ECLI:NL:TADRAMS:2026:178 Raad van Discipline Amsterdam 26-455/A/A

ECLI: ECLI:NL:TADRAMS:2026:178
Datum uitspraak: 24-08-2026
Datum publicatie: 03-09-2026
Zaaknummer(s): 26-455/A/A
Onderwerp: Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen
Beslissingen: Voorzittersbeslissing
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing; klacht over de advocaat wederpartij. Verweerster heeft in haar verweerschrift met de nodige terughoudendheid gesproken over een vermoeden van fraude met het chargebackproces en niet, zoals klager stelt, van een beschuldiging die als feit wordt gepresenteerd. Verder mocht verweerster zich voor de in haar verweerschrift weergegeven feiten en omstandigheden baseren op het door haar cliënte verschafte feitenmateriaal. Geen sprake van schending van gedragsregels 7 en 8.

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 24 augustus 2026 
in de zaak 26-455/A/A

naar aanleiding van de klacht van:

klager

over:
     
verweerster

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) van 2 juni 2026 met kenmerk 2505839/JS/AS, door de raad ontvangen op (eveneens) 2 juni 2026, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 00 tot en met 04. Ook heeft de voorzitter kennisgnomen van het door verweerster op 25 juni 2026 nagezonden stuk. 

1    FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1    International Card Services B.V. (hierna: ICS) geeft creditcards uit. Klager heeft op 14 april 2025 bij het Klachteninstituut Financiële Dienstverlening (hierna: Kifid) een klacht over ICS ingediend. Die klacht betreft de afwijzing van een door klager bij ICS aangevraagde restitutie (chargeback) van een internetaankoop van een Rolex-horloge ter waarde van € 10.790,-, die klager met zijn met zijn ICS-creditcard had gedaan.
1.2    Verweerster heeft ICS in deze klachtprocedure als advocaat bijgestaan en heeft op 23 juni 2025 namens haar cliënte (ICS) een verweerschrift ingediend. Hierin is onder randnummer 33 het volgende opgenomen:
“De bevindingen en daaruit voortvloeiende vermoedens van ICS zijn voor ICS dermate sterk dat zij op 10 juni 2025 aangifte gedaan heeft tegen de Consument bij de Nationale Politie Eenheid Rotterdam wegens het vermoeden van fraude met het chargebackproces (als Bijlage 6 wordt de ontvangstbevestiging van de aangifte overgelegd). Ook de onderhavige bestelling maakt deel uit van de aangifte. ICS doet niet “zomaar” aangifte tegen de klant. ICS doet dat alleen als zij een grondig en naar haar oordeel overtuigend dossier heeft. Naar de mening van ICS is dat hier het geval.”
1.3    Op 13 juli 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerster. 

2    KLACHT
2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerster dat zij in haar verweerschrift van 23 juni 2025 heeft geschreven dat sprake zou zijn van een “vermoeden van fraude met het chargebackproces” en dat tegen klager aangifte is gedaan, zonder feitelijke grondslag of toetsbare onderbouwing.

3    VERWEER
3.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4    BEOORDELING
Maatstaf 
4.1    Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen. Daarbij heeft te gelden dat een advocaat bij uitingen over strafbare feiten of onrechtmatige gedragingen de nodige terughoudendheid in acht moet nemen. 
4.2    Bij de beoordeling van een over een advocaat ingediende klacht dient de tuchtrechter het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen. Bij deze toetsing is de tuchtrechter niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen, gezien het open karakter van de wettelijke normen, daarbij van belang zijn. Of het niet naleven van een bepaalde gedragsregel ook tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen oplevert, hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
4.3    Op grond van gedragsregel 7 dient een advocaat zich niet onnodig grievend uit te laten.
4.4    Op grond van gedragsregel 8 dient een advocaat zich te onthouden van het verstrekken van feitelijke informatie waarvan hij weet, of behoort te weten, dat deze onjuist is. 
4.5    De voorzitter overweegt het volgende. Anders dan klager stelt, beschuldigt verweerster klager niet zelf van fraude; zij geeft in haar verweerschrift slechts het standpunt van haar cliënte weer en dat is ook haar taak als advocaat van ICS. Daarbij wordt in het verweerschrift met de nodige terughoudendheid gesproken over een vermoeden van fraude met het chargebackproces en niet, zoals klager stelt, van een beschuldiging die als feit wordt gepresenteerd. Van onnodig grievende uitlatingen - gedragsregel 7 - is binnen deze context dan ook geen sprake.  
4.6    Zoals volgt uit het in r.o. 4.1 weergegeven toetsingskader, mocht verweerster zich voor de in haar verweerschrift weergegeven feiten en omstandigheden baseren op het door haar cliënte verschafte feitenmateriaal. Verweerster heeft het vermoeden van fraude onderbouwd met bewijs dat ICS haar heeft verschaft. Daarbij zaten twee geanonimiseerde bladzijdes van de aangifte, zodat verweerster geen reden had te twijfelen aan het bestaan van die aangifte. Dat verweerster feiten heeft verkondigd waarvan zij wist dat deze inhoudelijk onjuist zijn, zoals klager haar verwijt, is dan ook niet komen vast te staan. Daarbij merkt de voorzitter op dat de vraag of het standpunt van ICS inhoudelijk juist is, in onderhavige klachtprocedure niet ter toetsing voorligt. Die vraag moet in het onderliggende geschil beantwoord worden. 
4.7    Voor zover klager stelt dat hij niet is gehoord in het kader van de aangifte, geldt dat dit verweerster niet kan worden aangerekend. Het was aan de politie om te bepalen of klager moest worden gehoord. Als de politie steken heeft laten vallen, valt dit buiten het bestek van de klachtprocedure. Het stond verweerster vrij om in haar verweerschrift een feitelijke weergave op te nemen van het feit dat er aangifte was gedaan en welke stappen ICS had genomen. Zoals verweerster heeft toegelicht, was het in het belang van ICS om, bij het voeren van verweer, deze informatie te vermelden; de beoordeling van de Kifid-klacht draaide immers erom of het chargebackverzoek terecht was afgewezen. Daarnaast stond het verweerster vrij te vermelden dat in België (mogelijk) ook aangifte tegen klager is gedaan in verband met de aankoop het Rolex-horloge. Overeenkomstig de hiervoor vermelde maatstaf hoefde zij daarbij niet af te wegen of het voordeel dat zij voor haar cliënte hiermee wilde bereiken, opwoog tegen het nadeel dat zij aan klager toebracht. 
4.8    Dat verweerster in haar verweerschrift gebruik heeft gemaakt van strafrechtelijk beladen terminologie zonder feitelijke grondslag of toetsbare onderbouwing, is niet komen vast te staan. De termen die in het verweerschrift voorkomen, worden, zoals gezegd, uitsluitend gebruikt om de situatie feitelijk weer te geven. Evenmin is gebleken van suggestieve formuleringen zonder context, bewijs of directe relevantie. 
4.9    De voorzitter komt op grond van het voorgaande tot de slotsom dat verweerster de grenzen van het betamelijke niet heeft overschreden, zodat de voorzitter de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, dan ook kennelijk ongegrond zal verklaren. Al hetgeen klager verder naar voren heeft gebracht kan de voorzitter niet tot een ander oordeel leiden. 

BESLISSING
De voorzitter verklaart: 
-    de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond. 

Aldus beslist door mr. K.M. van Hassel, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh als griffier en uitgesproken in het openbaar op 24 augustus 2026


Griffier          Voorzitter

Verzonden op: 24 augustus 2026