen. 
4.4    In het kader van de overschrijding van de klachttermijn in de NPL-zaak heeft klager gesteld dat hij niet meteen een klacht kon indienen, omdat via non-verbale communicatie met verweerder en de NPL werd gesuggereerd dat hij eerst de gewonnen geldprijs moest beargumenteren. Deze door klager gestelde omstandigheid is geen (zeer) bijzondere omstandigheid op grond waarvan de termijnoverschrijding toelaatbaar zou kunnen worden geacht. Klager wist immers in 2019/2020 al dat verweerder de NPL namens hem eerst aansprakelijk heeft gesteld en dat verweerder daarna geen dagvaarding meer zou gaan uitbrengen vanwege een gebrek aan bewijs van de door klager gewenste vordering.


Conclusie
4.5    Op grond van het voorgaande zal de voorzitter de klacht, met toepassing van artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet, niet-ontvankelijk verklaren.

BESLISSING
De voorzitter verklaart de klacht, met toepassing van artikel 46g Advocatenwet, in alle onderdelen niet-ontvankelijk.

Aldus beslist door mr. K.M. van Hassel, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door  
mr. A.E. van Oost als griffier en uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2026.

Griffier         Voorzitter

Verzonden op 31 augustus 2026