ECLI:NL:TADRAMS:2026:176 Raad van Discipline Amsterdam 26-620/A/NH

ECLI: ECLI:NL:TADRAMS:2026:176
Datum uitspraak: 10-08-2026
Datum publicatie: 21-08-2026
Zaaknummer(s): 26-620/A/NH
Onderwerp: Wat een behoorlijk advocaat betaamt, subonderwerp: Wat in het algemeen niet betaamt
Beslissingen: Voorzittersbeslissing
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing. Klacht van een derde over een advocaat. Geen opdrachtrelatie. Verwachtingspatroon van klaagster is niet reëel. Van verweerster kon, mede gelet op haar andere werkzaamheden, in redelijkheid niet worden verlangd dat zij direct en buiten haar kantoortijden verder op de berichten van klaagster zou reageren. In plaats van de volgende dag af te wachten om met verweerster te overleggen, heeft klaagster ervoor gekozen om meteen een klacht over verweerster in te dienen. Hierdoor was de basis voor een eventuele samenwerking tussen verweerster en klaagster verdwenen. Klacht is kennelijk ongegrond.

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline
in het ressort Amsterdam

van 10 augustus 2026 
in de zaak 26-620/A/NH

naar aanleiding van de klacht van:

klaagster

over:

verweerster

De voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) van 16 juli 2026 met kenmerk bb/ss/26-294/2593564, door de raad digitaal ontvangen op dezelfde datum, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 7. 

1    FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1    Klaagster heeft via eersterechtshulp.nl contact gezocht met verweerster voor bijstand in hoger beroep over een uithuisplaatsing en een voorlopige ondertoezichtstelling van haar dochter.

1.2    Op zondag 24 mei 2026 heeft klaagster verweerster een bericht via WhatsApp gestuurd.

1.3    Op dinsdag 26 mei 2026 hebben klaagster en verweerster via WhatsApp contact met elkaar gehad. Die dag heeft verweerster klaagster om 14:51 geappt:

‘Ik zie het. Deze aanvraag is niet geaccepteerd (vooralsnog) omdat ik uit de aanvraag niet duidelijk kan opmaken of er op dit moment een openstaande zaak is, al dan niet bij de rechtbank?

Na een aantal keer heen en weer appen, vraagt verweerster klaagster om haar een uitspraak toe te sturen van een zitting die op 20 maart 2026 heeft plaatsgevonden. Nadat klaagster de uitspraak aan verweerster heeft gemaild, vraagt verweerster om de pleitnotitie van de advocaat die klaagster tijdens de zitting van 20 maart 2026 heeft bijgestaan. Klaagster heeft foto’s van de pleitnotities om 15:53 uur aan verweerster geappt. Daarna heeft verweerster niet meer op de berichten van klaagster gereageerd.

1.4    Dezelfde dag, op 26 mei 2026, heeft klaagster (het kantoor van) verweerster, deels buiten kantoortijden, gebeld en gemaild. 

1.5    Op 26 mei 2026 om 22:29 uur heeft klaagster bij het kantoor van verweerster een klacht over verweerster ingediend. Dezelfde avond heeft klaagster ook bij de deken een klacht over verweerster ingediend.

1.6    Op 27 mei 2026 heeft een kantoorgenoot van verweerster op de klacht van klaagster gereageerd. In deze reactie is vermeld:

‘U hebt gistermiddag voor het eerst contact gehad met [verweerster]. Zij heeft gevraagd om toezending van relevante documenten, zodat zij de kwestie kon beoordelen en u dáárna laten weten of zij de zaak in behandeling zou kunnen en willen nemen.

U hebt om 15:53 documenten per Whatsapp gestuurd, en om 16:05 nog per e-mail - zie ik. Voorts hebt u nog berichten gestuurd en hebt u na vijf uur (aldus na sluitingstijd) ook nog gepoogd contact op te nemen. Thans reageert u verongelijkt omdat u (nog) geen reactie heeft ontvangen. Ik ga ervan uit dat u begrijpt dat wij als advocaten de tijd moeten nemen om documenten gedegen te beoordelen, alvorens u van een reactie te kunnen voorzien. [Verweerster] is daar simpelweg niet direct aan toegekomen, en na sluitingstijd zijn wij inderdaad niet bereikbaar. Advocaten zijn niet permanent direct beschikbaar en behandelen verzoeken op basis van agenda, urgentie en capaciteit.

Ik begrijp dat u kennelijk verwacht dat een advocaat binnen het uur reageert op een eerste, vrijblijvende benadering. Die verwachting acht ik niet realistisch. Dat u vervolgens vrijwel direct dreigt met een klacht, nog voordat überhaupt sprake is van een opdrachtrelatie, geeft [verweerster] onvoldoende vertrouwen in een samenwerking.

Op basis daarvan zien wij als kantoor geen aanleiding uw zaak in behandeling te nemen. De toegezonden documenten zullen wij verwijderen.

Ik vertrouw erop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd en wens u veel succes bij het vinden van een advocaat die beter aansluit bij uw verwachtingen omtrent responstijden en communicatie.’

2    KLACHT
2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerster dat zij niet heeft gehandeld zoals een behoorlijk advocaat betaamt doordat zij niet meer bereikbaar was nadat klaagster haar per e-mail belangrijke stukken had toegezonden. 
Verder verwijt klaagster verweerster dat zij misbruik heeft gemaakt van de positie van klaagster en van de (gevolgen) van de situatie waarin klaagster en haar dochter zich bevinden.
2.2    De voorzitter zal bij de beoordeling ingaan op de standpunten van klaagster.

3    VERWEER
3.1    Verweerster voert verweer tegen de klacht en betwist dat zij tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. In dat verband voert verweerster aan dat nimmer sprake is geweest van een opdrachtrelatie met klaagster. Volgens verweerster heeft klaagster haar stukken gemaild met het verzoek deze te beoordelen, maar was er op dat moment nog geen sprake van een aanvaarde opdracht. Daar voegt verweerster aan toe dat er ook nog geen intake of inhoudelijke behandeling van de zaak van klaagster had plaatsgevonden. 
Verder voert verweerster aan dat zij niet binnen een uur heeft gereageerd op de e-mail van klaagster, omdat zij niet bereikbaar was vanwege andere werkzaamheden. Daarbij merkt verweerster op dat zij klaagster nimmer een toezegging heeft gedaan van enige reactietermijn waarbinnen zij zou reageren op de e-mail van klaagster. Nog voordat zij de stukken van klaagster inhoudelijk had kunnen beoordelen, had klaagster aangekondigd een klacht in te dienen vanwege het uitblijven van een reactie binnen die zeer korte termijn, aldus verweerster.  
Tot slot merkt verweerster op dat namens haar kantoor aan klaagster is meegedeeld dat zij de zaak van klaagster niet in behandeling zou nemen, dat de toegestuurde stukken zouden worden verwijderd en dat geen formele opdrachtrelatie tot stand was gekomen.
3.2    De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4    BEOORDELING
Toetsingskader
4.1    De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een over een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in art. 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet, wel van belang zijn. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld. 
Klacht is kennelijk ongegrond
4.2    De voorzitter oordeelt – nog los van het feit dat er geen opdrachtrelatie tussen klaagster en verweerster tot stand is gekomen – dat van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen van verweerster geen sprake is. Om de zaak en rechtspositie van klaagster (en haar dochter) goed te kunnen beoordelen, had verweerster redelijkerwijs tijd nodig om de door klaagster op 26 mei 2026 gemailde uitspraak en geappte foto’s van de pleitnotities van de vorige advocaat van klager te bestuderen voordat zij kon beslissen of zij hierin iets voor klaagster zou kunnen betekenen. De voorzitter begrijpt uit de stukken dat klaagster blijkbaar had verwacht dat zij dezelfde dag nog een inhoudelijke reactie van verweerster zou krijgen naar aanleiding van de stukken die zij aan verweerster gestuurd, maar die verwachting is niet reëel. Van verweerster kon, mede gelet op haar andere werkzaamheden, in redelijkheid niet worden verlangd dat zij direct en buiten haar kantoortijden verder op de berichten van klaagster zou reageren. In plaats van de volgende dag af te wachten om met verweerster te overleggen, heeft klaagster ervoor gekozen om meteen op 26 mei 2026 een klacht over verweerster bij het kantoor van verweerster in te dienen en bij de deken. Hierdoor was de basis voor een eventuele samenwerking tussen verweerster en klaagster verdwenen. Van het misbruik maken door verweerster van de situatie van klaagster en de (gevolgen van) de situatie waarin klaagster en haar dochter zich bevinden, is de voorzitter op geen enkele wijze gebleken. De klacht is daarom in alle onderdelen kennelijk ongegrond. 
Conclusie
4.3    Op grond van het voorgaande zal de voorzitter de klacht, met toepassing van artikel 46j lid 1 onder c Advocatenwet, in alle onderdelen kennelijk ongegrond verklaren.


BESLISSING
De voorzitter verklaart de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, in alle onderdelen kennelijk ongegrond.

Aldus beslist door mr. M.V. Ulrici, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door  
mr. A.E. van Oost als griffier en uitgesproken in het openbaar op 10 augustus 2026.

Griffier                               Voorzitter

Verzonden op: 10 augustus 2026