ECLI:NL:TADRAMS:2026:177 Raad van Discipline Amsterdam 26-466/A/A

ECLI: ECLI:NL:TADRAMS:2026:177
Datum uitspraak: 10-08-2026
Datum publicatie: 21-08-2026
Zaaknummer(s): 26-466/A/A
Onderwerp:
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Vereiste communicatie met de cliënt
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Beleidsvrijheid
Beslissingen: Voorzittersbeslissing
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing. Klacht over eigen advocaat. Geen sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen. Het is aan verweerster als advocaat om in het belang van klager af te wegen welke stappen er moeten worden gezet en wat het risico is van een eventuele te starten procedure. Het zou kunnen dat klager bepaalde wensen had ten aanzien van de verdeling van de schulden en de wijziging van het hoofdverblijf van de dochter van partijen en de alimentatie, maar verweerster is niet gehouden om deze wensen klakkeloos uit te voeren, zeker niet als zij dit niet in het belang vindt (van de procespositie) van klager. Klacht is kennelijk ongegrond.

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline
in het ressort Amsterdam

van 10 augustus 2026 
in de zaak 26-466/A/A 

naar aanleiding van de klacht van:

klager

over:

verweerster

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) van 3 juni 2026 met kenmerk 2533898/EvR/BF, door de raad digitaal ontvangen op dezelfde datum, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 00 tot en met 04. Daarnaast heeft de voorzitter kennisgenomen van de e-mail met bijlagen van 25 juni 2026 van verweerster.

1    FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1    Klager is verwikkeld in een echtscheidingsprocedure en samenhangende kwesties met zijn ex-echtgenote. Eind maart heeft de ex-echtgenote een verzoekschrift tot het treffen van voorlopige voorzieningen bij de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) ingediend.
1.2    Verweerster heeft klager vanaf 19 april 2025 bijgestaan.
1.3    Op 21 april 2025 heeft verweerster de advocaat van de ex-echtgenote gemaild met het verzoek om medewerking voor de verkoop van de woning en het verzoek om afspraken te maken over een omgangsregeling en de financiën. 
1.4    Op 8 mei 2025 heeft de ex-echtgenote bij de rechtbank een verzoekschrift tot echtscheiding ingediend.
1.5    Op 12 juni 2025 heeft bij de rechtbank een kort geding plaatsgevonden over vervangende toestemming voor verkoop van de woning. Deze toestemming is op 26 juni 2025 verleend, waarna de woning is verkocht.
1.6    Op 30 juni 2025 heeft verweerster namens klager in de echtscheidingsprocedure een verweerschrift ingediend waarin is verzocht om boedelverdeling, bepaling hoofdverblijf van de dochter van partijen bij klager en om afwijzing van de alimentatieverzoeken van de ex-echtgenote.
1.7    Op 7 juli 2025 heeft de rechtbank het verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen op zitting behandeld. Verweerster heeft namens klager verweer gevoerd en gevraagd om toevertrouwing van de dochter van partijen aan klager.
1.8    Op 21 juli 2025 heeft de rechtbank het tijdelijk gebruik van de woning aan de ex-echtgenote toegekend en de dochter van partijen aan de ex-echtgenote toevertrouwd. Dezelfde dag heeft verweerster deze beschikking van de rechtbank aan klager gemaild. In deze e-mail heeft verweerster vermeld dat zij van 24 juli 2025 tot en met 24 augustus 2025 met vakantie is.
1.9    Op 25 augustus 2025 heeft verweerster klager telefonisch gesproken.
1.10    Op 4 tot en met 8 september 2025 heeft verweerster met klager gemaild over de inschrijving van het minderjarige kind van partijen op een peuterspeelzaal.
1.11    Op 12 september 2025 heeft verweerster klager gemaild over de inschrijving van het minderjarige kind van partijen bij een peuterspeelzaal:
‘Er gaat volgens mij wat is in de communicatie. Ik ging ervan uit dat u alsnog akkoord ging met de inschrijving van [de dochter] in Assendelft waar zij dus in oktober al mee kan beginnen. U heeft [de dochter] zonder overleg ergens anders ingeschreven waar een wachtlijst is. Dit gaat dus niet helemaal goed en komt eigenlijk op hetzelfde neer als wat mevrouw heeft gedaan want ook in deze email zegt de opvang dat het door één ouder kan worden gedaan. Wij kunnen het hier vanmiddag over hebben want ik geloof dat we niet meer op dezelfde lijn zitten.’
Dezelfde dag heeft verweerster op haar kantoor gesproken met klager en zijn zus.
1.12    Op 16 oktober 2025 heeft de advocaat van de ex-echtgenote een overzicht van de inboedel aan verweerster gemaild met het verzoek dat overzicht door te sturen aan klager. Dezelfde dag heeft verweerster deze e-mail aan klager doorgestuurd.
Dezelfde dag heeft klager verweerster gemaild met het verzoek om wijziging van de beschikking van 21 juli 2025 of het indienen van een nieuw verzoek in de hoofdzaak, omdat hij niet meer werkt en de volledige zorg van de dochter van partijen op zich wil nemen.
1.13    Op 24 oktober 2025 heeft verweerster klager via e-mail gevraagd om de benodigde documenten te sturen over ‘het feit dat u niet werkt’.
1.14    Op 27 oktober 2025 heeft klager verweerster gemaild over zijn wensen ten aanzien van de boedelverdeling, de kinderalimentatie en verzorging van de dochter van partijen.
1.15    Op 6 november 2025 hebben klager en verweerster telefonisch contact met elkaar gehad. Dezelfde dag heeft klager bij de deken een klacht over verweerster ingediend.

1.16    Op 12 november 2025 heeft verweerster de beëindiging van de opdracht door klager aan klager bevestigd. Daarbij heeft verweerster opgemerkt:
‘Wat betreft uw emailcorrespondentie heb ik enkel aangegeven dat ik geen email heb ontvangen met betrekking tot uw huisarts.

Wat betreft de toevoeging kan ik u melden dat ik een aanvraag heb gedaan voor de boedelscheiding omdat er al een echtscheidingsprocedure loopt in Turkije. Hier is geen man overboord omdat de toevoeging kan worden gemuteerd. Ik heb geen andere toevoegingen voor deze onderwerpen aangevraagd omdat de wijzigingsverzoeken onder 1 toevoeging vallen. Deze zaken zouden worden gestart nadat vast zou komen te staan dat uw ex geen woning heeft kunnen krijgen en u in inkomen erop achteruit bent gegaan. Hiervan is op dit moment nog geen sprake.

U heeft mij verder gevraagd om de schulden te verdelen en daarvan heb ik u aangegeven dat dit een onderwerp is voor de boedelprocedure. Verder heb ik u uitgelegd dat partijen in principe beide gelijkelijk draagplichtig zijn voor de schulden en dat als er één meer betaalt, je een vordering hebt op de andere partij. U heeft mij verteld dat u niet aflost op de schulden. Zodoende is er ook nog geen vordering op de andere partij.

Uw nieuwe advocaat kan contact met mij opnemen voor het dossier. Ik wens u het beste toe.’

2    KLACHT
2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerster een gebrek aan communicatie, het niet opvolgen van zijn verzoeken en het onvoldoende voortvarend behandelen van zijn dossier. 
Klager heeft verweerster sinds eind augustus 2025 herhaaldelijk geprobeerd telefonisch en per e-mail contact met verweerster te krijgen over zijn dossier en haar gevraagd om actie te ondernemen ten aanzien van de verdeling van schulden en inboedel, de herberekening van de kinderalimentatie, de wijziging van de zorgregeling en van zijn draagkracht en inkomenssituatie. Verweerster heeft hierop niet gereageerd.
Verweerster heeft diverse e-mails van de advocaat van de ex-echtgenote aan klager doorgestuurd. Daarop heeft klager gereageerd, gevraagd om uitleg en om te bespreken welke stappen ondernomen moesten worden. Verweerster heeft hierop niet gereageerd.
Eind oktober 2025 heeft klager verweerster geprobeerd te bellen. Verweerster drukte het gesprek weg en sms’te dat zij klager later zou bellen. Op 5 november 2025 heeft klager verweerster opnieuw gebeld, maar nam zij niet op. Op 6 november 2025 heeft klager verweerster gebeld en gaf zij aan geen tijd te hebben om op te nemen en dat zij geen brief of e-mail van klager had ontvangen.
Begin november 2025 bleek dat verweerster bij de Raad voor Rechtsbijstand alleen een toevoeging had aangevraagd voor de verdeling van de boedel, terwijl klager haar diverse keren heeft gevraagd ook de andere onderdelen van zijn zaak op te pakken. Hierdoor is geen voortgang geboekt en heeft klager het vertrouwen in verweerster verloren. Klager heeft de samenwerking met verweerster daarom beëindigd.
2.2    De voorzitter zal bij de beoordeling ingaan op de standpunten van klager.

3    VERWEER
3.1    Verweerster voert verweer tegen de klacht en betwist dat zij tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. In dat verband voert verweerster aan dat het feit dat zij twee keer de telefoon niet heeft opgenomen toen klager belde niet betekent dat er een gebrek is aan communicatie. Daarbij merkt verweerster op dat klager aanzienlijke moeite heeft met de informatie die zij met hem communiceert, klager wenst die niet te accepteren. Volgens verweerster heeft zij dit ook met klager besproken op 12 september 2025. 
Verder voert verweerster aan dat haar antwoord op de verzoeken van klager over de verdeling van schulden en de wijziging van het hoofdverblijf van de dochter van partijen en de alimentatie steeds hetzelfde is gebleven. Volgens verweerster wenst klager niet te accepteren dat het enkele feit dat hij thuis zit en ziek is niet met zich meebrengt dat daarom het hoofdverblijf van de dochter van partijen moet worden gewijzigd of dat de dochter aan hem moet worden toevertrouwd. Daarbij merkt verweerster op dat zij het wijzigingsverzoek niet heeft geweigerd, maar dat zij dat mede in het belang van klager niet te voorbarig kan doen. Volgens verweerster heeft zij klager tijdens een gesprek op  
6 november 2025 verteld dat zij geen informatie van zijn huisarts heeft ontvangen en ook geen loonspecificaties of bewijs dat het inkomen van klager lager is geworden.
Tot slot voert verweerster aan dat gelet op het procesverloop en de communicatie met klager en met de wederpartij geen sprake is van vertraging in het dossier.
3.2    De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4    BEOORDELING
Toetsingskader
4.1    Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.
Klacht is kennelijk ongegrond
4.2    De voorzitter kan op grond van het klachtdossier niet vaststellen dat verweerster op enigerlei wijze tuchtrechtelijk verwijtbaar ten opzichte van klager heeft gehandeld. Uit de overgelegde stukken blijkt dat er regelmatig contact tussen klager en verweerster is geweest via telefoon en e-mail over de wensen van klager en de mogelijkheden ten aanzien van de boedelverdeling, de kinderalimentatie en de verzorging van de dochter van partijen. Daarnaast heeft verweerster onweersproken aangevoerd dat er op  
12 september 2025 ook een bespreking op haar kantoor is geweest waar klager met zijn zus aanwezig was. Uit de overgelegde e-mails blijkt dat verweerster belangrijke documenten en e-mails van de wederpartij aan klager heeft doorgestuurd en dat zij ook inhoudelijk op e-mails van klager heeft gereageerd. De omstandigheid dat verweerster een aantal keer haar telefoon niet heeft kunnen opnemen toen klager belde, betekent niet dat sprake is van een gebrek aan communicatie. Voor zover klager verweerster in dit verband ook een verwijt maakt over het laatste telefoongesprek met verweerster dat hij als onprettig en respectloos heeft ervaren, merkt de voorzitter op dat klager dit verwijt onvoldoende met feiten heeft onderbouwd.
4.3    Ten aanzien van het verwijt dat zij verzoeken van klager niet heeft opgevolgd, heeft verweerster aangevoerd dat zij als advocaat de verplichting heeft om een deugdelijk verzoek te formuleren en niet om op commando van de cliënt een procedure te starten als zij voorziet dat die procedure te voorbarig is of geen kans van slagen heeft. De voorzitter kan verweerster hierin volgen. Het is aan verweerster als advocaat om in het belang van klager af te wegen welke stappen er moeten worden gezet en wat het risico is van een eventuele te starten procedure. Het zou kunnen dat klager bepaalde wensen had ten aanzien van de verdeling van de schulden en de wijziging van het hoofdverblijf van de dochter van partijen en de alimentatie, maar verweerster is niet gehouden om deze wensen klakkeloos uit te voeren, zeker niet als zij dit niet in het belang vindt (van de procespositie) van klager.
4.4    Tot slot kan de voorzitter op grond van de stukken, waaronder de door verweerster namens klager ingediende processtukken, de e-mailcorrespondentie tussen klager en verweerster en de overige (telefonische) contactmomenten van verweerster met klager, niet vaststellen dat verweerster in het dossier van klager niet voortvarend heeft gehandeld. Het lijkt klager hier te gaan over de door hem gewenste indiening van verzoeken voor wijziging van het hoofdverblijf van de dochter van partijen en van de alimentatie. Zoals hierover al overwogen was verweerster niet gehouden om deze wijzigingsverzoeken namens klager in te dienen als zij dit niet in het belang van klager vond. Het kan zo zijn dat klager het hiermee niet eens is, maar dat betekent niet dat verweerster iets te verwijten valt. Over de aangevraagde toevoeging voor haar bijstand aan klager heeft verweerster uitleg gegeven in haar e-mail aan klager van 12 november 2025. De voorzitter kan verweerster hierin volgen.   
Conclusie
4.5    Op grond van het voorgaande zal de voorzitter de klacht, met toepassing van artikel 46j lid 1 onder c Advocatenwet, in alle onderdelen kennelijk ongegrond verklaren.

BESLISSING
De voorzitter verklaart de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, in alle onderdelen kennelijk ongegrond.

Aldus beslist door mr. S.D. Arnold, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door  
mr. A.E. van Oost als griffier en uitgesproken in het openbaar op 10 augustus 2026.

Griffier                 Voorzitter
 

Verzonden op: 10 augustus 2026