ECLI:NL:TADRAMS:2026:181 Raad van Discipline Amsterdam 26-259/A/A
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2026:181 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 07-09-2026 |
| Datum publicatie: | 11-09-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-259/A/A |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Raadsbeslissing; klacht over de advocaat wederpartij ongegrond. Niet gebleken is dat verweerder een (potentiële) getuige heeft beïnvloed of bewust onjuiste informatie heeft verstrekt. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 7 september 2026
in de zaak 26-259/A/A
naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
over
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 21 mei 2025 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in
het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 26 maart 2026 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2494219/JHS/JN
van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 20 juli 2026. Daarbij
waren de gemachtigde van klaagster en verweerder aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal
opgemaakt.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van
de op de inventarislijst genoemde bijlagen 00 tot en met 04.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier
en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Klaagster exploiteert onroerend goed. De heer S is indirect enig bestuurder
van klaagster en tevens de gemachtigde van klaagster in deze procedure (hierna: de
gemachtigde).
2.3 Op 27 juli 2016 heeft klaagster met bedrijf A een overeenkomst gesloten op
grond waarvan klaagster een bedrijfspand verhuurt aan bedrijf A (hierna: de huurovereenkomst).
Hierin is een koopoptie ten gunste van bedrijf A opgenomen. Op 30 mei 2020 heeft bedrijf
A de koopoptie ingeroepen, maar dat is volgens klaagster niet rechtsgeldig gedaan.
2.4 Op 8 juni 2020 heeft klaagster bedrijf A gedagvaard en ontbinding van de
huurovereenkomst en ontruiming van het bedrijfspand gevorderd. Op 18 augustus 2020
heeft bedrijf A conservatoir beslag gelegd op het bedrijfspand. Op 19 oktober 2020
heeft klaagster de huurovereenkomst opgezegd per 31 juli 2021. In het kader van de
ontbindingsprocedure heeft klaagster aan de rechtbank een verklaring overgelegd van
30 november 2020 van de heer K (hierna: K), oud-bestuurder van bedrijf A, over de
huurovereenkomst en de daarin opgenomen koopoptie. In deze verklaring is vermeld:
“Ik kan verklaren, en ben bereid dat onder ede te herhalen, dat ik samen met (…)
op 27 juli 2016 (…) aanwezig ben geweest (…) om de huurovereenkomst (…) te ondertekenen.
(…) De huurvoorwaarden zijn besproken en uit onderhandeld door mij en (…) namens [bedrijf
A]. De heer B(…) heeft zich inhoudelijk niet met het tot standkomen van de huurovereenkomst
bemoeit. (…)
Het is altijd de bedoeling geweest dat [bedrijf A] als huurder zelf die koopoptie
zou uitoefenen en het pand in eigendom zou verwerven. Daarom is een koopoptie in de
huurovereenkomst opgenomen waarbij eigen financiering als voorwaarde is afgesproken.
[Klaagster] had ook belang bij die voorwaarde omdat niet de bedoeling was dat met
het pand zou worden gespeculeerd of de markt op zou worden gegaan. Daarnaast moest
er vanuit Handelsbanken een royement worden afgegeven alvorens de optie in geroepen
kan worden. (…)”
2.5 Bij vonnis van 14 juni 2021 heeft de kantonrechter geoordeeld dat de koopoptie
niet rechtsgelding door bedrijf A was ingeroepen en dat klaagster bevoegd was om de
huurovereenkomst op te zeggen. Verder is voor recht verklaard dat de huurovereenkomst
eindigde op 31 juli 2021. Bedrijf A is tegen dit vonnis in hoger beroep gegaan. Vanaf
dat moment staat verweerder bedrijf A bij.
2.6 Op 14 september 2021 heeft verweerder namens bedrijf A een dagvaarding in
hoger beroep uitgebracht. In het hoger beroep heeft verweerder namens bedrijf A een
aanvullende verklaring van K overgelegd van 14 november 2021. Daarin staat vermeld:
“Naar aanleiding van jouw vragen kan ik het volgende toevoegen aan mijn eerdere
verklaring om het eea duidelijk te maken.
(…) en ik hebben in mei en juni 2016 verschillende (telefoon)gesprekken gehad (…)
met jou over de op te nemen bepalingen in het huurcontract met [klaagster] waaronder
de koopoptie en voorwaarde van toegezegd krijgen van financiering.
Er is toen (…) door jou benadrukt dat wij mochten kopen voor eigen gebruik en niet
middels een doorverkoop constructie de koopoptie zouden mogen uitoefenen. Dat was
voor jullie de reden van de voorwaarden van financiering. Dat begrepen wij en dat
was prima voor ons, immers wij wilden het behouden.(…)”
2.7 Op 6 mei 2022 zijn klaagster en haar gemachtigde een kortgedingprocedure
tegen bedrijf A gestart om het op 18 augustus 2020 op het bedrijfspand gelegde conservatoire
beslag opgeheven te krijgen. De mondelinge behandeling van dit kort geding diende
op 16 mei 2022 bij de rechtbank.
2.8 Op 11 mei 2022 heeft bedrijf A aan verweerder een ongedateerde verklaring
(hierna: de verklaring) gestuurd die afkomstig zou zijn van K. In deze verklaring
is vermeld:
“Beste (…),
In aanvulling op dan wel in afwijking van mijn verklaringen van 30 november 202
en 14 november 2021 (zoals door [klaagster] overgelegd) wens ik graag het volgende
te verklaren:
1. Bij het tot stand komen van de huurovereenkomst tussen [bedrijf A] en [klaagster]
(van 27 juli 2016) is de heer B(…) wel degelijk op de achtergrond betrokken geweest.
(…)
3. [Klaagster] stelt dat een ABC-constructie of een (gedeeltelijke) doorverkoop
niet zou zijn toegestaan. Dit is echter onjuist en hier is ook over gesproken met
(…) ten tijde van het sluiten van de huurovereenkomst. Het was slechts niet de bedoeling
om het pand bijvoorbeeld op Funda te plaatsen omdat dit het pand volgens (…) zou besmetten.
Een onderhandse financieringsafspraak en een (gedeeltelijke) doorverkoop was echter
toegestaan. Daarom is in de koopoptie ook geen verbod op doorverkoop opgenomen.
4. De royementstoestemming die Handelsbanken op 1 juli 2016 heeft verleend, was
geldig voor de gehele duur van de overeenkomst.
(…)
De reden dat ik eerst anders heb verklaard, is hierin gelegen dat [de heer B] en
ik een zakelijk conflict hebben gekregen waarna hij mijn aandelen in bedrijf A heeft
overgenomen.”
2.9 Op 13 mei 2022 heeft verweerder namens bedrijf A de verklaring als productie
overgelegd in de kortgedingprocedure. In de verklaring komt K terug op zijn eerdere
verklaringen en heeft daarmee een ‘draai’ gemaakt. Ook is de verklaring niet in lijn
met de verklaringen van drie andere getuigen.
2.10 Op 23 mei 2022 heeft de gemachtigde van klaagster een gesprek gehad met
K over de getuigenverklaring en vragen gesteld over de ‘draai’ in zijn verklaring.
Dit gesprek is opgenomen en hiervan is een transcriptie overgelegd, die voor zover
relevant als volgt luidt:
“De gemachtigde van klaagster: “Vorige week kwam jij bij mij, dinsdag…”
K: “Ja”
De gemachtigde van klaagster: “En toen had ik net de dag ervoor dat kort geding
gehad”
K: “Oke”
De gemachtigde van klaagster: “en de dag daar weer voor had hij die nepverklaring
van jou ingediend”
K: “Ja”
De gemachtigde van klaagster: “En toen kwam jij bij mij en je zegt; vind het een
grote grap dat er twee tegenovergestelde…”
K: Ik zit er een beetje half… Voor jou euh… wat er gebeurt en dan krijg ik opeens
[advocaten van de heer B] die mailtjes sturen, ik ben er helemaal klaar mee.”
De gemachtigde van klaagster: “ja, dat begrijp ik maar voor mij is het geen grap
als ik een nepverklaring voor mij krijg, valsheid in geschrifte, in een kort geding
die mij tienduizend euro kost. En dan krijg ik een zogenaamde verklaring van jou.
Ik vind dat geen grap en dat meen ik serieus”
K: Ja ik vind het heel leuk dat jullie lopen te vechten, om.. nou goed…, ik heb
zoiets van, dat moeten jullie met zijn tweeën uitzoeken, ik ga me er niet mee bemoeien”
(…)”
De gemachtigde van klaagster: “ook al ben je wanhopig dan nog doe je zoiets niet.
En ik heb ook argumenten, dat is het niet. En ook al was je verklaring niet nep geweest
dan maak ik me er nog geen zorgen over want er liggen vier goede verklaringen en de
omstandigheden die al aantonen dat het nep is, dus ja..”
K: “ja” (op de opname is te zien dat [K] op de uitspraak van [de gemachtigde van
klaagster] bevestigend antwoord met “ja” en daarbij bevestigend drie keer “ja” knikt
met zijn hoofd.)
De gemachtigde van klaagster: “dus ik vind het heel dom en onhandig van je”
K: “ja, maar ja, ik heb zoiets van, hiermee kunnen we wel zorgen dat het klaar is”.
De gemachtigde van klaagster: “Daarom zeg ik, stuur mij een mailtje toe dat die
verklaring niet van jou is dan is dat omstreden (…onverstaanbaar)…en dan denk ik dat
zijn advocaat ook klaar is met hem”
(…)
De gemachtigde van klaagster: “nee, maar wat voor e-mailtje heb je van zijn advocaat
gekregen?”
K: “ja van alles en nog wat euh…wij hadden nog zo’n V.O.F. staan..”
De gemachtigde van klaagster: van O [RvD: de kantoorgenoot van verweerder] kreeg
je dat of een andere..?
K: “nee, van [verweerder].”
2.11 Op 31 augustus 2022 hebben partijen een schikking bereikt.
2.12 Klaagster heeft op 24 februari 2023, aangevuld op 15 maart 2023, een klacht
ingediend over verweerder. Deze klacht is bij de raad geregistreerd onder zaaknummer
24-132/A/A en heeft betrekking op de ongedateerde verklaring van K die verweerder
namens bedrijf A op 13 mei 2022 had ingediend in de kortgedingprocedure tussen klaagster
en bedrijf A. Klaagster is van mening dat deze verklaring (ver)vals(t) was en dat
verweerder deze niet in de lopende procedure(s) had mogen inbrengen.
2.13 De klachtzaak 24-132/A/A is behandeld ter zitting van de raad van 14 juni
2024. De gemachtigde van klaagster heeft de raad, onder verwijzing naar artikel 46d
lid 9 Advocatenwet, ter zitting gevraagd om de klacht over verweerder aan te vullen
met het verwijt dat verweerder in strijd heeft gehandeld met gedragsregel 22 door
e-mails aan K te sturen die tot ongeoorloofde beïnvloeding van getuigen zouden kunnen
leiden.
2.14 Bij beslissing van de raad van 5 augustus 2024 (ECLI:NL:TADRAMS:2024:136)
is de klacht in de zaak 24-131/A/A gedeeltelijk gegrond verklaard. Aan verweerder
is de maatregel van een waarschuwing opgelegd. Naar het oordeel van de raad had verweerder
(onder meer in de procedure waarin verlof werd gevraagd voor het leggen van conservatoir
beslag) bij het overleggen van de ongedateerde verklaring moeten vermelden dat de
verklaring volgens klaagsters advocaat vervalst zou zijn. In de beslissing heeft de
raad het verzoek om aanvulling van de klacht afgewezen omdat het een geheel nieuw
verwijt betrof dat geen onderdeel heeft uitgemaakt van het onderzoek van de deken.
Het hoger beroep hiertegen is ingetrokken.
2.15 Op 21 mei 2025 heeft klaagster een nieuwe klacht over verweerder ingediend.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt
verweerder het volgende:
a) verweerder heeft gehandeld in strijd met de kernwaarden van de advocatuur
en de op hem rustende gedragsregels, in het bijzonder de verplichtingen tot integriteit,
terughoudendheid en zorgvuldigheid in het omgaan met derden en (potentiële) getuigen
door in mei 2022 of enig ander moment per e-mail rechtstreeks contact te zoeken met
K, met het kennelijke doel diens verklaring te beïnvloeden, dan wel ten minste het
risico te aanvaarden daarmee de onafhankelijkheid van deze getuige aan te tasten,
onder meer in de lopende kortgedingprocedure (zitting op 16 mei 2022). Hiermee heeft
verweerder zich actief gemengd in de onafhankelijke positie van een getuige. De verklaring
van deze getuige was van wezenlijk belang voor deze en mogelijk nog andere procedures;
b) verweerder heeft de rechterlijke macht onjuist geïnformeerd door in de vorige
klachtprocedure op de zitting van 14 juni 2024 ten overstaan van de raad te verklaren
geen enkele e-mail aan getuige (K) te hebben gestuurd.
4 VERWEER
4.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar
nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
Ontvankelijkheid klacht: ne bis in idem?
5.1 Verweerder heeft primair aangevoerd dat klaagster niet-ontvankelijk moeten
worden verklaard in deze klachtprocedure vanwege schending van het in artikel 47b
Advocatenwet neergelegde ne bis in idem-beginsel, althans vanwege strijd met de beginselen
van behoorlijk tuchtprocesrecht. Volgens verweerder gaat onderhavige klacht namelijk
over hetzelfde feitencomplex als de klacht uit 2023, waarin een onherroepelijke eindbeslissing
is genomen.
5.2 Dit verweer slaagt naar het oordeel van de raad niet. In het tuchtrecht geldt
het ne bis in idem-beginsel. Dit beginsel is neergelegd in artikel 47b, eerste lid,
Advocatenwet en houdt in dat een advocaat geen tweede maal kan worden berecht voor
een handelen of nalaten waarvoor ten aanzien van hem een onherroepelijk geworden tuchtrechtelijke
eindbeslissing is genomen. Voor de toetsingsnorm met betrekking tot de vraag of sprake
is van schending van het ne bis in idem-beginsel, verwijst de raad naar de uitspraken
van het Hof van Discipline van 20 juni 2025 (ECLI:NL:TAHVD:2025:111) en 10 juli 2023
(ECLI:NL:TAHVD:2023:116). In deze uitspraken is overwogen dat er geen sprake is van
schending van het ne bis in idem-beginsel als de tweede klacht niet gelijk is aan
de eerste. Die situatie doet zich hier voor.
5.3 In deze procedure verwijt klaagster verweerder (kort gezegd) dat hij K een
e-mail heeft gestuurd met het kennelijke doel diens verklaring te beïnvloeden en ten
overstaan van de raad te verklaren geen enkele e-mail aan K te hebben gestuurd. De
eerdere klachtprocedure had daarentegen betrekking op een ongedateerde verklaring
van K die verweerder namens zijn cliënte in (onder meer) een verzoekschriftprocedure
tot het leggen van conservatoir beslag had overgelegd.
5.4 Ook al hebben de klachten een zekere mate van verwevenheid - beide klachten
betreffen immers het tussen bedrijf A en klaagster ontstane geschil over de in de
huurovereenkomst vervatte koopoptie en de in dat kader ingediende verklaring van K
- maar uit het voorgaande volgt dat onderhavige klacht geen herhaling is van de eerder
ingediende en beoordeelde klacht. Dat was voor de raad ook de reden om in de vorige
klachtprocedure de klacht van klaagster niet – ook niet ambtshalve – aan te vullen
met de onderhavige klacht. Het advocatentuchtrecht kent ook geen (wettelijke) verplichting
op grond waarvan een klager gehouden is zijn klachten over een advocaat te concentreren
en deze tegelijkertijd in één tuchtprocedure aanhangig te maken, hoewel dit wel de
voorkeur geniet.
5.5 Verder kan - zoals ook volgt uit de hiervoor genoemde uitspraken van het
hof - in een concreet geval het indienen van een opvolgende klacht in strijd zijn
met de beginselen van behoorlijk tuchtprocesrecht. Daarvan is het de raad in deze
procedure niet gebleken. De klacht is daarmee ontvankelijk.
Inhoudelijke beoordeling
Maatstaf
5.6 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle
advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen
cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang
van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen
van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen
zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten
niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel
van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is.
Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie
te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het
voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij
aan de wederpartij toebrengen.
5.7 Bij de beoordeling van de klachtonderdelen betrekt de raad de in artikel
46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder ook de kernwaarden die in artikel 10a
Advocatenwet zijn uitgewerkt. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels,
maar die regels kunnen als invulling van de in artikel 46 Advocatenwet genoemde behoorlijkheidsnorm
wel van belang zijn. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af
van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
Klachtonderdelen a) en b)
5.8 De klachtonderdelen lenen zich gelet op hun onderlinge samenhang voor een
gezamenlijke beoordeling. Klaagster stelt zich op het standpunt dat verweerder zich
in zijn contacten met K onzorgvuldig heeft opgesteld doordat hij K een e-mail heeft
gestuurd waarmee die zich onder druk gezet heeft gevoeld om een gewijzigde verklaring
af te leggen. Dit blijkt volgens klaagster uit de overgelegde transcriptie van het
gesprek van de gemachtigde van klaagster met K op 23 mei 2022. Hiermee heeft verweerder
handelingen verricht die zouden kunnen leiden tot een ongeoorloofde beïnvloeding van
K als (potentiële) getuige (klachtonderdeel a). Door in de vorige klachtprocedure
op de zitting van de raad van 14 juni 2024 te verklaren geen enkele e-mail aan K te
hebben gestuurd heeft verweerder de raad bovendien bewust onjuist geïnformeerd en
daarmee gehandeld in strijd met gedragsregel 8 (klachtonderdeel b).
5.9 Naar het oordeel van de raad faalt de klacht in beide onderdelen. De raad
overweegt dat het aan klaagster is om haar tuchtklacht voldoende feitelijk en concreet
te omschrijven en met bewijs te onderbouwen, zodat de tuchtrechter de feiten die aan
de klacht ten grondslag liggen, kan vaststellen en beoordelen. Klaagster stelt dat
verweerder een e-mail aan K heeft gestuurd. Volgens klaagster heeft K dit blijkens
de transcriptie van het gesprek op 23 mei 2022 aan de gemachtigde van klaagster meegedeeld.
Klaagster heeft de betreffende e-mail echter niet in het geding gebracht, omdat K
deze vanwege eigen belangen in het onderliggende geschil niet wenste te verstrekken.
Verweerder betwist echter dat hij K een e-mail heeft gestuurd. Naar het oordeel van
de raad heeft verweerder terecht aangevoerd dat het niet aan hem is om te bewijzen
dat hij géén e-mail heeft gestuurd. Desondanks heeft hij onverplicht de ICT-afdeling
van zijn kantoor verzocht onderzoek te verrichten naar de door hem verzonden e-mails.
Uit dat onderzoek is niet gebleken dat verweerder een e-mail aan K heeft gestuurd.
Tegenover deze gemotiveerde betwisting heeft klaagster haar klacht onvoldoende met
bewijs onderbouwd. De transcriptie van het gesprek met K acht de raad hiervoor onvoldoende.
Dat K, aldus klaagster, de e-mail niet wenste te verstrekken komt voor risico van
klaagster. Ook in de overige overgelegde stukken ziet de raad geen aanknopingspunten
voor de juistheid van klaagsters stellingen. De raad komt dan ook tot de conclusie
dat de klacht ongegrond is.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart de klacht ongegrond.
Aldus beslist door mr. C.S. Schoorl, voorzitter, mrs. M. Bootsma en F.J.J. Baars, leden, bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh als griffier en uitgesproken in het openbaar op 7 september 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 7 september 2026