ECLI:NL:TADRAMS:2026:188 Raad van Discipline Amsterdam 26-496/A/NH
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2026:188 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 07-09-2026 |
| Datum publicatie: | 11-09-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-496/A/NH |
| Onderwerp: | Wat een behoorlijk advocaat betaamt, subonderwerp: Wat in het algemeen niet betaamt |
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing; klacht kennelijk ongegrond. Het betreft een klacht van een advocaat over een andere advocaat. De voorzitter heeft niet kunnen vaststellen dat verweerster klager bewust onjuiste informatie heeft verschaft in haar reactie op de vraag of er al een toevoeging was verstrekt. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 7 september 2026
in de zaak 26-496/A/NH
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerster
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Noord-Holland (hierna: de deken) van 15 juni 2026 met kenmerk mr/ss/26-034/2550483, door de raad digitaal ontvangen op 15 juni 2026, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 7.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier,
uit van de volgende feiten.
1.1 Verweerster heeft mevrouw G bijgestaan in een geschil met haar ex-partner
over een omgangsregeling.
1.2 Op 28 oktober 2025 heeft de ex-partner van mevrouw G bij de rechtbank een
verzoek ingediend tot nihil stelling/verlaging van de alimentatie.
1.3 Verweerster heeft aan mevrouw G aangeboden om haar ten aanzien van het onder
1.2 bedoelde verzoek bij te staan. Mevrouw G heeft dit aanbod afgeslagen.
1.4 Op 6 november 2025 heeft klager aan verweerster een e-mail gestuurd waarin
hij schrijft:
“(…) Tot mij wendde zich mevrouw [G] in de hierboven aangeduide kwestie met het
verzoek haar als advocaat bij te staan. Alvorens ik daar een beslissing over neem
verneem ik graag per omgaande van u:
- Had u zich reeds als advocaat van mevrouw bij de rechtbank Noord-Holland gesteld
en heeft u zich, indien dat het geval was, inmiddels weer onttrokken naar aanleiding
van de mails van mevrouw aan u d.d. 31 oktober en 3 november jl.
- Volgens mevrouw heeft zij u geen opdracht gegeven om een toevoeging aan te vragen.
Kunt u mij bevestigen dat er nog geen toevoeging is aangevraagd?
Ik verneem graag per omgaande doch uiterlijk maandag aanstaande van u. (…)”
1.5 Op 10 november 2025 heeft verweerster per e-mail gereageerd op de e-mail
d.d. 6 november 2025 van klager. Zij schrijft daarin:
“(…) Nee, ik had mij niet gesteld. Er is geen toevoeging aangevraagd voor deze nihil
stelling alimentatie. (…)”
1.6 Klager heeft op 19 november 2025 bij de Raad voor Rechtsbijstand een aanvraag
ingediend voor een bijdrage in de kosten van (rechts)bijstand voor mevrouw G.
1.7 De Raad voor Rechtsbijstand heeft klager per brief van 12 januari 2026 het
volgende meegedeeld:
“(…) Voor het geschil is al een toevoeging verstrekt aan een andere advocaat, onder
nummer 4QT9411. Neemt u de zaak over van deze advocaat, dan kunt u de zaak op uw naam
laten overzetten. In dat geval verzoeken wij u een op de omstandigheden gemotiveerd
overnameverzoek in te vullen en een kopie van de originele toevoeging aan de eerste
advocaat mee te sturen. Als u meent dat dit een andere zaak betreft, dan vernemen
wij graag waarom u een aparte toevoeging aanvraagt (…)”
1.8 Klager heeft vervolgens aan de Raad voor Rechtsbijstand een brief gestuurd
waarin hij heeft geschreven dat er sprake is van verschillende rechtsbelangen, zodat
er een nieuwe toevoeging zou moeten worden verstrekt.
1.9 De Raad voor Rechtsbijstand heeft per brief van 23 januari 2026 gericht aan
mevrouw G laten weten dat de aanvraag voor een bijdrage in de kosten van (rechts)bijstand
wordt afgewezen. Dit omdat de aanvraag ziet op een geschil over de kinderalimentatie
en deze evenals de eerder verleende toevoeging voor de omgangsregeling, het regelen
van zaken na verbreking relatie en de belangen van het kind betreft. Het betreft aldus,
volgens de Raad voor Rechtsbijstand, hetzelfde rechtsbelang.
1.10 Klager heeft op 22 januari 2026 mevrouw G onder meer bericht dat hij niet
bereid is tot overname van de toevoeging waaronder verweerster reeds zeven uur aan
werkzaamheden had gedeclareerd. Dit in verband met het (hiervoor onder 1.9 genoemde)
besluit van de Raad voor Rechtsbijstand per [klaarblijkelijk post gedateerde] brief
van 23 januari 2026.
1.11 Op 23 januari 2026 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerster.
2 KLACHT
De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar
heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerster
dat zij niet heeft gehandeld zoals een behoorlijk advocaat betaamt door het bestaan
van een toevoeging voor rechtsbijstand te verzwijgen.
3 VERWEER
3.1 Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna,
waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
Maatstaf
4.1 Deze zaak betreft een klacht van een advocaat over een andere advocaat. Bij
de beoordeling van een over een advocaat ingediende klacht dient de tuchtrechter het
aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet
omschreven normen. Bij deze toetsing is de tuchtrechter niet gebonden aan de gedragsregels,
maar die regels kunnen, gezien het open karakter van de wettelijke normen, daarbij
van belang zijn. Of het niet naleven van een bepaalde gedragsregel ook tuchtrechtelijk
verwijtbaar handelen oplevert, hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt
door de tuchtrechter per geval beoordeeld. Een advocaat dient verder bij de uitoefening
van zijn beroep integer te handelen en zich te onthouden van enig handelen dat een
behoorlijk advocaat niet betaamt.
Beoordeling klacht
4.2 Klager heeft zijn klacht als volgt toegelicht. Klager verwijt verweerster
dat zij op 10 november 2025 een bestaande toevoeging voor rechtsbijstand heeft verzwegen
toen hij haar expliciet vroeg of er al een toevoeging was verstrekt. Hoewel haar antwoord
formeel juist was voor de alimentatiezaak, heeft zij niet vermeld dat er al een toevoeging
bestond voor de omgangsregeling en dat zij daarop zeven uur had gewerkt en deze werkzaamheden
had gedeclareerd.
4.3 Volgens klager wist of behoorde verweerster te weten dat de Raad voor Rechtsbijstand
de omgangsregeling en de alimentatiekwestie mogelijk als hetzelfde rechtsbelang zou
beschouwen. Door deze informatie niet te verstrekken, heeft verweerster klager ten
onrechte in de veronderstelling gelaten dat geen eerdere toevoeging een nieuwe toevoeging
in de weg stond. Hierdoor heeft klager de zaak aangenomen, terwijl zijn kantoorbeleid
is om geen zaken over te nemen waarvoor al een toevoeging is afgegeven.
4.4 Klager stelt dat hij hierdoor werkzaamheden heeft verricht die niet volledig
zijn vergoed en dat hij zich uiteindelijk als advocaat heeft moeten onttrekken. Daarnaast
betoogt hij dat advocaten ook in hun onderlinge verhouding verplicht zijn elkaar eerlijk,
volledig en transparant te informeren, zeker wanneer expliciet om relevante informatie
wordt gevraagd. Door bewust onvolledige informatie te verstrekken, heeft verweerster
volgens klager de vereiste transparantie, integriteit en collegialiteit geschonden
en hem schade berokkend.
4.5 Verweerster voert aan dat zij klager niet (bewust) onjuist heeft geïnformeerd.
Zij betoogt in dit verband dat zij de vraag of zij klager kon bevestigen dat er nog
geen toevoeging was aangevraagd, technisch correct en naar waarheid heeft beantwoord.
De vraag zag in haar optiek enkel op de alimentatiezaak en dus niet op andere kwesties,
zoals het geschil over de omgangsregeling. Verweerster is verder van mening dat de
alimentatiekwestie en het geschil over de omgangsregeling verschillende rechtsbelangen
betreffen, zoals ook door klager is betoogd tegenover de Raad voor Rechtsbijstand.
4.6 De voorzitter volgt verweerster in haar verweer. De voorzitter heeft niet
kunnen vaststellen dat verweerster klager bewust onjuiste informatie heeft verschaft.
Hoewel haar antwoord op de hiervoor onder 1.4 geciteerde vraag van klager vollediger
had kunnen zijn, is dat op zich onvoldoende voor een tuchtrechtelijk verwijt. Klager
had op zijn beurt kunnen doorvragen omdat uit de reactie van verweerster volgt dat
zij de vraag van klager mogelijk te beperkt interpreteerde.
4.7 De stelling van klager dat verweerster had moeten voorzien dat de Raad voor
Rechtsbijstand de omgangsregeling en de alimentatiekwestie als één rechtsbelang zou
beschouwen, slaagt evenmin. Verdedigbaar is dat beide zaken verschillende rechtsgronden
hebben, zoals klager ook zelf bij de Raad voor Rechtsbijstand heeft betoogd. Dat de
Raad voor Rechtsbijstand de aanvraag van klager toch heeft afgewezen, doet hieraan
niet af.
4.8 Op grond van het voorgaande zal de voorzitter de klacht kennelijk ongegrond
verklaren.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
- de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. W. Aardenburg, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. P.H.A. Neuschäfer als griffier en uitgesproken in het openbaar op 7 september 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 7 september 2026