ECLI:NL:TADRAMS:2026:184 Raad van Discipline Amsterdam 26-408/A/NH
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2026:184 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 07-09-2026 |
| Datum publicatie: | 11-09-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-408/A/NH |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Raadsbeslissing; klacht over de advocaat wederpartij. De klacht is gegrond voor zover verweerder in zijn pleitnota onjuiste informatie heeft verkondigd (gedragsregel 8) en zich onnodig grievend over klaagster heeft uitgelaten (gedragsregel 7). De raad ziet af van het opleggen van een maatregel. Klaagster heeft immers op de zitting in de onderliggende procedure op deze informatie kunnen reageren waardoor de schade voor klaagster beperkt is gebleven. Bovendien heeft verweerder op de zitting van de raad inzicht getoond in zijn handelen en kent verweerder geen tuchtrechtelijk verleden. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 7 september 2026
in de zaak 26-408/A/NH
naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
over
verweerder
gemachtigde: mr. M.A. Pool
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 2 juli 2025 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in
het arrondissement Noord-Holland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op heeft de raad het klachtdossier met kenmerk mr/25-338/2503277 van de deken
ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 20 juli 2026. Daarbij
was verweerder met zijn gemachtigde aanwezig. Klaagster is met voorafgaand bericht
niet verschenen. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van
de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 7 (A-Klachtdossier) en 8 en
9 (B-Overige correspondentie). Ook heeft de raad kennisgenomen van de door verweerder
op 29 juni 2026 nagezonden stukken.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier
en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Klaagster was financieel/fiscaal adviseur van mevrouw H (hierna: erflaatster)
en haar overleden echtgenoot. Erflaatster en haar vennootschap G B.V. (hierna: G B.V.)
hebben een bedrag van in totaal € 279.500,- betaald op de privérekening van klaagster,
welk bedrag klaagster via haar onderneming (hierna: de onderneming) heeft beheerd
in een fonds. Na het overlijden van erflaatster in 2018 is er gecorrespondeerd over
uitbetaling van het fonds aan de erven van erflaatster. De executeur is hierover op
enig moment een procedure gestart bij de rechtbank Noord-Holland. Bij vonnis van 1
september 2021 is klaagster veroordeeld om aan de nalatenschap van erflaatster, c.q.
aan de executeur, € 301.500,- te betalen.
2.3 In hoger beroep heeft het gerechtshof Amsterdam klaagster opnieuw veroordeeld
om een bedrag van € 266.200,- aan de erfgenamen te betalen. Klaagster had op dat moment
reeds € 35.300,- voldaan. Omdat klaagster meent dat zij schade heeft geleden door
het handelen van de (eerdere advocaat van de) erfgenamen, heeft zij op 17 oktober
2024 de erfgenamen en de executeur gedagvaard met als doel vergoeding van de schade
die zij stelt te hebben geleden.
2.4 Verweerder heeft in die procedure de erfgenamen en de executeur als advocaat
bijgestaan en namens hen de vorderingen van klaagster betwist. Verweerder heeft op
18 december 2024 een conclusie van antwoord ingediend. In randnummer 9 heeft hij het
volgende opgenomen:
“9. Door erflaatster en haar vennootschap [G B.V.] zijn voor een bedrag ad totaal
€ 279.000,- aan betalingen gedaan op de privérekening van [klaagster]
(…).
26-11-2015 € 77.000,00 [G B.V.]
(…)
16. De erven ontvangen een door [klaagster] opgesteld overzicht. Daaruit blijkt
dat in het verleden de rekening op naam van [G B.V] is samengevoegd met de privérekening
van erflaatster. Zodoende resteert er nog slechts een privérekening, c.q. een vordering
van erflaatster op [klaagster] (…)”
2.5 Bij e-mail van 27 maart 2025 heeft verweerder van één van zijn cliënten informatie
over klaagster ontvangen. In de begeleidende e-mail staat dat de informatie het juiste
beeld schetst over klaagster. Verweerder heeft hierop diezelfde dag geantwoord:
“Nuttig voor de beeldvorming! Hoe is dit afgelopen? Heb je eigenlijk nog een nadere
reactie vanuit Spanje ontvangen?”
2.6 Ten behoeve van de zitting van 12 mei 2025 heeft verweerder een pleitnota
opgesteld waarin hij de van zijn cliënten verkregen informatie heeft verwerkt. Zo
wijst verweerder in zijn pleitnota op een andere persoon die via klaagster had geïnvesteerd
(de heer H) en op een vordering van de ABN Amro N.V. (hierna: de bank). De pleitnota
luidt in zoverre als volgt:
“10. De erfgenamen verwijzen bijvoorbeeld naar de pleitnota namens professor H(…)
(zie productie 11). Daaruit blijkt dat [klaagster] het kennelijk voor elkaar heeft
gekregen om het vermogen van professor H(…) vrijwel geheel te doen verdampen (“van
rijk naar berooid”). Dhr. H(…) is overleden voordat het KiFid een uitspraak kon doen.
11. Er rammelen inmiddels nog vele andere schuldeisers/gedupeerden aan de poorten
van [klaagster]. Ook hypotheekhouder [de bank] wordt kennelijk niet voldaan, reden
waarom [de bank] kennelijk voornemens is om het recht van parate executie op de woning
van [klaagster] in Spanje uit te gaan oefenen (…).”
2.7 Verweerder heeft bij zijn pleitnota een e-mail gevoegd van een Spaans advocatenkantoor
O (hierna: het kantoor O) van 31 maart 2025 aan verweerder gericht. Hierin staat voor
zover relevant:
“Een cliënt, [de bank], wenst juridisch advies in te winnen m.b.t. het mogelijk
opstarten van een uitwinningsprocedure tegen [klaagster] en haar echtgenoot i.v.m.
de hypothecaire lening die beide partijen zijn aangegaan en/of om te proberen tot
minnelijke oplossing te komen.
Bij het opvragen van een uittreksel uit het Spaanse Eigendomsregister m.b.t. de
woning, hebben wij opgemerkt dat er momenteel een beslag is geregistreerd ten gunste
van de nalatenschap van [klaagster]. Als wij nu [de bank] zouden bijstaan bij het
opstarten van een uitwinningsprocedure tegen [klaagster], zou er dan sprake kunnen
zijn van een belangenverstrengeling, tenzij wij uitdrukkelijk door de nalatenschap
van [erflaatster] toestemming krijgen om [de bank] in deze zaak bij te staan.
Gelet op het bovenstaande vernemen we graag van jullie of het mogelijk is om zo
snel mogelijk contact op te nemen met de erfgenamen van [erflaatster] om toestemming
van hen hiervoor te verkrijgen.”
2.8 De rechtbank heeft op de zitting van 12 mei 2025 mondeling uitspraak gedaan
en de vorderingen van klaagster afgewezen.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt
verweerder het volgende:
a) verweerder heeft grievende en feitelijk onjuiste processtukken ingebracht;
b) verweerder heeft ernstige en structurele belangenverstrengeling veroorzaakt;
c) verweerder heeft misleidende vorderingen ingebracht zonder rechtsgeldige overdracht;
d) verweerder heeft ongeoorloofd gebruik gemaakt van vertrouwelijke informatie.
4 VERWEER
4.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar
nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
Toetsingskader
5.1 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle
advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen
cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang
van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen
van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen
zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten
niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel
van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is.
Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie
te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het
voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij
aan de wederpartij toebrengen.
5.2 Bij de beoordeling van de klacht betrekt de raad de gedragsregels. De tuchtrechter
is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen als invulling van de
in artikel 46 Advocatenwet genoemde behoorlijkheidsnorm wel van belang zijn. Of sprake
is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden
en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
5.3 Op grond van gedragsregel 7 dient een advocaat zich niet onnodig grievend
uit te laten. Op grond van gedragsregel 8 dient een advocaat zich te onthouden van
het verstrekken van feitelijke informatie waarvan hij weet, of behoort te weten, dat
deze onjuist is.
Klachtonderdeel a) - grievende uitlatingen en onjuiste processtukken
5.4 Klaagster verwijt verweerder dat hij in zijn pleitnota ten behoeve van de
zitting van 12 mei 2025 een klacht uit 2012 tegen haar voormalig onderneming heeft
opgevoerd over de heer H. Deze klacht was echter al in 2012 afgewezen door de ombudsman,
waarna de klacht opnieuw was ingediend bij het Kifid, die de klacht niet-ontvankelijk
had verklaard. Volgens klaagster heeft verweerder deze irrelevante, verjaarde en inhoudelijk
ongegronde klacht gebruikt in de onderliggende procedure tussen klaagster en de cliënten
van verweerder, met als enig doel haar zwart te maken en haar reputatie te beschadigen.
De suggestie dat klaagster de heer H beroofd zou hebben van zijn vermogen is feitelijk
onjuist, kwetsend en een grove leugen. Daarbij werd ook op de zitting geïnsinueerd
dat de heer H voor en door de uitspraak van het Kifid in 2012 zou zijn overleden,
terwijl hij pas in 2018 is overleden. Klaagster wijst daarnaast op de door verweerder
overgelegde e-mail van het kantoor O van 31 maart 2025, waaruit volgens verweerder
zou blijken dat de bank als hypotheekhouder voornemens zou zijn om de woning van klaagster
in Spanje te laten executeren. Het geschil met deze bank was ten tijde van de zitting
op 12 mei 2025 echter allang opgelost en bovendien voortgekomen uit een fout van de
bank. Van verweerder had verwacht mogen worden dat hij tenminste summier onderzoek
zou doen naar de juistheid van de vordering van de bank die het kantoor O in zijn
e-mail noemt.
5.5 Verweerder betwist dat hij zich onnodig grievend heeft uitgelaten en dat
hij feitelijk onjuiste informatie heeft verstrekt. Over de passage uit zijn pleitnota,
(weergegeven in 2.6 van de feiten) voert verweerder aan dat het voor de beeldvorming
van de rechtbank belangrijk was – en dus in het belang van zijn cliënten – om erop
te wijzen dat ook andere personen die via klaagster hadden geïnvesteerd hun geld niet
terug hebben gezien. Uit zijn pleitnota blijkt volgens verweerder echter niet dat
hij heeft gesuggereerd dat klaagster de heer H heeft beroofd van zijn vermogen. Verweerder
heeft slechts op objectieve wijze uiteengezet wat namens de heer H ten overstaan van
het Kifid is gesteld, waarbij verweerder in het midden heeft gelaten of de stellingen
van de heer H ook juist waren. Hij heeft bewust het woord ‘kennelijk’ gekozen. Het
feit dat de vordering van de heer H uiteindelijk is afgewezen, was verweerder destijds
niet bekend, evenmin als het feit dat de heer H pas in 2018 was overleden. Dat de
vordering van de heer H is afgewezen, betekent niet zonder meer dat klaagster niets
te verwijten valt. Dit blijkt volgens verweerder ook uit het feit dat het Kifid wel
heeft overwogen dat klaagster de heer H onjuist heeft geadviseerd.
5.6 Verder voert verweerder aan dat hij mocht vertrouwen op de juistheid van
de informatie die hij van het kantoor O ontving over de vordering van de bank op klaagster.
Die informatie blijkt ook juist te zijn, alleen was de vordering ten tijde van de
zitting al voldaan. Verweerder merkt in dit kader op dat hij alleen de belangen van
zijn cliënten hoeft te behartigen, en niet tevens die van klaagster. Het lag volgens
hem dan ook niet op zijn weg om te controleren of de vordering van de bank op klaagster
op 12 mei 2025 nog steeds bestond, temeer niet omdat hij de informatie slechts zes
weken eerder had ontvangen. Het feit dat het kantoor O namens de bank executiemaatregelen
wilde treffen, toont aan dat klaagster al een langere periode verzuimd had om de vordering
te voldoen.
5.7 De raad overweegt het volgende. Voorop staat dat een advocaat als partijdig
belangenbehartiger in beginsel het standpunt van zijn cliënt(en) mag verwoorden aan
de hand van de informatie die hij van zijn cliënt(en) ontvangt. Slechts in uitzonderingsgevallen
is een advocaat gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Aan deze
vrijheid zijn echter grenzen verbonden. Een advocaat dient zich immers te onthouden
van uitlatingen waarmee de wederpartij nodeloos wordt geschaad.
5.8 Nu verweerder de van zijn cliënten verkregen informatie in zijn pleitnota
niet slechts heeft aangevoerd ter onderbouwing van het standpunt van zijn cliënten,
maar deze tevens heeft gebruikt om de beeldvorming over klaagster te beïnvloeden en
zijn betoog kracht bij te zetten, mocht van verweerder een verhoogde mate van zorgvuldigheid
worden verwacht bij het verifiëren van zijn bronnen (het uitzonderingsgeval waarover
in 5.7 wordt gesproken) en het weergeven van die informatie. De raad is van oordeel
dat verweerder hier in onvoldoende mate aan heeft voldaan.
5.9 Allereerst had verweerder zijn woorden in zijn pleitnota op een meer zorgvuldige
manier moeten kiezen. Verweerder verwijst in zijn pleitnota naar een pleitnota namens
de heer H, waaruit volgens verweerder “blijkt dat [klaagster] het kennelijk voor elkaar
heeft gekregen om het vermogen van professor H(…) vrijwel geheel te doen verdampen”.
Anders dan verweerder aanvoert heeft hij hiermee niet op objectieve wijze weergegeven
wat namens de heer H ten overstaan van het Kifid is gesteld. Bovendien had verweerder
bij het gebruik van deze pleitnota zich ervan moeten vergewissen of in die zaak uitspraak
was gedaan. De omstandigheid dat zijn cliënten de uitspraak niet konden achterhalen,
ontsloeg verweerder niet van zijn eigen verantwoordelijkheid de uitspraak te verifiëren,
nu een dergelijke uitspraak wordt gepubliceerd. Dit geldt temeer nu verweerder ten
onrechte in zijn pleitnota betoogt dat de heer H is overleden voordat het Kifid uitspraak
heeft kunnen doen, waarmee verweerder impliceert dat het Kifid geen uitspraak heeft
gedaan. Daarnaast mocht van verweerder in dit geval verwacht worden dat hij de informatie
van het kantoor O nader onderzocht vanwege het doel van het gebruik ervan. Anders
dan verweerder is de raad van oordeel dat wel relevant was of de vordering van de
bank op klaagster nog bestond en niet al was voldaan, nu deze informatie werd gebruikt
ter onderbouwing van het standpunt dat sprake was van een patroon van wanbetaling
bij klaagster.
5.10 Gelet op het voorgaande is de raad van oordeel dat verweerder in zijn pleitnota
over beide onderwerpen (in strijd met gedragsregel 8) onjuiste informatie heeft verkondigd
en zich daarmee (in strijd met gedragsregel 7) onnodig grievend over klaagster heeft
uitgelaten. Klachtonderdeel a) is daarmee gegrond.
Klachtonderdeel b) - belangenverstrengeling
5.11 Klaagster stelt dat verweerder in deze kwestie meerdere, onderling conflicterende
rollen heeft vervuld. Zo treedt verweerder op als advocaat van zowel de erven als
de executeur van de nalatenschap, terwijl hij tevens de voormalig directeur van de
vennootschap van erflaatster (G B.V.) was. Verweerder heeft zich pas op 3 januari
2019 laten uitschrijven als directeur van G B.V., direct na de overdracht van het
onroerend goed uit G B.V. Kort daarna is G B.V. opgeheven via turboliquidatie, zonder
enige openbare verantwoording of boekhoudkundige transparantie. Verweerder weigert
toegang te geven tot relevante documenten hierover.
5.12 De raad overweegt dat het klachtrecht niet in het leven is geroepen voor
eenieder, maar slechts voor diegene die door een handelen of nalaten van de advocaat
rechtstreeks in zijn eigen belang is of kan worden getroffen. Klachten die gaan over
het dienen van een tegenstrijdig belang zijn uitsluitend relevant in de verhouding
tussen de cliënten van verweerder onderling. Klaagster staat hier als wederpartij
buiten en heeft geen rechtstreeks eigen belang bij dit klachtonderdeel. Klachtonderdeel
b) is dan ook niet-ontvankelijk.
Klachtonderdeel c) - inbrengen van misleidende vorderingen zonder rechtsgeldige
overdracht
5.13 Klaagster stelt dat verweerder in de conclusie van antwoord een vordering
van € 77.000,- heeft gepresenteerd als een persoonlijk recht van de erven. Deze vordering
blijkt te zijn overgemaakt door G B.V., een rechtspersoon en dus niet door de erven
privé. Daarnaast blijkt de vordering nooit rechtsgeldig te zijn gecedeerd of uit G
B.V. te zijn uitgekeerd aan de erfgenamen en niet te zijn onderbouwd met enig overdrachtsdocument.
Desondanks heeft verweerder gesuggereerd dat deze vordering een privévordering van
zijn cliënten is en heeft hij daarmee de rechter misleid, hetgeen heeft bijgedragen
aan een onterechte claim tegen klaagster privé. Als voormalig directeur van G B.V.
wist verweerder of had hij moeten weten dat de vordering niet aan zijn cliënten toekwam.
5.14 De raad overweegt dat verweerder in de conclusie van antwoord uiteengezet
heeft wat volgens zijn cliënten de achtergrond van de vordering is en waarom zijn
cliënten van mening zijn dat zij aanspraak maken op die vordering. Het stond verweerder
vrij om namens zijn cliënten dit standpunt te verkondigen. Het is de raad daarbij
niet gebleken dat verweerder de rechter met deze informatie heeft misleid. De vraag
of de vordering inhoudelijk juist is valt buiten het bestek van deze tuchtrechtelijke
procedure. Een oordeel daarover is voorbehouden aan de civiele rechter. Van tuchtrechtelijk
verwijtbaar handelen is de raad niet gebleken. Klachtonderdeel c) is daarmee ongegrond.
Klachtonderdeel d) - ongeoorloofd gebruik van vertrouwelijke informatie
5.15 Klaagster stelt dat verweerder vertrouwelijke stukken heeft ingebracht in
de procedure afkomstig van het kantoor O, waaronder interne stukken uit een geschil
met de bank over een technische rentevergoeding (aangaande een privé hypotheek). Als
verweerder deze informatie heeft verkregen via een confrère bij het kantoor O is hier
bovendien mogelijk sprake van schending van de geheimhoudingsplicht.
5.16 De raad stelt vast dat het verwijt in dit klachtonderdeel gaat over het
volgens klaagster inbrengen van vertrouwelijke stukken afkomstig van het kantoor O
en niet om vertrouwelijke informatie afkomstig van klaagster. Klaagster heeft onvoldoende
onderbouwd waarom verweerder deze informatie niet had mogen gebruiken of waarom deze
informatie vertrouwelijk verkregen zou zijn. Mocht het al gaan om informatie die verweerder
vertrouwelijk van het kantoor O heeft ontvangen, dan geldt dat klaagster geen rechtstreeks
eigen belang heeft bij dit klachtonderdeel. In dat geval is het aan het kantoor O
voorbehouden om daarover te klagen. Dit betekent dat klachtonderdeel d) niet-ontvankelijk
is.
6 MAATREGEL
6.1 De raad heeft klachtonderdeel a) gegrond verklaard, omdat verweerder in zijn
pleitnota onjuiste informatie heeft verkondigd (gedragsregel 8) en zich daarmee onnodig
grievend (gedragsregel 7) over klaagster heeft uitgelaten. Hoewel verweerder hiermee
tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld, ziet de raad af van het opleggen van
een maatregel. Klaagster heeft immers op de zitting van het gerechtshof Amsterdam
op deze informatie kunnen reageren waardoor de schade voor klaagster beperkt is gebleven.
Bovendien heeft verweerder op de zitting van de raad inzicht getoond in zijn handelen
en kent verweerder geen tuchtrechtelijk verleden.
7 GRIFFIERECHT
7.1 Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerder op
grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klaagster betaalde griffierecht
van € 50,- aan haar vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk
is geworden. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar
rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart klachtonderdeel a) gegrond;
- verklaart klachtonderdelen b) en d) niet-ontvankelijk;
- verklaart klachtonderdeel c) ongegrond
- bepaalt dat geen maatregel wordt opgelegd;
- veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klaagster.
Aldus beslist door mr. C.S. Schoorl, voorzitter, mrs. M. Bootsma en F.J.J. Baars, leden, bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh als griffier en uitgesproken in het openbaar op 7 september 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 7 september 2026