ECLI:NL:TADRAMS:2026:182 Raad van Discipline Amsterdam 26-141/A/NH

ECLI: ECLI:NL:TADRAMS:2026:182
Datum uitspraak: 07-09-2026
Datum publicatie: 11-09-2026
Zaaknummer(s): 26-141/A/NH
Onderwerp:
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Raadsbeslissing; ongegronde klacht over de eigen advocaat in een strafzaak. Van verweerder hoefde niet verwacht te worden dat hij het op ambtseed opgemaakt proces-verbaal in twijfel trok. Geen van de andere professionele procespartijen heeft dat in eerste aanleg gedaan. Het enkele feit dat het de nieuwe advocaat van klager wel was opgevallen dat het proces-verbaal onjuistheden bevatte, betekent niet zonder meer dat het verweerder tuchtrechtelijk verweten kan worden dat het hem niet was opgevallen.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 7 september 2026
in de zaak 26-141/A/NH 
naar aanleiding van de klacht van:

klager 

over

verweerder
gemachtigde: mr. K. Canatan 

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1    Op 18 april 2025 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Noord-Holland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2    Op 24 februari 2026 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk bb/ds/25-223/2489032 van de deken ontvangen. 
1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 20 juli 2026. Daarbij waren klager en verweerder met zijn gemachtigde aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 10. Ook heeft de raad kennisgenomen van de nagezonden stukken van verweerder van 17 maart 2026. 

2    FEITEN
2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2    De ex-partner van klager heeft begin 2022 aangifte tegen klager gedaan wegens stalking. 
2.3    Klager is aangehouden en in april 2022 verhoord. Verweerder heeft klager als piketadvocaat bijgestaan. 
2.4    Aan klager is ten laste gelegd dat: 
“hij op of omstreeks de periode van 18 januari 2022 t/m 28 februari 2022 te Haarlem, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [de ex-partner van klager], door 
- 175 keer te bellen naar [de ex-partner],
- met het oogmerk [de ex-partner], te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen.”
2.5    Op 29 september 2022 is een reclasseringsadvies uitgebracht. Hierin staat voor zover relevant het volgende: 
“3. Analyse delict
[Klager] wordt verdacht van belaging, gepleegd in de periode van 2 januari 2022 t/m 28 februari 2022.
Analyse delict
[Klager] geeft tijdens het bespreken van het delict aan het dossier zelf nog niet ingezien te hebben, daar zijn advocaat dit nog niet heeft ontvangen. Betrokkene is dus niet op de hoogte van de inhoud van het proces-verbaal en kan, naar zijn mening, daardoor nog geen uitspraak doen over zijn schuld, danwel onschuld. Betrokkene geeft wel toe sommige dingen misschien niet goed te hebben gedaan. Desgevraagd geeft hij aan te doelen op de frequentie van het contact met aangeefster. Wanneer ondergetekende hem confronteert met het aantal telefoontjes wat hij op een dag zou hebben gepleegd naar zijn ex, geeft hij aan dit gedaan te hebben omdat hij de sleutels van hun (toen nog gezamenlijke) woning terug wilde. Tevens geeft [klager] aan dat zijn ex-vriendin een bedrag van € 600,- van hun gezamenlijke rekening zou hebben overgemaakt naar haar eigen rekening. Hierbij zou zij betrokkene zonder spullen en met veel vragen hebben achtergelaten. Betrokkene benoemt veel frustratie te hebben gevoeld en de indruk te hebben gehad dat familie en vrienden van zijn ex-partner hem tegen zouden werken. Desgevraagd vertelt betrokkene de sleutels uiteindelijk te hebben ontvangen via de woningcoöperatie. Het geld heeft hij niet teruggekregen.
[Klager] bekent eenmaal naar het huis van aangeefster te zijn gereden. Dit zou tevens zijn geweest om de sleutels in zijn bezit te krijgen. Betrokkene geeft aan aangeefster op de hoogte te hebben gesteld van zijn komst. Hierbij zegt hij ook de politie van tevoren te hebben geïnformeerd, om problemen te voorkomen. Betrokkene vertelt: ''Zij gooide iedere keer allemaal poppetjes ervoor (familie en vrienden), waardoor ik geen andere optie meer zag.
(…)
Houding
[Klager] lijkt maatschappelijk geaccepteerde doelen na te streven en geen pro-criminele houding te hebben. Betrokkene wekt de indruk op het moment hard te werken om zijn doelen te bereiken. [Klager] neemt deels verantwoordelijkheid voor onderhavig feit door te benoemen dat hij ''het misschien niet allemaal goed heeft gedaan''. Desgevraagd geeft hij aan hiermee de frequentie van telefonisch contact te bedoelen. Echter geeft hij aan van mening te zijn dat zijn ex-partner tevens een aandeel heeft gehad in onderhavig feit door wisselende signalen af te geven en door de sleutels van hun gezamenlijke woning niet af te geven.”
2.6    Op 17 oktober 2022 heeft een zitting bij de politierechter plaatsgevonden. Verweerder heeft klager op die zitting bijgestaan en pleitaantekeningen voorgedragen. Ongeveer een week voorafgaand aan de zitting hebben klager en verweerder de zaak besproken. 
2.7    De politierechter heeft klager op 17 oktober 2022 veroordeeld wegens belaging/stalking en aan klager een taakstraf opgelegd van 80 uur waarvan 40 uur voorwaardelijk en subsidiair 40 dagen hechtenis waarvan 20 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Daarnaast is aan klager een schadevergoedingsmaatregel opgelegd van € 1.483,05. 
2.8    Klager is met bijstand van een andere advocaat (mr. J) in hoger beroep gegaan. In zijn schriftuur houdende grieven ex artikel 410 Sv heeft die advocaat bij randnummers 28 en 29 het volgende naar voren gebracht: 
“Als er verder wordt gekeken naar de bijlage bij het voornoemd proces-verbaal, waarin de afzonderlijke telefoontjes worden weergegeven, dan is (…) onder meer (…) te zien dat de uitgaande oproepen dubbel worden weergegeven. Er wordt op exact dezelfde tijdstippen, die tot op de seconde nauwkeurig worden weergegeven, aangegeven dat er tweemaal een uitgaande oproep zou hebben plaatsgevonden. Soms zelfs van meerdere seconden. Dit acht de verdediging onmogelijk. (…).
29. De verdediging verzoekt u dan ook om de politie de opdracht te geven om te onderzoeken (1) hoe het kan dat de oproepen ,dubbel worden weergegeven, (2) of de aangegeven frequentie van de oproepen wel juist is en (3) hoe het zit met de discrepantie tussen de door aangeefster genoemde aantal oproepen en de in het proces-verbaal weergegeven aantal. De verdediging verzoekt u voorts om de politie de opdracht te geven (4) de bevindingen van dit onderzoek weer geven in een proces-verbaal welke aan het dossier dient te worden toegevoegd.”
2.9    Hierop heeft de politie opnieuw onderzoek gedaan en de bevindingen opgenomen in de processen-verbaal van 14 maart 2024 en 25 september 2024. Het gerechtshof heeft bij arrest van 10 oktober 2024 het vonnis van 17 oktober 2022 vernietigd en klager vrijgesproken. Het gerechtshof heeft het volgende overwogen: 
“(…) Het Hof stelt vast dat de verdachte in de tenlastegelegde periode naar de aangeefster heeft gebeld maar dat dit aanmerkelijk minder is geweest dan de tenlastegelegde 175 keer. Uit processen-verbaal van bevindingen van 15 maart 2024 en 25 september 2024 blijkt dat belmomenten dubbel zijn geregistreerd en dat tevens een aantal keer het bellen niet heeft geleid tot een daadwerkelijke verbinding met de telefoon van de aangeefster. Het bellen dat wel tot zodanige verbinding heeft geleid (hierna: telefoontjes) vonden grotendeels plaats op één dag (18 januari 2022). 
Het Hof acht het aannemelijk dat die telefoontjes moeten worden gezien in de context van de “afwikkeling” van de relatie waarbij met name een geldbedrag van € 600,00 en de afgifte van huissleutels zorgde voor onenigheid tussen de verdacht en de aangeefster (…). De verdachte heeft hieromtrent ook op 19 januari 2022 contact gezocht met de Politie. Gelet op het voorgaande is het Hof van oordeel dat, in aanmerking genomen de aard, de duur, frequentie en intensiteit van het bellen en de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden, geen sprake is van belaging, zodat de verdachte dient te worden vrijgesproken.”
2.10    Naar aanleiding van een klacht die klager had ingediend bij het OM, heeft de klachtbehandelaar van het OM klager op 7 maart 2025 het volgende meegedeeld: 
“Geen van de procespartijen in eerste aanleg heeft opgemerkt dat het aantal belmomenten niet zou kloppen. Pas ten tijde van het hoger beroep zijn het aantal belmomenten op verzoek van de verdediging nader beschouwd en is gebleken dat sommige belmomenten niet tot verbinding met de telefoon van het slachtoffer hebben geleid dan wel dat belmomenten dubbel geregistreerd waren.”
2.11    Op 18 september 2025 een bemiddelingsgesprek plaatsgevonden op het kantoor van de deken. Het is niet gelukt de zaak minnelijk op te lossen. 

3    KLACHT
3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder het volgende: 
a)    verweerder had de zitting niet goed voorbereid;
b)    klager heeft zijn eigen strafdossier niet mogen inzien;
c)    verweerder is ervoor verantwoordelijk dat klager in eerste aanleg ten onrechte is veroordeeld. 

4    VERWEER 
4.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan. 

5    BEOORDELING
Toetsingskader 
5.1    Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.
5.2    Bij de beoordeling van de klacht betrekt de raad de gedragsregels. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen als invulling van de in artikel 46 Advocatenwet genoemde behoorlijkheidsnorm wel van belang zijn. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
Klachtonderdelen a) en c)
5.3    Deze klachtonderdelen lenen zich voor een gezamenlijke beoordeling en komen neer op het verwijt dat verweerder de zitting bij de politierechter niet goed heeft voorbereid en verantwoordelijk moet worden gehouden voor het feit dat klager in eerste aanleg door de politierechter ten onrechte is veroordeeld.
5.4    Klager is van mening dat verweerder hem onvoldoende heeft bijgestaan voorafgaand aan de zitting. Hierdoor was klager onvoorbereid op zitting verschenen en was klager niet in staat zichzelf te verdedigen. Volgens klager heeft verweerder zich niet alleen onvoldoende voor hem ingespannen maar bovendien zijn persoonlijke omstandigheden miskend (klachtonderdeel a). Klager is van mening dat hij door toedoen van verweerder in eerste aanleg ten onrechte is veroordeeld. In de tenlastelegging stond dat klager zijn ex-partner in de periode van ongeveer een maand 175 keer had gebeld. Klager heeft verweerder meegedeeld dat dit niet klopte, maar verweerder heeft hiertegen echter geen verweer gevoerd en ook geen ontlastend bewijs aangeleverd, waardoor de politierechter klager heeft veroordeeld. In hoger beroep is klager bijgestaan door mr. J. die heeft op basis van dezelfde stukken geconcludeerd dat het bewijsmateriaal niet klopte. Als gevolg van zijn inspanningen is klager vrijgesproken in hoger beroep. Als verweerder het verweer had gevoerd dat mr. J heeft gevoerd in hoger beroep dan was klager niet veroordeeld in eerste aanleg. Klager heeft hierover een klacht ingediend bij het OM, die hem had meegedeeld dat geen van de procespartijen in eerste aanleg had opgemerkt dat het aantal belmomenten niet klopte en dat pas bij de behandeling in hoger beroep door klagers advocaat hierop is gewezen. Dit bevestigt volgens klager dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld en klager heeft door zijn handelen schade geleden (klachtonderdeel c). 
5.5    De raad overweegt ten aanzien van klachtonderdeel a) dat voldoende is komen vast te staan dat verweerder zich wel degelijk op de zitting bij de politierechter heeft voorbereid. Verweerder heeft onderbouwd aangevoerd dat hij ter voorbereiding op de zitting het strafdossier, de dagvaarding, het reclasseringsrapport en de vordering benadeelde partij (aangeefster) heeft bestudeerd en de relevante jurisprudentie/literatuur erop heeft nageslagen. Daarnaast heeft verweerder ruim een week voor de zitting bij hem op kantoor het dossier met klager besproken en klager uitleg gegeven over de zitting bij de politierechter. Verweerder heeft ter voorbereiding op de zitting twee pleitnota's opgesteld. De eerste pleitnota bevat een preliminair verweer. De tweede pleitnota bevat een bewijsverweer, een strafmaatverweer en een verweer ten aanzien van de vordering benadeelde partij. Verweerder heeft beide pleitnota’s overgelegd. Hiermee stelt de raad vast dat verweerder in ruim voldoende mate aan zijn zorgplicht in dit kader heeft voldaan. Klachtonderdeel a) is in verband hiermee ongegrond. 
5.6    Ook klachtonderdeel c) slaagt niet. Het is de raad onvoldoende gebleken dat het dossier in eerste aanleg verweerder aanleiding had moeten geven om nader onderzoek te laten doen naar de juistheid van het aantal belmomenten opgenomen in het proces-verbaal van de politie. Verweerder heeft aangevoerd dat klager hem in zijn beleving voorafgaand aan de zitting niet heeft geïnformeerd dat het aantal belmomenten niet zou kloppen en dat uit het reclasseringsadvies evenmin bleek dat klager de frequentie van de telefoontjes betwistte. Klager heeft tijdens het klachtonderzoek bij de deken verklaard dat hij het aantal belminuten heeft betwist in het gesprek met verweerder. Tijdens de zitting heeft klager echter aangegeven dat het onderwerp in het geheel niet aan de orde is gekomen. Hierdoor is onduidelijk gebleven wat het standpunt van klager daadwerkelijk is. De raad gaat daarom uit van de juistheid van hetgeen verweerder naar voren heeft gebracht, namelijk dat het aantal belmomenten wel is besproken en klager de juistheid ervan bij deze voorbespreking met verweerder niet duidelijk heeft betwist. Verweerder had hetgeen besproken is schriftelijk moeten vast leggen ter voorkoming van misverstanden (gedragsregel 16 lid 1). De raad zal verweerder het ontbreken hiervan in dit geval niet tegenwerpen gelet op het volgende.   
5.7    De raad is van oordeel dat van verweerder niet verwacht hoefde te worden dat hij het op ambtseed opgemaakt proces-verbaal in twijfel had moeten trekken. Geen van de andere professionele procespartijen heeft dat in eerste aanleg gedaan. Het enkele feit dat het de nieuwe advocaat van klager wel was opgevallen dat het onderzoek naar de belmomenten niet klopte, betekent niet zonder meer dat het verweerder tuchtrechtelijk verweten kan worden dat het hem niet was opgevallen. Zoals volgt uit het toetsingskader in 5.1 is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. Dat is naar het oordeel van de raad niet het geval. Hoewel de raad begrijpt dat het voor klager zeer vervelend is dat hij ten onrechte is veroordeeld in eerste aanleg, kan deze veroordeling niet aan verweerder toegerekend worden. Voor zover klager tot slot stelt dat verweerder zijn persoonlijke omstandigheden heeft miskend en klager verkeerd zou hebben geadviseerd over zijn houding op zitting, heeft de raad dit evenmin kunnen vaststellen. Klachtonderdeel c) is dan ook ongegrond. 
Klachtonderdeel b) 
5.8    Klager stelt dat hij zijn eigen strafdossier niet heeft mogen inzien. Dit klachtonderdeel faalt eveneens. Het is voldoende komen vast te staan dat verweerder de inhoud van het strafdossier met klager heeft besproken. Klachtonderdeel b) is daarmee ongegrond. 

BESLISSING
De raad van discipline:
-    verklaart de klacht ongegrond. 

Aldus beslist door mr. C.S. Schoorl, voorzitter, mrs. M. Bootsma en F.J.J. Baars, leden, bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh als griffier en uitgesproken in het openbaar op 7 september 2026.


Griffier    Voorzitter

Verzonden op: 7 september 2026