ECLI:NL:TADRAMS:2026:187 Raad van Discipline Amsterdam 26-525/A/A
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2026:187 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 07-09-2026 |
| Datum publicatie: | 11-09-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-525/A/A |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing; klacht niet-ontvankelijk. De klacht is ingediend buiten de driejaarstermijn van artikel 46g lid 1 onder a) Advocatenwet, waardoor klaagster niet in haar klacht kan worden ontvangen. Niet is gebleken dat klaagster gedurende de driejaarstermijn niet heeft kunnen klagen of dat er sprake is van de in artikel 46g lid 2 Advocatenwet bedoelde situatie. Ook is niet gebleken van bijzondere omstandigheden waardoor termijnoverschrijding verschoonbaar zou zijn. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 7 september 2026
in de zaak 26-525/A/A
naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
over:
verweerster
De voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen
van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam
(hierna: de deken) van 1 juni 2026 met kenmerk 2584443/EvR/JN, door de raad digitaal
ontvangen op 1 juni 2026, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 01 tot
en met 02.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier,
uit van de volgende feiten.
1.1 Verweerster heeft klaagster bijgestaan met betrekking tot een echtscheidingskwestie
in de periode van (omstreeks) juli 2014 tot september 2016.
1.2 Verweerster heeft medio 2016, na overleg met klaagster, een lopende echtscheidingsprocedure
tussen klaagster en de (toenmalige) echtgenoot van klaagster namens klaagster ingetrokken.
1.3 Op 24 maart 2026 heeft klaagster bij de deken een klacht ingediend over verweerster.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt
verweerster het volgende:
a) verweerster heeft klachtwaardig gehandeld door te stellen dat bepaald handelen
van klaagster grenst aan fraude;
b) verweerster heeft klaagster onzorgvuldig geadviseerd in de echtscheidingszaak,
hetgeen heeft geleid tot onnodige kosten.
3 VERWEER
3.1 Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna,
waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
Toetsingskader
4.1 Een klacht over een advocaat moet worden ingediend binnen drie jaar nadat
de klager op de hoogte was of redelijkerwijs kon zijn van de feiten waarover wordt
geklaagd (artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet). Het moet gaan om kennis die de
klager uit objectieve bronnen heeft verkregen. Als deze driejaarstermijn is verlopen
zonder dat klager een klacht heeft ingediend, vervalt in principe het recht om te
klagen. Dit is anders als klager pas na de driejaarstermijn over informatie beschikt
(en ook daar niet eerder over kon beschikken), die gaat over de gevolgen van het handelen
of nalaten waar de klacht over gaat. In dat geval vervalt het recht om te klagen één
jaar nadat klager van de informatie kennis heeft genomen (artikel 46g lid 2 Advocatenwet).
4.2 De achterliggende gedachte van deze regel is dat een advocaat niet tot in
lengte van dagen rekening hoeft te houden met tuchtklachten over zijn doen en laten
in het verleden.
Beoordeling
4.3 Klaagster heeft zich op 24 maart 2026 met een klacht over verweerster tot
de deken gewend. De klacht van klaagster heeft betrekking op het optreden van verweerster
in de periode juli 2014 (aanvang rechtsbijstand) tot september 2016 (einde rechtsbijstand).
4.4 Dit betekent dat de klacht buiten de onder 4.1 omschreven driejaarstermijn
is ingediend, waardoor klaagster niet in haar klacht kan worden ontvangen. Niet is
gebleken dat klaagster gedurende de driejaarstermijn niet heeft kunnen klagen of dat
er sprake is van de in artikel 46g lid 2 Advocatenwet bedoelde situatie.
4.5 Tot slot is niet gebleken van bijzondere omstandigheden waardoor termijnoverschrijding
verschoonbaar zou zijn. Dat klaagster (naar eigen zeggen) pas na een aantal jaar mentaal
en financieel weer in staat was om een nieuwe procedure te starten, geldt niet als
een dergelijke bijzondere omstandigheid. Ook het gegeven dat klaagster na ongeveer
tien jaar door een gesprek met een hulpverlener werd herinnerd aan uitspraken van
verweerster (die door verweerster overigens worden betwist) kan niet als zodanig worden
aangemerkt.
4.6 Op grond van het voorgaande zal de voorzitter de klacht in beide onderdelen
niet-ontvankelijk verklaren.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
- de klacht, met toepassing van artikel 46g, lid 1 onder a Advocatenwet niet-ontvankelijk.
Aldus beslist door mr. M.V. Ulrici, voorzitter, bijgestaan door mr. P.H.A. Neuschäfer als griffier en uitgesproken in het openbaar op 7 september 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 7 september 2026