ECLI:NL:TADRAMS:2026:186 Raad van Discipline Amsterdam 26-600/A/A
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2026:186 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 07-09-2026 |
| Datum publicatie: | 11-09-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-600/A/A |
| Onderwerp: | Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen |
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing; klacht kennelijk ongegrond. In het kader van zijn verweer stond het verweerder vrij om collegiaal overleg te voeren met andere betrokken advocaten en de deken te informeren over geconstateerde patronen in de tuchtklachten. Het stond verweerder eveneens vrij om de president van de rechtbank over klagers handelen te informeren. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 7 september 2026
in de zaak 26-600/A/A
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerder
De voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) van 13 juli 2026 met kenmerk 2547817/JS/AS, door de raad ontvangen op (eveneens) 13 juli 2026, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 00 tot en met 04. Ook heeft de voorzitter kennisgenomen van de door verweerder op 21 juli 2026 nagezonden stukken.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier,
uit van de volgende feiten.
1.1 Klager heeft als gemachtigde van mevrouw M bij de rechtbank Rotterdam (hierna:
de rechtbank) een procedure aangespannen tegen een retailbedrijf (hierna: het bedrijf).
Verweerder staat dit bedrijf als advocaat bij. In die procedure verwijt mevrouw M
het bedrijf dat zij een inzageverzoek op grond van de AVG niet tijdig dan wel onvoldoende
heeft beantwoord.
1.2 Verweerder heeft namens het bedrijf een incidentele conclusie genomen. Daarin
heeft het bedrijf zich, kort gezegd, op het standpunt gesteld dat twijfel bestaat
over de vraag of mevrouw M bestaat danwel of zij de werkelijke eiseres is.
1.3 Naar aanleiding van de incidentele conclusie heeft de rechtbank bij vonnis
van 21 november 2025 bepaald dat een zitting zal plaatsvinden over de identiteit van
eiseres, mevrouw M. Op 29 november 2025 heeft klager namens mevrouw M hierover bij
de deken een tuchtklacht ingediend tegen verweerder.
1.4 Op 3 december 2025 heeft verweerder namens zijn cliënte (het bedrijf) een
brief gestuurd aan de president van de rechtbank Rotterdam. In die brief heeft verweerder
aandacht gevraagd voor de procedures en tuchtklachten die door klager zijn of worden
ingediend. Hij schrijft in dat verband voor zover relevant:
“Na publicatie van dit tussenvonnis van 11 november 2025 (…) ben ik door verschillende
andere advocaten benaderd die hebben aangegeven in procedures te zijn verwikkeld waar
[klager] bij is betrokken. Bij de kantonrechter van uw rechtbank lopen thans ten minste
procedures waarbij mr. (…), mr. (…) en mr. (…) zijn betrokken. In al deze procedures
is [klager] de eiser dan wel de gemachtigde van eiser. Ik begreep ook dat er afgelopen
dinsdag (2 december 2025) een zitting is geweest waarbij [M] de eiser[eres] was, en
[klager] haar gemachtigde, en waarbij (…) de gedaagde was.
Het gaat echter veel verder - ook bij andere rechtbanken lopen thans tientallen
zaken waarbij [klager] is betrokken. Als voorbeeld deel ik een overzicht van de rol
voor Rechtbank Alkmaar, waar maar liefst 14 procedures lopen. In die procedures is
[klager] aangevoerd als eiser, en komen verschillende namen langs als gemachtigde,
waaronder de vermeende eiser in onze procedure (“[M]”), maar ook (…) (een B.V. waarvan
[klager] de enig aandeelhouder en bestuurder is). Voor zover bekend is het grootste
deel van deze procedures geïnitieerd door een inzageverzoek onder de AVG dan wel een
claim over niet ontvangen elektronica (iPhones, Macbooks en iPads). Ook relevant in
deze is een vonnis van Rechtbank Amsterdam van 2 mei 2024 (…) waarin werd gesteld
dat bestelde elektronica niet was bezorgd.
(…)
Op basis van het voorgaande bestaat het sterke vermoeden dat [klager] in strijd
met art. 21 Rv handelt. Omwille van de gevolgen voor een groot aantal in rechte betrokken
partijen vraag ik u om te overwegen:
- de procedures die bij uw rechtbank dienen gezamenlijk te laten behandelen voor
wat betreft de hoedanigheid van en onderlinge samenhang tussen eiser en gemachtigde;
althans
- deze procedures te laten behandelen door dezelfde kantonrechter.”
1.5 Op 22 december 2025 heeft klager namens mevrouw M aan verweerder een e-mail
gestuurd met het oog op het bereiken van een minnelijke regeling, waarbij tevens de
door mevrouw M tegen verweerder ingediende tuchtklacht zou worden ingetrokken.
1.6 Eveneens op 22 december 2025 heeft verweerder op eigen naam en samen met
een aantal andere advocaten, een verklaring gestuurd aan de deken. Deze verklaring
ziet op de tuchtklachten die zijn ingediend tegen de advocaten die de verklaring hebben
ondertekend.
1.7 Op 29 december 2025 heeft klager aan verweerder een e-mail gestuurd waarin
hij schrijft:
“Ik constateer dat u actief mijn privacy schendt. Met dank aan uw collega's. U bent
de lul om het netjes te zeggen”
1.8 Op 7 januari 2026 heeft klager aan de advocaten die de verklaring hebben
ondertekend het volgende bericht gestuurd:
“Heren, dames,
Wat een genoegen om bijgesloten verklaring te lezen.
Uw gezamenlijke verklaring van 22 december 2025 vormt op zichzelf een zelfstandige
verwerking van mijn persoonsgegevens in de zin van de AVG.
In deze verklaring worden onder meer vastgelegd, geanalyseerd en gedeeld: mijn naam,
mijn procesgedrag, vermeende “patronen”, strategische kwalificaties, interne vermoedens
en contextuele duidingen, met het expliciete doel deze informatie bij derden (de tuchtrechter
/ Orde van Advocaten) in te brengen. Dit betreft dossieroverstijgende verwerking,
profilering en gegevensdeling met meerdere ontvangers.
Deze verwerkingen zijn nimmer aan mij gemeld, noch van een rechtsgrond, doelbinding,
bewaartermijn of belangenafweging voorzien, en maken bovendien integraal onderdeel
uit van mijn lopende inzageverzoek ex artikel 15 AVG, waaraan door uw kantoor tot
op heden niet rechtsgeldig is voldaan.
Ik stel vast dat u door deze gezamenlijke verklaring zelf het bestaan van omvangrijke
aanvullende verwerkingen bevestigt, terwijl inzage daarin stelselmatig wordt geweigerd.
Ik zal deze verklaring en de daarmee samenhangende verwerkingen betrekken in de
verdere handhaving van mijn AVG-rechten, alsmede in de lopende en eventuele aanvullende
tuchtprocedures en bij de Autoriteit Persoonsgegevens.
U heeft allen een extra tuchtklacht gescoord!
Het is te treurig voor woorden. De grootste mond op papier, als het over privacy
gaat. Maar ondertussen.
Met vriendelijke groet,
[Klager]”
1.9 Op 8 januari 2026 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door op 22 december
2025 een gezamenlijke verklaring te ondertekenen waarin de persoonsgegevens, het procesgedrag
en de vermeende patronen van klager op dossieroverstijgende wijze zijn verzameld,
geanalyseerd, gekwalificeerd en gedeeld met derden, met als doel de behandeling van
de lopende tuchtklachten te beïnvloeden. Volgens klager concretiseert en bevestigt
de brief van verweerder van 3 december 2025 (waarvan klager ten onrechte dacht dat
deze van 21 januari 2026 dateerde) aan de president van de rechtbank het klachtwaardig
handelen van verweerder.
3 VERWEER
3.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna,
waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
Toetsingskader
4.1 De voorzitter stelt voorop dat de tuchtrechter klachten over advocaten toetst
aan de betamelijkheidsnorm als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet en niet ook aan
de AVG.
4.2 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle
advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen
cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang
van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen
van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen
zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten
niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Verder geldt dat advocaten in het algemeen
niet hoeven af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt
tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.
Beoordeling
4.3 De voorzitter is van oordeel dat verweerder met zijn handelen niet de grenzen
van het betamelijke heeft overschreden. Voor wat betreft het ondertekenen van de verklaring
van 22 december 2025 onderschrijft de voorzitter het standpunt van verweerder dat
geen rechtsnorm eraan in de weg staat dat een advocaat, wanneer hij wordt geconfronteerd
met tegen hem ingediende tuchtklachten, in het kader van zijn verweer en met toestemming
van zijn cliënte collegiaal overleg voert met andere betrokken advocaten en de deken
informeert over geconstateerde patronen in de tuchtklachten. Verweerder heeft onderbouwd
toegelicht dat alle in de verklaring genoemde advocaten zijn geconfronteerd met procedures
en tuchtklachten die door klager voor zichzelf dan wel namens zijn cliënte (mevrouw
M) zijn ingesteld. Om te bepalen hoe zij zich daartegen konden verweren, hebben zij
onderling overleg gevoerd. Verweerder heeft onderbouwd toegelicht dat voor dit overleg
een gerechtvaardigd belang bestond en dat het delen van de naam van klager daarvoor
noodzakelijk was. Omdat de advocaten in verschillende arrondissementen werkzaam zijn,
is vervolgens besloten een gezamenlijke verklaring op te stellen over de ingediende
tuchtklachten. Volgens verweerder was het doel daarvan om de lokale orde duidelijk
te maken dat geen sprake was van zelfstandige tuchtklachten, maar van een bredere
strategie om de betrokken advocaten onder druk te zetten. Het stond verweerder naar
het oordeel van de voorzitter vrij dit aan de deken kenbaar te maken.
4.4 Het stond verweerder eveneens vrij om de president van de rechtbank met zijn
brief van 3 december 2025 over klager te informeren. Verweerder heeft onderbouwd toegelicht
dat hij dit in het belang van zijn cliënte (het bedrijf) en in het kader van de procedure
heeft gedaan, omdat verweerder het sterke vermoeden had dat klager in strijd met artikel
21 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) handelde. Gelet op de mogelijke gevolgen
daarvan voor de betrokken partijen, stond het hem vrij de president te verzoeken de
procedures gezamenlijk, althans door dezelfde kantonrechter te laten behandelen.
4.5 Voor zover klager stelt dat verweerder hiermee in strijd gehandeld heeft
met de AVG, geldt dat voor de tuchtrechtelijke beoordeling uitsluitend de betamelijkheidsnorm
van artikel 46 van de Advocatenwet van belang is. Verweerder kwam daarbij een ruime
vrijheid toe om de belangen van zijn cliënte te behartigen. Die vrijheid heeft verweerder
niet overschreden.
4.6 Voor zover de klacht tot slot ziet op proceshandelingen van verweerder binnen
de lopende civiele procedure geldt dat de beoordeling hiervan aan de civiele rechter
is voorbehouden en buiten het bestek van deze tuchtrechtelijke procedure valt.
4.7 Op grond van het voorgaande zal de voorzitter de klacht, met toepassing van
artikel 46j Advocatenwet, daarom kennelijk ongegrond verklaren.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
- de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. M.V. Ulrici, voorzitter, bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh als griffier en uitgesproken in het openbaar op 7 september 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 7 september 2026