ECLI:NL:TADRAMS:2026:179 Raad van Discipline Amsterdam 26-469/A/NH
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2026:179 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 24-08-2026 |
| Datum publicatie: | 03-09-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-469/A/NH |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing; kennelijk ongegrond. Verweerder heeft na de mondelinge behandeling van de zaak een e-mail gestuurd aan de rechtbank waarin hij verzoekt om duidelijkheid te verschaffen over de termijn waarop vonnis gewezen wordt. Hiermee heeft verweerder geen poging gedaan om de rechter te beïnvloeden als de uitwisseling van de wederzijdse standpunten is afgerond. Verweerders e-mail aan de rechtbank is niet onbetamelijk. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 24 augustus 2026 in de zaak 26-469/A/NH
naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
gemachtigde: mr. W.H. Lindhout
over:
verweerder
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter)
heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement
Noord-Holland (hierna: de deken) van 4 juni 2026 met kenmerk mr/ds/25-473/2530839,
door de raad ook ontvangen op 4 juni 2026, en van de op de inventarislijst genoemde
bijlagen 1 tot en met 6.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier,
uit van de volgende feiten.
1.1 Klaagster is verwikkeld in een civielrechtelijk geschil met [S.] Beheer B.V.
Klaagster heeft [S.] Beheer B.V. gedagvaard op 1 augustus 2024. In juli 2024 had
klaagster al conservatoir beslag laten leggen op een perceel van [S.] Beheer B.V.
1.2 Klaagster wordt in de bewuste procedure bijgestaan door mr. L. Verweerder
staat [S.] Beheer B.V. daarin bij.
1.3 Verweerder heeft op 6 november 2024 een conclusie van antwoord tevens eis
in reconventie ingediend. De rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank)
heeft op 27 november 2024 een mondelinge behandeling bepaald, die plaatsvond op 7
mei 2025. Na een aantal keer uitstel zou op 22 oktober 2025 vonnis worden gewezen
in de zaak.
1.4 Op 26 september 2025 heeft verweerder aan de rechtbank, met een kopie aan
mr. L. een e-mail gestuurd met de volgende tekst:
“Edelachtbare heer, Vrouwe,
Ik benader u […] als advocaat van gedaagde.
Eiser stelt een vordering op cliënte te hebben van € 260.000,00. Ter verzekering
van haar rechten heeft zij – onder meer - conservatoir beslag gelegd op […]. De zaak
is op 25 september 2024 bij uw rechtbank aangebracht. Op 6 november 2024 was het dossier
gereed voor vonnis wijzen. Op 7 mei 2025 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden.
Na drie keer uitstel staat de zaak nu op de rol van 22 oktober 2025 voor vonnis.
Vanzelfsprekend heeft cliënte respect voor de werkdruk bij uw rechtbank. Zij verneemt
wel graag op welke termijn vonnis gewezen wordt. In verband met projectontwikkeling
is het van belang dat op korte termijn duidelijkheid ontstaat over het beslag.
Indien dat op korte termijn niet mogelijk is, is cliënt genoodzaakt een kort geding
aanhangig te maken.
Ik verneem graag van u. […]”
1.5 Eveneens op 26 september 2025 heeft mr. L. aan verweerder de volgende e-mail
gestuurd:
“[...] Geachte confrère,
Op grond van Gedragsregel 21 lid 3 is het u niet toegestaan om zich, zonder mijn
toestemming, tot de rechter te wenden, nu de procedure voor vonnis staat. U hebt dat
eerder vandaag toch gedaan. Met uw e-mail aan de rechter hebt u niet alleen gevraagd
wanneer het vonnis komt, maar, aanvullend op hetgeen door u namens uw cliënte in de
procedure is aangevoerd en gevorderd, het volgende aan de rechter voorgehouden. U
hebt de rechter voorgehouden dat in verband met projectontwikkeling op de locatie
in Den Ilp en het ter plaatse door cliënte gelegde conservatoire beslag er snel een
vonnis zou moeten komen. Verder hebt u de rechter voorgehouden dat anders een kort
geding gevoerd zou moeten worden. Ten slotte hebt u de rechter verzocht om met zijn
vonnis duidelijkheid te geven over voormeld beslag, terwijl daaromtrent eerder geen
vordering door uw cliënte is ingesteld. Dit gaat dus veel te ver, redenen waarom ik
u verzoek uw bericht vandaag in te trekken, met kopie van het intrekkingsbericht aan
ondergetekende. [...]”
1.6 Op 30 september 2025 ontving verweerder van de rechtbank per e-mail het bericht
dat ernaar werd gestreefd om het vonnis op 22 oktober 2025 uit te spreken. Daarnaast
werd aan verweerder bevestigd dat, mocht deze datum onverhoopt niet worden gehaald,
niet meer dan één nader uitstel kon worden verwacht. Verweerder heeft dit bericht
meteen aan mr. L. doorgestuurd.
1.7 Op 22 oktober 2025 heeft de rechtbank vonnis gewezen.
2 KLACHT
De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar
heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet.
Verweerder heeft niet gehandeld zoals een behoorlijk advocaat betaamt door zich
zonder toestemming van klaagster tot de rechter te wenden terwijl de procedure voor
vonnis stond, waarmee hij in strijd handelde met gedragsregel 21 lid 3 en artikel
6.2 van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de rechtbanken
handel en kanton (hierna: “het procesreglement).
3 VERWEER
3.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna,
waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
Toetsingskader
4.1 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle
advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen
cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang
van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen
van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen
zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten
niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel
van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen, juist
is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die
informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen
of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel
dat zij aan de wederpartij toebrengen.
4.2 Daarbij dient de tuchtrechter bij de beoordeling van een tegen een advocaat
ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan
de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven
in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels,
maar die regels kunnen wel van belang zijn, gelet op het open karakter van de behoorlijkheidsnorm
in artikel 46 Advocatenwet.
4.3 Op grond van gedragsregel 21 lid 3 is het een advocaat niet geoorloofd om
zich zonder toestemming van de wederpartij tot de rechter te wenden nadat de uitspraak
is bepaald. Het is niet toegestaan om nadat de zaak voor uitspraak staat, nog nieuwe
argumenten aan te voeren (zie HvD 30 mei 2016, ECLI:NL:TAHVD:2016:96).
Beoordeling
4.4 Naar het oordeel van de voorzitter heeft verweerder met zijn e-mail van 26
september 2025 niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. De strekking van gedragsregel
21 lid 3 is dat voorkomen moet worden dat een partij een poging doet om de rechter
te beïnvloeden als de uitwisseling van de wederzijdse standpunten is afgerond. Gedragsregel
21 lid 3 ziet daarmee op het zogenoemde napleiten. Daarvan was in deze kwestie geen
sprake. Anders dan klaagster betoogt, ziet de voorzitter in de e-mail van verweerder
aan de rechtbank geen poging om de rechter te beïnvloeden nadat de uitwisseling van
de wederzijdse standpunten al was afgerond. Verweerder heeft zich in zijn e-mail niet
uitgelaten over de inhoud van het geschil, maar heeft slechts verzocht om duidelijkheid
te verschaffen over de termijn waarop vonnis gewezen wordt. Dit verzoek heeft verweerder
kort toegelicht door aan te geven dat en waarom zijn cliënte belang had bij het verkrijgen
van duidelijkheid op korte termijn. Zoals verweerder onvoldoende weersproken heeft
aangevoerd, is daarbij geen nieuwe (voor de beoordeling van de zaak) relevante informatie
verstrekt. Anders dan klaagster stelt, heeft verweerder evenmin in de e-mail verzocht
of beoogd om de opheffing van het door klaagster gelegde beslag alsnog onderdeel uit
te laten maken van de procedure. Verweerders e-mail aan de rechtbank is daarmee niet
onbetamelijk.
4.5 Voor zover klaagster stelt dat verweerder heeft gehandeld in strijd met artikel
6.2 van het procesreglement, geldt dat een schending daarvan op zichzelf geen grond
voor een tuchtrechtelijk verwijt vormt, maar onder omstandigheden wel onbetamelijk
kan zijn. Gelet op het voorgaande is hiervan in het onderhavige geval echter geen
sprake.
4.6 De klacht is daarom kennelijk ongegrond.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. K.M. van Hassel, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. P.H.A. Neuschäfer als griffier en uitgesproken in het openbaar op 24 augustus 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 24 augustus 2026