ECLI:NL:TADRAMS:2026:183 Raad van Discipline Amsterdam 25-880/A/A

ECLI: ECLI:NL:TADRAMS:2026:183
Datum uitspraak: 07-09-2026
Datum publicatie: 11-09-2026
Zaaknummer(s): 25-880/A/A
Onderwerp: Tuchtprocesrecht, subonderwerp: Hoger beroep niet mogelijk
Beslissingen: Beslissing op verzet
Inhoudsindicatie: Raadsbeslissing; verzet ongegrond.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 7 september 2026
in de zaak 25-880/A/A
naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de voorzitter van de raad van discipline van 2 februari 2026 op de klacht van:

klager

over:

verweerder

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1    Op 3 oktober 2024 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2    Op 18 december 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2381079/EvR/MV van de deken ontvangen. 
1.3    Bij beslissing van 2 februari 2026 heeft de voorzitter van de raad (hierna ook: de voorzitter) de klacht gedeeltelijk niet-ontvankelijk verklaard, gedeeltelijk kennelijk niet-ontvankelijk verklaard en gedeeltelijk kennelijk ongegrond verklaard. Deze beslissing is op 2 februari 2026 verzonden aan partijen.
1.4    Bij e-mail van 20 februari 2026 heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter. De raad heeft het verzetschrift op (eveneens) 20 februari 2026 ontvangen.
1.5    Het verzet is behandeld op de zitting van de raad van 20 juli 2026. Daarbij waren klager en verweerder aanwezig. 
1.6    De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd en van het verzetschrift.  


2    VERZET
2.1    Het verzet van klager luidt, samengevat als volgt: 
a)    de voorzitter heeft ten onrechte geoordeeld dat sprake is van hetzelfde feitencomplex en dat de klacht te laat zou zijn ingediend. De voorzitter miskent dat zijn klacht betrekking heeft op nieuwe feiten en nieuwe gedragingen van verweerder;
b)    het standpunt van de voorzitter dat sprake is van een doorlopend feitencomplex is onjuist. Het feit dat procedures voortkomen uit een echtscheiding betekent niet dat alle gedragingen van verweerder als één feitencomplex kunnen worden beschouwd;
c)    de voorzitter heeft ten onrechte geoordeeld dat klager zijn klachten eerder had kunnen indienen. Belangrijke informatie werd pas later bekend;
d)    verweerder heeft twee tuchtrechtelijke maatregelen opgelegd gekregen door de Raad van Discipline en deze zijn bevestigd door het Hof van Discipline. Dit maakt dat nieuwe klachten niet los kunnen worden gezien van dit patroon. Juist bij herhaald tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen dient een klacht inhoudelijk te worden beoordeeld;
e)    de voorzitter heeft de klacht niet inhoudelijk beoordeeld. Hierdoor is niet vastgesteld of verweerder daadwerkelijk de rechter en andere instanties heeft misleid. Het vertrouwen in de advocatuur vereist dat dergelijke gedragingen inhoudelijk worden getoetst. 
2.2    Tegen de vaststaande feiten en de klachtomschrijving komt klager in verzet niet op. 

3    FEITEN EN KLACHT
3.1    Voor de vaststaande feiten en de omschrijving van de klacht verwijst de raad naar de beslissing van de voorzitter. 

4    BEOORDELING

4.1    Voordat de raad de klacht inhoudelijk kan beoordelen moet sprake zijn van een gegrond verzet. Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.
4.2    De raad is van oordeel dat de door klager aangevoerde verzetgronden niet slagen; de voorzitter heeft bij de beoordeling de juiste maatstaf toegepast en heeft rekening gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval. Daarmee hoeft in redelijkheid niet te worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. 
4.3    Omdat het verzet tegen de beslissing van de voorzitter ook verder geen nieuwe gezichtspunten oplevert, is er geen plaats voor nader onderzoek naar de klacht. De raad zal het verzet daarom ongegrond verklaren. 

BESLISSING
De raad van discipline verklaart: 
-    het verzet ongegrond. 

Aldus beslist door mr. C.S. Schoorl, voorzitter, mrs. M. Bootsma en F.J.J. Baars, leden, bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 7 september 2026.


Griffier    Voorzitter


Verzonden op: 7 september 2026