ECLI:NL:TADRAMS:2026:189 Raad van Discipline Amsterdam 26-494/A/NH

ECLI: ECLI:NL:TADRAMS:2026:189
Datum uitspraak: 07-09-2026
Datum publicatie: 11-09-2026
Zaaknummer(s): 26-494/A/NH
Onderwerp:
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Beleidsvrijheid
Beslissingen: Voorzittersbeslissing
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing; klacht over de eigen advocaat. Verweerder heeft niet onzorgvuldig gehandeld door zich terug te trekken. Verweerder heeft niet de kernwaarde partijdigheid geschonden door geen procedure te starten. Niet gebleken is dat verweerder de deken onjuist heeft geïnformeerd of anderszins onzorgvuldig is geweest. Klacht kennelijk ongegrond.

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 7 september 2026
in de zaak 26-494/A/NH

naar aanleiding van de klacht van:

klager

over:

verweerder

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Noord-Holland (hierna: de deken) van 15 juni 2026 met kenmerk mr/ss/25-497/2532544, door de raad digitaal ontvangen op 15 juni 2026, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 7. Daarnaast heeft de voorzitter kennisgenomen van de door klager op 9 juli 2026 nagezonden stukken. 

1    FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1    Verweerder heeft klager bijgestaan als advocaat in een geschil met Arcade Wonen (hierna “Arcade”). Dit geschil betreft een huurkwestie. Arcade werd hierin ten tijde van de bijstand door verweerder aan klager bijgestaan door mr. B.
1.2    Medio juli 2025 hebben klager en verweerder telefonisch een intakegesprek gevoerd, ter bevestiging waarvan verweerder aan klager op 15 juli 2025 een e-mail heeft gestuurd. Verweerder schreef daarin:
“(…) Dank voor uw aanvraag via NAB en dank voor uw heldere uitleg van uw situatie. Wij hebben het volgende afgesproken:
- Ik heb een toevoeging aangevraagd en hoop dat de beslissing daarop tijdens mijn vakantie van 17 en 18 juli a.s. aankomt.
-Vanaf maandag a.s. weten we of u een toevoeging heeft en zullen we kijken hoe hoog de eigen bijdrage wordt en hoe dat betaald kan worden.
- In de tussentijd zult u met uw buurman deze zaak bespreken om zijn hulp in te schakelen voor het bezorgen van onze sommaties bij de verantwoordelijke wethouder.
In de tussentijd zult u ook proberen om de toezegging van de manager Wonen dat zij u aan een andere – gelijkwaardige woning – zal helpen en de beschikking van de klachtencommissie naar mij te mailen. Alvast dank voor uw inspanningen en tot horens (…)”
1.3    Vervolgens hebben klager en verweerder per e-mail overlegd, onder meer over een door verweerder aan Arcade te sturen brief. 
1.4    Op 14 augustus 2025 heeft verweerder Arcade aangeschreven namens klager. Met deze brief heeft verweerder Arcade onder meer gesommeerd om binnen veertien dagen over te gaan tot actieve begeleiding van klager naar andere passende woonruimte. 
1.5    Op 19 september 2025 heeft verweerder aan klager een e-mail gestuurd met daarin de tekst: 
“Geachte [klager], 
Inmiddels heeft de advocaat van Arcade gereageerd. Hoewel ze u niet geloven dat uw buurman overlast veroorzaakt, is het goede nieuws nu wel dat zij u eenmalig een passende woonruimte willen aanbieden buiten het woonwaarderingssysteem om. 
Arcade zal daarvoor rechtstreeks contact met u opnemen. 
Ik stel voor onderstaande e-mail te sturen naar [mr. B]. Graag verneem ik of u hiermee instemt (…)”
1.6    Klager en verweerder hebben vervolgens contact over de inhoud en toon van de aan de advocaat van Arcade te sturen reactie. Op 30 september 2025 stuurt verweerder met instemming van klager een brief aan de advocaat van Arcade.
1.7    Naar aanleiding van de reactie van de advocaat van Arcade van 2 oktober 2025 op de brief van 30 september 2025 van verweerder heeft klager op 6 oktober 2025 een door hemzelf opgestelde conceptbrief aan verweerder toegezonden. 
1.8    Vervolgens schreef klager per e-mail van 11 oktober 2025 onder meer het volgende aan verweerder:
“(…) Dank voor uw inzet in mijn zaak. 
Op maandag 6 oktober 2025 om 8:25 uur heb ik u mijn formele cliëntinstructie en conceptbrief gericht aan de advocaat van Arcade Wonen toegezonden. Aangezien ik hierop nog geen ontvangstbevestiging heb mogen ontvangen, wil ik graag verifiëren of deze stukken goed zijn aangekomen.  
Zoals bekend heeft [mr. B] in haar e-mail van 2 oktober 2025 uitdrukkelijk verklaard dat Arcade Wonen niet aan de sommaties zal voldoen. Daarmee is het verzuim bevestigd, en is het van belang dat wij binnen redelijke termijn formeel reageren en de vervolgstappen richting bodemprocedure in gang zetten.  (...)”
1.9    Op 13 oktober 2025 stuurde verweerder aan klager een e-mail, waarin hij schrijft: 
“(…) Dank voor uw berichten. Ik heb uw reactie en conceptbrief ontvangen, maar ik was mij nog aan het beraden hoe ik daarmee moet omgaan. U lijkt met dit concept mijn werk voor mij te willen doen en mijn procesadvies te negeren. Ik heb u aangeraden om Arcade de gelegenheid te geven om een vervangende woonruimte voor u te vinden zodat er wel concrete stappen naar een nieuwe woning kunnen worden genomen. Een bodemprocedure opstarten zal tot stagnatie van dit proces lijden. 
Ik heb daarom uw wens om krachtig en kritisch te reageren gecombineerd met het nemen van een pragmatische tussenstap. Aan het eind van uw concept heb ik Arcade de mogelijkheid gegeven om binnen 14 dagen na heden met een concreet voorstel voor een vervangende en vergelijkbare woonruimte en tegelijkertijd wel alle rechten terzake een bodemprocedure voor te behouden. Als de woning die ze aanbieden niet tijdig of niet vergelijkbaar is, dan kunt u altijd nog afwijzen. 
Graag verneem ik bijgevoegd aangepast concept akkoord is (...)”
1.10    Per e-mail 14 oktober 2025 reageerde klager op dit bericht van verweerder. In deze e-mail schreef klager:  
“(…) Dank voor uw reactie en het aangepaste concept aan [mr. B.] Echter, ga ik niet akkoord met uw aanpassing en de passage in de Slotsom waarin u stelt dat u de bodemprocedure zult opschorten en Arcade Wonen nogmaals 14 dagen de tijd geeft. 
Arcade Wonen heeft op 2 oktober 2025 expliciet verklaard niet aan de sommaties te zullen voldoen. Iedere verdere vertraging dient uitsluitend het belang van de wederpartij en vergroot mijn reeds geleden materiële en immateriële schade (Art. 6:74 BW). De instructie van 6 oktober 2025 blijft derhalve onverminderd van kracht: de bodemprocedure dient direct te worden voorbereid en opgestart. 
Ik verzoek u de bijgevoegde brief aan [mr. B] (d.d. 6 oktober) ongewijzigd te versturen, zonder de alinea over opschorting of uitstel van de bodemprocedure. Mocht u echter volharden in het weigeren van mijn cliëntinstructie, dan bevestig ik middels de bijgevoegde Formele Ingebrekestelling dat u aansprakelijk bent gesteld en dat het ultimatum voor actie nu geldt tot dinsdag 21 oktober 2025, 12:00 uur. Ter volledigheid treft u ook mijn cliëntinstructie van 6 oktober jl. bijgevoegd aan als PDF-bestand.
Mijn voorkeur gaat uit naar directe nakoming van de instructie en een snelle voortzetting van onze samenwerking. (…)”
1.11    Per e-mail van dezelfde dag schreef verweerder aan klager het volgende:
“(…) Naar aanleiding van uw onderstaande e-mail met bijlagen bericht ik u dat ik mij genoodzaakt zie om mij terug te trekken als uw advocaat. In het kort zijn de redenen als volgt:
Ik heb structureel gemerkt dat u uw eigen opvattingen heeft over hoe deze zaak moet worden aangevlogen en dat deze opvattingen strijdig zijn met mijn adviezen;
Als gevolg daarvan heeft u steeds gemeend mijn conceptbrieven helemaal te moeten herschrijven en mij te moeten dicteren hoe de inhoud van mijn brieven moet luiden;
Ook dit laatste concept is wederom van u afkomstig en ik sta daar niet achter. Om toch zoveel mogelijk in uw wensen mee te gaan, heb ik maar één alinea toegevoegd om tot een concreet verzoek c.q. vordering te komen en zelfs dat weigert u om toe te staan.
In tegenstelling tot wat u beweert bestaat voor deze “u vraagt wij, draaien” mentaliteit geen rechtsgrond in de Advocatenwet of het advocatentuchtrecht in het algemeen. U refereert aan de gedragsregels maar gaat voorbij aan de kernwaarden van de advocatuur en de eed die iedere advocaat aflegt: een advocaat is onafhankelijk van zijn client en neemt geen zaken aan die hij in gemoede niet gelooft rechtvaardig te zijn.
Ik heb u meerdere malen aangegeven dat ik de kans op een winst van een bodemprocedure niet groot acht nu Arcade wel degelijk vervangende woonruimte aanbiedt en uw vordering tot schadevergoeding zou nimmer een reëele kans hebben gemaakt. U wilt dat niet accepteren en vergroot uw eigen schade door een redelijk aanbod te weigeren. Ik weet vrijwel zeker dat de rechter dat u niet in dank zal afnemen.
Kort en goed: ik geloof niet in het heil van een bodemprocedure en als u tegen mijn advies in deze weg wilt inslaan, dan scheiden onze wegen.
Ik stel voor dat u de termijn die u mij heeft gegeven, tot uiterlijk dinsdag 21 oktober 2025 te 12:00 uur gebruikt om een andere advocaat te vinden die bereid is om uw brief één op één door te sturen. Dan heeft u ook geen extra tijd verloren en is er voor uw aansprakelijkstelling wegens vermeende vertragingsschade geen grond. Slechts voor de volledigheid wijs ik daarom iedere aansprakelijkheid van de hand. 
Ik verneem graag uiterlijk dinsdag 21 oktober a.s. aan welke opvolgend advocaat ik uw dossier mag overdragen (…)”
1.12    Op 22 oktober 2025 stuurde een medewerkster van het kantoor van verweerder aan klager een e-mail met daarin onder meer de tekst:
“(…) Op 14 oktober jl. hebben wij u onderstaande e-mail gestuurd met het verzoek ons uiterlijk dinsdag 21 oktober te laten weten aan welke opvolgend advocaat wij uw dossier mogen overdragen. Tot op heden hebben wij hierop geen reactie van u ontvangen. 
Er heeft zich wel een advocaat gemeld met een aantal vragen. Maar daarna belde de Raad voor Rechtsbijstand ons zodat wij ervan uit gaan dat u nog geen opvolgend advocaat heeft gevonden. Deze gesprekken waren echter vorige week; wij verzoeken u vriendelijk ons te laten weten of u inmiddels wel een nieuwe advocaat heeft gevonden (…)”
1.13    Eveneens op 22 oktober 2025 schreef klager aan verweerder het volgende: 
“(…) Ik bevestig dat ik op dit moment nog geen opvolgend advocaat heb kunnen vinden. Zoals u bekend is, is deze kwestie inmiddels in behandeling bij derden. 
Zodra een opvolgend advocaat officieel is toegewezen of zich bij mij meldt, zal ik u dat uiteraard onverwijld laten weten zodat een correcte overdracht van het dossier kan plaatsvinden. 
De door u gestelde termijn tot 21 oktober jl. was, gelet op de omstandigheden en de aard van het dossier, niet haalbaar, hetgeen inmiddels ook door de betrokken instanties wordt erkend. 
Ik verzoek u derhalve het dossier in de huidige staat te laten rusten tot nader bericht (…)”
1.14    Op 23 oktober 2025 stuurde verweerder aan klager een e-mail met daarin de tekst:
“(…) De huidige staat laten rusten is akkoord, maar de nota voor de eigen bijdrage zal wel betaald moeten worden. Deze kosten neemt een opvolgend advocaat niet over en het moet dus geregeld zijn voor de overdracht. Ik zal bij afzonderlijke e-mail de eigen bijdrage nota toesturen. Verder wacht ik uw berichten of die van uw opvolgend advocaat dan even af.
PS: ik ben coulancehalve bereid om de advocaat van de wederpartij te laten weten dat u nog bezig bent met het formuleren van een reactie en zich alle rechten voorbehoud. Dan horen ze weer even van ons en heeft u wat meer tijd om de overdracht ordentelijk te regelen. Wilt u dat ik dat doe? (…)”
1.15    Eveneens op 23 oktober 2025 e-mailde klager aan verweerder: 
“(…) Ik stel uw aanbod op prijs, maar wil benadrukken dat het leggen van contact met Arcade Wonen of hun advocaat mogelijk de indruk kan wekken dat er inhoudelijk op de zaak wordt gereageerd of dat er een lopende procedure is. Dat wil ik voorkomen, aangezien ik op dit moment geen procespositie heb en Arcade zich reeds ondubbelzinnig in verzuim bevindt.
Dit verzuim blijft onverminderd van kracht, ook nu ik op dit cruciale moment zonder rechtsbijstand verkeer.
Naar mijn inzicht bestaat er geen juridische noodzaak voor enig contact richting Arcade Wonen.
Mocht u van mening zijn dat die noodzaak er wél is, verneem ik graag uw onderbouwing daarvoor.
Een bericht aan hen dat ik bezig zou zijn met het formuleren van een reactie zou bovendien een feitelijk onjuiste voorstelling van zaken opleveren. Ik ben immers niet bezig met een inhoudelijke reactie, maar uitsluitend met overdracht en het vinden van nieuwe vertegenwoordiging.
Om die reden acht ik dergelijk contact overbodig en potentieel verwarrend voor de helderheid van het dossier. (…)”
1.16    Vervolgens e-mailde verweerder (nog steeds op 23 oktober 2025) aan klager:
“(…) In het concept dat we bespraken werd de advocaat van Arcade ook eerst aangeschreven in de vorm van het uiteenzetten van uw standpunt en het vooraankondigen van de procedure. De volgende stap zal dus naar ik aanneem niet rauwelijks dagvaarden zijn. Maar als u niet wilt of het niet nodig of verwarrend vindt om de advocaat aan te schrijven, dan respecteer ik dat uiteraard. (…)”
1.17    Daarop verzocht klager verweerder diezelfde dag om het dossier in de huidige staat te laten rusten tot opvolgende rechtsbijstand is geregeld. Vervolgens e-mailde verweerder aan klager, voor zover relevant:
“(…) Op uw verzoek zal ik geen “afhoudertje” toesturen naar de advocaat van uw verhuurder. (…)”
1.18    Op 24 oktober 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder, welke klacht hij heeft aangevuld op 29 oktober 2025, 30 oktober 2025, 31 oktober 2025 en 3 november 2025.
1.19    Op 31 oktober 2025 heeft verweerder aan mr. B een e-mail gestuurd met daarin de volgende tekst:
“(…) Dank voor uw e-mail. Ondergetekende treedt evenwel niet langer op als advocaat voor de heer Bush. Ik vertrouw erop u voldoende te hebben geïnformeerd (…)”
1.20    Per brief van 3 november 2025 heeft de deken van de orde van advocaten Den Haag aan klager laten weten dat hij het verzoek van klager tot aanwijzing van een advocaat op grond van art. 13, lid 1 Advocatenwet afwijst. 

2    KLACHT
De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder het volgende:
a)    verweerder heeft zich onzorgvuldig en ontijdig onttrokken als zijn advocaat en heeft ook na de onttrekking onzorgvuldig gehandeld;
b)    verweerder heeft zijn zorgplicht en partijdigheid geschonden, waarmee hij actief de juridische positie van klager heeft verzwakt;
c)    verweerder heeft klager misleid over de processtrategie;
d)    verweerder heeft zich richting klager bediend van onprofessioneel en denigrerend taalgebruik;
e)    verweerder heeft de interne correspondentielijnen gemanipuleerd; 
f)    verweerder heeft misleidende informatie verstrekt aan de deken Den Haag wat betreft het verzoek van klager inzake de aanwijzing van een advocaat ex artikel 13 Advocatenwet.

3    VERWEER
3.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4    BEOORDELING
Toetsingskader
4.1    Het betreft hier een klacht over de eigen advocaat. Bij de beoordeling van een over een advocaat ingediende klacht dient de tuchtrechter het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen. Bij deze toetsing is de tuchtrechter niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen, gezien het open karakter van de wettelijke normen, daarbij van belang zijn. Of het niet naleven van een bepaalde gedragsregel ook tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen oplevert, hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld. 
4.2    De klacht gaat onder meer over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.
4.3    Op grond van gedragsregel 14 lid 2 dient de advocaat zich terug te trekken, indien tussen de advocaat en zijn cliënt verschil van mening bestaat over de wijze waarop de opdracht moet worden uitgevoerd en dit geschil niet in onderling overleg kan worden opgelost. Wel dient een advocaat die besluit een verstrekte opdracht neer te leggen, dat op zorgvuldige wijze te doen en ervoor zorg te dragen dat de cliënt daarvan zo min mogelijk nadeel ondervindt. De advocaat moet een dergelijke beslissing tijdig kenbaar maken en de cliënt wijzen op de te nemen vervolgstappen.  
Beoordeling 
Klachtonderdeel a)
4.4    Volgens klager heeft verweerder zich onzorgvuldig en ontijdig onttrokken als zijn advocaat en heeft ook na de onttrekking onzorgvuldig gehandeld.
4.5    De voorzitter is van oordeel dat verweerder geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt van het feit dat hij zich heeft teruggetrokken als advocaat van klager. Hiertoe overweegt de voorzitter dat het een advocaat vrijstaat om zijn werkzaamheden te beëindigen en hij daartoe, als de vertrouwensbasis is komen vervallen, zelfs gehouden is (zoals bepaald in de hiervoor weergegeven gedragsregel 14).
4.6    Uit het klachtdossier blijkt afdoende dat er, op het moment dat verweerder zijn werkzaamheden beëindigde, geen vertrouwensbasis meer bestond tussen klager en verweerder zodat verweerder klager niet langer meer kon bijstaan. Er bestond tussen verweerder en klager een verschil van inzicht over hoe de zaak van klager moest worden aangepakt. Dat verschil van inzicht is, mede gelet op een aansprakelijkstelling door klager, onoverbrugbaar gebleken. 
4.7    De voorzitter merkt in dit verband nog op dat verweerder aan klager met zijn e-mail van 14 oktober 2025 (hiervoor geciteerd onder 1.10) nog wel een mogelijkheid heeft geboden voor voortzetting van de opdrachtrelatie. Die mogelijkheid heeft klager niet benut. 
4.8    Het stond verweerder al met al vrij om zich terug te trekken. Van bijzondere omstandigheden die dit op het bewuste moment anders zouden kunnen maken, zoals het dreigen te verstrijken van een termijn, is niet gebleken. 
4.9    Ook na zijn terugtrekking heeft verweerder naar het oordeel van de voorzitter niet onzorgvuldig gehandeld. Dat verweerder, nadat hij zijn werkzaamheden als advocaat van klager had neergelegd, nog een bericht van de advocaat van de wederpartij aan klager heeft doorgestuurd met de suggestie om hierop te reageren, acht de voorzitter anders dan klager niet onzorgvuldig. Dit behoort verweerder juist te doen, zodat klager geen relevante informatie over zijn zaak misloopt. 
4.10    Daarnaast verwijt klager verweerder dat hij in zijn e-mail van 31 oktober 2025 aan de advocaat van de wederpartij niet heeft vermeld op welke datum hij zich aan de zaak had onttrokken. De voorzitter volgt verweerder in zijn verweer dat het noemen van die datum ten onrechte de indruk had kunnen wekken dat de vertraging aan klager was te wijten. Daarbij merkt verweerder terecht op dat het klager vrijstond om de advocaat van Arcade desgewenst zelf te informeren over het moment van de onttrekking en de redenen daarvoor.
4.11    Samenvattend blijkt uit het klachtdossier niet dat verweerder rond het moment dat hij zich terugtrok en daarna onzorgvuldig heeft gehandeld. 
Klachtonderdeel b)
4.12    Klager meent dat verweerder zijn zorgplicht en partijdigheid heeft geschonden, waarmee hij actief de juridische positie van klager heeft verzwakt. De voorzitter overweegt hierover als volgt.
4.13    De kernwaarde partijdigheid brengt mee dat de advocaat uitsluitend instructies ontvangt van zijn cliënt. Dat betekent niet dat hij gehouden is om al hetgeen te doen dat hem door zijn cliënt wordt opgedragen. Verweerder had als advocaat immers de leiding over de behandeling van de zaak, waarbij verweerder vanuit zijn eigen verantwoordelijkheid diende te bepalen met welke aanpak de belangen van klager het beste zouden worden gediend. 
4.14    De omstandigheden dat verweerder een door klager opgestelde conceptbrief niet zonder aanpassingen wilde versturen en dat hij niet bereid was om een bodemprocedure te starten, maken (mede gelet op het overwogene ten aanzien van klachtonderdeel a) aldus niet dat verweerder de kernwaarde partijdigheid heeft geschonden. 
4.15    Ook anderszins is niet gebleken dat verweerder onzorgvuldig is geweest, dat hij de juridische positie van klager heeft verzwakt of dat hij niet heeft gehandeld overeenkomstig hetgeen van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht.  
Klachtonderdeel c)
4.16    Klager is van oordeel dat verweerder hem heeft misleid over de processtrategie. Klager stelt in dit verband dat verweerder tijdens het intakegesprek heeft toegezegd dat er na een sommatiebrief een bodemprocedure zou worden gestart. Verweerder heeft daar tegenover naar voren gebracht dat hij geen toezegging heeft gedaan wat betreft het starten van de door klager gewenste bodemprocedure. Verweerder heeft kennelijk wel gesproken over een mogelijk kort geding, maar ten aanzien daarvan zijn er op verzoek van klager geen verdere stappen gezet. 
4.17    De voorzitter kan op grond van het klachtdossier niet vaststellen dat verweerder ten aanzien van het starten van een bodemprocedure toezeggingen heeft gedaan bij het eerste gesprek. Dit blijkt ook niet uit de (hiervoor onder 1.2 weergegeven) e-mail d.d. 15 juli 2025 van verweerder. Dat verweerder de verwijzing naar een bodemprocedure in de sommatiebrief heeft afgezwakt, ondersteunt bovendien juist het verweer dat verweerder niet bij voorbaat heeft toegezegd een bodemprocedure te zullen starten. Daarnaast heeft verweerder herhaaldelijk aangegeven nog geen positief procesadvies voor een bodemprocedure te kunnen geven.
4.18    Samenvattend blijkt uit het klachtdossier niet dat verweerder klager heeft misleid wat betreft het starten van een bodemprocedure wanneer Arcade aan de door verweerder nog te sturen sommatiebrief geen gevolg zou geven. 
Klachtonderdeel d)
4.19    Dit klachtonderdeel ziet op het gebruik van het woord “afhoudertje”, waarmee verweerder kennelijk heeft bedoeld een bericht aan de advocaat van de wederpartij dat een inhoudelijke reactie volgt. Klager acht het gebruik van dit woord niet passend. 
4.20    Het gebruik van een dergelijke term is tuchtrechtelijk echter niet verwijtbaar. Het gebruik van dit woord valt ruimschoots binnen de keuzevrijheid van de advocaat en is niet onbetamelijk.
Klachtonderdeel e)
4.21    Dit klachtonderdeel ziet op het niet bijvoegen van eerdere e-mail correspondentie bij het reageren op e-mails van klager. Dit vindt klager verwarrend. 
4.22    Het klachtonderdeel faalt. Het stond verweerder vrij om op berichten van klager te reageren zonder daarbij de tekst van eerdere e-mails mee te sturen. Van onzorgvuldigheid of anderszins tuchtrechtelijk relevant handelen of nalaten op dit punt is niet gebleken.


Klachtonderdeel f)
4.23    Volgens klager heeft verweerder misleidende informatie verstrekt aan de deken van de orde van advocaten Den Haag wat betreft het verzoek van klager aan de deken om een advocaat aan te wijzen op grond van artikel 13 Advocatenwet. 
4.24    Ook dit klachtonderdeel slaagt niet. Uit de door klager overgelegde brief d.d. 3 november 2025 van de deken van de orde van advocaten Den Haag blijkt niet dat verweerder de deken onjuist heeft geïnformeerd. Het is, gelet op het voorgaande, immers juist dat verweerder zich heeft teruggetrokken vanwege een verschil van inzicht over de aanpak van de zaak van klager tegen Arcade. 
4.25    Daarbij geldt dat het verzoek van klager tot aanwijzing van een advocaat op grond van artikel 13 Advocatenwet is afgewezen omdat het gaat om een huurkwestie en dus niet vanwege hetgeen verweerder aan de deken heeft gemeld. In huurkwesties is vertegenwoordiging door een advocaat niet voorgeschreven en kan ook bijstand worden verleend door iemand die geen advocaat is. De voorzitter overweegt in dit verband ten overvloede dat onder deze omstandigheden de deken geen advocaat kan aanwijzen op grond van artikel 13 Advocatenwet. 
4.26    Ook anderszins is het de voorzitter niet gebleken dat verweerder de deken van de orde van advocaten Den Haag onjuist of onvolledig heeft geïnformeerd.
4.27    Op grond van het voorgaande zal de voorzitter de klacht in alle onderdelen kennelijk ongegrond verklaren.

BESLISSING
De voorzitter verklaart: 
- de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, in alle onderdelen kennelijk ongegrond.

Aldus beslist door mr. C.S. Schoorl, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. P.H.A. Neuschäfer als griffier en uitgesproken in het openbaar op 7 september 2026.


Griffier         Voorzitter

Verzonden op: 7 september 2026